Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY1894

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
16/655908-12 en 21/002957-08 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor een diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl he

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/655908-12 en 21/002957-08 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1983] te [geboorteplaats]

thans uit andere hoofde verblijvende in de PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein

Raadsman mr. J. Weldam, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. primair: een diefstal met geweld, door middel van braak, heeft gepleegd;

subsidiair: een vernieling en een mishandeling heeft gepleegd;

2. een auto heeft gestolen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde diefstal met geweld van een (Nokia) telefoon en baseert zich daarbij op de in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd nu niet met voldoende zekerheid vast is komen te staan dat de auto iemand anders toebehoort dan verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft dit ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde onderbouwd door te stellen dat verdachte op het moment van het ten laste gelegde feit woonachtig was op het adres [adres] te [woonplaats] en dat inbreken in of vernielen van de eigen woning niet mogelijk is. Daar komt bij dat verdachte de diefstal en het geweld heeft ontkend. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat de auto eigendom is van verdachte en dat verdachte derhalve ook van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit nu niet onomstotelijk is komen vast te staan dat de auto verdachte niet (mede) toebehoort.

Bewijs

Op 28 april 2012 heeft [aangeefster] aangifte gedaan van een diefstal in haar woning aan de [adres] te [woonplaats]. In de nacht van 28 april 2012 tussen 02.00 uur en 03.30 uur werd aangeefster wakker van een harde klap en zag zij verdachte vervolgens in haar huis staan. Verdachte begon tegen haar te schreeuwen. Toen aangeefster naar haar woonkamer liep om haar spullen te pakken en de politie te bellen, zag zij dat verdachte haar telefoon van de salontafel pakte. Aangeefster wilde die terug zodat zij weg kon gaan, maar toen zag en voelde aangeefster dat verdachte haar met zijn vuist op haar mond sloeg.

Uit de medische verklaring blijkt dat bij aangeefster een dikke onderlip met een klein scheurtje is geconstateerd.

Bewijsoverweging

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd en dit levert een diefstal met geweld op. De verklaring van verdachte voor het eerst ter zitting afgelegd, dat hij aangeefster achterover heeft zien vallen tegen de muur en dat zij hierdoor mogelijk letsel heeft opgelopen, acht de rechtbank onaannemelijk. Het achterover vallen van aangeefster kan immers het letsel aan de lip niet verklaren.

Ondanks het feit dat vaststaat dat verdachte zich de toegang tot de woning heeft verschaft door een ruit van de woning van aangeefster in te slaan, zoals verdachte ook zelf heeft verklaard, zal de rechtbank verdachte van de ten laste gelegde braak in feit 1 primair vrijspreken. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende vast komen te staan dat het inslaan van de ruit tot doel had zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen om zodoende de telefoon te kunnen stelen. Uit de verklaringen van verdachte ter zitting volgt immers dat niet uitgesloten moet worden geacht dat verdachte de ruit heeft ingeslagen, om zich om relationele redenen bij zijn (ex-)vriendin te vervoegen en pas daarna heeft besloten de telefoon weg te nemen. Van het onderdeel braak in de tenlastelegging bij feit 1 primair zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de nacht van 27 april 2012 op 28 april 2012 te Woerden met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een telefoon (Nokia), toebehorende aan [aangeefster],

welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen die Mohdadi, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die Mohdadi met zijn vuist op haar mond heeft gestompt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf van 104 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en een behandeling bij De Waag;

- een werkstraf voor de duur van 60 uur/30 dagen vervangende hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank tot een bewezen verklaring komt, de eis van de officier van justitie redelijk is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte

Voor wat betreft de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, overweegt de rechtbank dat verdachte nadat zijn relatie over was, in de nacht naar zijn ex-vriendin, die toen lag te slapen, is gegaan, daar ruzie met haar heeft gemaakt en vervolgens daar een telefoon heeft weggenomen. Toen zijn ex-vriendin verdachte probeerde tegen te houden, heeft hij haar in haar gezicht gestompt. Verdachte heeft hierbij op geen enkele manier rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. Bovendien heeft verdachte ervoor gezorgd dat het gevoel van veiligheid en vertrouwen van het slachtoffer, zijn voormalige vriendin, is verminderd, terwijl zij zich juist veilig zou moeten voelen in haar woning. Slachtoffers kunnen daar nog lange tijd de vervelende gevolgen, zoals gevoelens van onveiligheid en angst, van ondervinden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met

- een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 2 augustus 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke vermogens- en geweldsdelicten;

- een de verdachte betreffend rapport van Reclassering Nederland van 8 juni 2012, opgemaakt door mevrouw K. Lakeman, reclasseringswerkster, waarin geadviseerd wordt om verplicht reclasseringstoezicht op te leggen alsmede een behandeling bij De Waag.

De rechtbank neemt verdachte zijn strafbare gedraging bijzonder kwalijk. Eerdere veroordelingen wegens soortgelijke feiten hebben blijkbaar geen enkel positief effect op verdachte gehad.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een (gedeeltelijke) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Met het voorwaardelijke gedeelte beoogt de rechtbank verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en een voorwaardelijke gevangenisstraf maakt zowel een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk als ook een behandeling bij De Waag.

7 De tenuitvoerlegging

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging kan worden toegewezen en moet worden omgezet in een werkstraf.

Aan verdachte is bij arrest van het hof Arnhem van 28 september 2009 onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van twee jaar opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging integraal worden toegewezen, derhalve voor 1 maand gevangenisstraf.

De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om de gevangenisstaf om te zetten in een werkstraf.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1 primair:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 104 dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 60 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

- Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

* de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

* de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft.

- Stelt als bijzondere voorwaarde dat:

* veroordeelde zich tijdens de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland. Daartoe moet de veroordeelde zich binnen 1 dag na zijn vrijlating melden bij

Reclassering Nederland aan het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Hierna moet de

veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit

noodzakelijk acht;

* Veroordeelde zal deelnemen aan een behandeling bij De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorg;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf van 1 maand gevangenisstraf, die bij arrest van 28 september 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 21/002957-12, ten uitvoer zal worden gelegd.

Voorlopige hechtenis

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 september 2012.