Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY1661

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
30-10-2012
Zaaknummer
16/700876-12; 16/712036-11; 16/223558-11 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijke geweldpleging en belediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/700876-12; 16/712036-11; 16/223558-11 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsvrouw mr. L.W. Plantenga, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder parketnummers 16/700876-12 en 16/712036-11 gevoegd.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met parketnummer 16/223558-11.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 16/700876-12

Feit 1: op 30 april 2012 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1];

Feit 2 primair: op 30 april 2012 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1];

Feit 2 subsidiair: op 30 april 2012 [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling;

Feit 3: op 30 april 2012 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], welk door hem gepleegd geweld (zwaar) lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

Parketnummer 16/712036-11

Feit 1: op 3 oktober 2011 samen met een ander [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling;

Feit 2: op 30 oktober 2011 samen met een ander [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling;

Feit 3: op 3 november 2011 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6];

Feit 4: op 3 november 2011 [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 16/655899-12 partiële vrijspraak gevorderd van het gooien met etenswaren en ten aanzien van feit 3 onder parketnummer 16/655899-12 heeft de officier van justitie partiële vrijspraak gevorderd van het gedeelte dat betrekking heeft op artikel 141 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Parketnummer 16/700876-12

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat er sprake was van een ruzie tussen [A] en [slachtoffer 1] onderling. Verdachte heeft hier geen aandeel in gehad.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet bij de auto is geweest, zoals ook blijkt uit de getuigenverklaringen [getuige 1] en [getuige 2].

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw opgemerkt dat verdachte de trap niet expliciet heeft bekend en dat op de camerabeelden niet zichtbaar is dat verdachte iets doet.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van alle drie de feiten, aldus de raadsvrouw.

Parketnummer 16/712036-11

De verdediging heeft betoogd dat er geen steunbewijs is voor de aangifte van [slachtoffer 4] met betrekking tot feit 1.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging opgemerkt dat er wel wettig, maar geen overtuigend bewijs is. De aangever en de getuigen zijn vrienden van elkaar en er is geen reden aan hun verklaringen meer waarde te hechten dan aan de verklaringen van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1], aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw betoogd dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, maar dat er sprake is van een noodweersituatie. De gedachtestreepjes die betrekking hebben op het slaan met een prullenbak en het steken met een schaar kunnen niet wettig en overtuigend bewezen worden.

De verdediging heeft ten slotte betoogd dat voor feit 4 geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is in het dossier. Voor de woorden “we jagen een kogel door die kale z’n kop” is nergens steunbewijs en enkel de woorden “we pakken je nog wel” omvatten geen dreiging met zware mishandeling of tegen het leven gericht.

Verdachte dient derhalve van feit 1, feit 2 en feit 4 te worden vrijgesproken en ten aanzien van feit 3 dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 16/700876-12

Vrijspraak van feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] (hierna te noemen: [slachtoffer 1]) in gevecht is geraakt met [A] (hierna te noemen: [A]). [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij meerdere malen is geslagen, maar dat zij niet weet hoe vaak zij is geslagen en door wie zij is geslagen. [A] heeft verklaard dat zij met [slachtoffer 1] in gevecht is geraakt en om zich heen heeft getrapt en geslagen toen zij met [slachtoffer 1] op de grond lag. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij twee meisjes heeft zien vechten en dat hij geprobeerd heeft de meisjes uit elkaar te krijgen. Getuige [getuige 3] verklaart niets over trappen die zouden zijn gegeven door de groep jongens die erbij stond.

Getuige [slachtoffer 3] (hierna te noemen: [slachtoffer 3]), de vader van [slachtoffer 1], verklaart als enige dat hij heeft gezien dat er drie jongens, onder wie verdachte, zijn dochter trapten. Hij verklaart tevens dat hij de jongens uit de groep niet kent, maar dat zijn dochter achteraf een aantal namen heeft genoemd.

De rechtbank overweegt dat zich voor de verklaring van [slachtoffer 3] geen steunbewijs in het dossier bevindt en voorts dat het letsel van [slachtoffer 1], te weten een gekneusde teen en een gekneusde neus, niet passend is bij het trappen tegen het lichaam. Daarnaast merkt de rechtbank op dat [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij de jongens niet kent en dat hij achteraf op basis van de beschrijving van [slachtoffer 1] heeft gehoord wie de jongens zijn die [slachtoffer 1] trapten. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat [slachtoffer 1] volgens haar aangifte juist niet heeft gezien door wie zij is geslagen en niets heeft verklaard over trappen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen en zal verdachte van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspreken.

Vrijspraak van feit 2 primair en feit 2 subsidiair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 primair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Op basis van de stukken in het dossier kan de rechtbank niet vast stellen of er met spullen is gegooid en zo ja, met wat voor spullen er is gegooid. Ook is niet duidelijk of en zo ja, door wie er is getrapt tegen de auto. De rechtbank overweegt daartoe dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet ter plaatse maar later in hun verklaring verklaren dat er door verdachte en de medeverdachten is gegooid met bierflesjes en dat er door hen is getrapt tegen de auto, maar dat de verklaringen van onafhankelijke getuigen dit tegenspreken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] onvoldoende zijn en dat er daarmee onvoldoende overtuigend bewijs is om verdachte te veroordelen voor de openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] of de auto waar zij zich in bevonden.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van bedreiging en de rechtbank zal verdachte ook daarvan vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van het hiervoor genoemde de handelingen waaruit de bedreiging zou bestaan niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De rechtbank merkt op dat wel vaststaat dat verdachte heeft geprobeerd achter de auto aan te rennen, maar dat dit niet ten laste is gelegd.

Het bewijs ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

[slachtoffer 2] (hierna te noemen: [slachtoffer 2]) heeft in zijn aangifte verklaard dat hij zich op 30 april 2012 in de wachtkamer van het Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein bevond. Er kwamen drie jongens de wachtkamer binnen en [slachtoffer 2] werd gelijk tegen zijn neus getrapt.

Uit de medische verklaring betreffende [slachtoffer 2] blijkt dat hij een verbrijzelde neus heeft.

De rechtbank heeft op de camerabeelden waargenomen dat drie jongens, waarvan één gekleed in een blauw t-shirt, één gekleed in een zwart vest en één gekleed in een wit vest, de wachtkamer van het ziekenhuis binnen komen lopen en dat twee van de drie jongens, te weten de jongen in het zwart en de jongen in het wit, direct een trap geven in de richting van [slachtoffer 2]. Voorts heeft de rechtbank waargenomen dat twee van de drie jongens slaande bewegingen maken in de richting van [slachtoffer 2]. De rechtbank heeft tevens op de camerabeelden waargenomen dat [slachtoffer 2] weg rent, dat alle drie de jongens achter [slachtoffer 2] aanrennen en dat de jongen in het blauw tijdens het rennen een duw in de rug van [slachtoffer 3] geeft.

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar het Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein is gegaan. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij daar in de wachtkamer [slachtoffer 2] zag zitten en dat het zou kunnen dat hij hem een trap heeft gegeven. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de jongen in het zwart is.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen een significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Verdachte maakte onderdeel uit van de groep van drie jongens en was zelf één van de jongens die trappende en slaande bewegingen heeft gemaakt. Daarnaast zijn alle drie de jongens achter [slachtoffer 2] aangerend op het moment dat [slachtoffer 2] probeerde te vluchten.

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 3

De rechtbank overweegt dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 2] heeft getrapt en geslagen in de richting van [slachtoffer 2]. De rechtbank kan op basis van de camerabeelden en de stukken in het dossier niet vast stellen wie van beide verdachten het letsel heeft veroorzaakt. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat het geweld dat door verdachte is toegepast het letsel bij [slachtoffer 2] heeft veroorzaakt en zal hem daarvan partieel vrijspreken.

Parketnummer 16/712036-11

Vrijspraak van feit 1

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

In het dossier bevindt zich alleen de aangifte van [slachtoffer 4] die zegt dat hij verdachte de bedreiging heeft horen uiten. Voor deze verklaring is geen steunbewijs aanwezig in het dossier. De rechtbank is daarom van oordeel dat er sprake is van onvoldoende wettig bewijs en zal verdachte van feit 1 vrijspreken.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 30 oktober 2011 te Nieuwegein [slachtoffer 5] hoorde roepen “Jullie gaan eraan”. Aangever hoorde dat [verdachte] zei “nee hoor, jullie niet, want jullie gaan eraan en jullie huis ook”. Aangever voelde zich hierdoor bedreigd.

Getuige [getuige 4] zag en hoorde dat [slachtoffer 5] riep “Je gaat eraan, jullie gaan eraan, jullie hele huis gaat eraan.” Getuige [getuige 4] zag en hoorde vervolgens dat [verdachte] riep “ik slaap vannacht weer lekker” en “jullie niet, want jullie gaan eraan.”

Getuige [getuige 5] zag de haar bekende [slachtoffer 5] en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) staan. Ze hoorde dat [slachtoffer 5] en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) riepen “Ik maak jullie af, jullie slapen niet, jullie huis gaat eraan. Ik maak jullie helemaal kapot.”

Het bewijs ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

[slachtoffer 6] heeft verklaard dat [verdachte] hem vastpakte en dat zij samen de cafetaria naar binnen rolden. [slachtoffer 6] heeft voorts verklaard dat hij op de vitrinekast terecht kwam en dat hij van [verdachte] een klap kreeg op zijn kaak.

[slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij van [naam] een vuist kreeg op zijn oog. Vervolgens kreeg [slachtoffer 5] een flinke klap op zijn hoofd en hij kreeg ook een voorwerp op zijn hoofd.

De rechtbank heeft op de camerabeelden waargenomen dat verdachte samen met anderen geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]. Op de beelden is te zien dat verdachte [slachtoffer 6] krachtig vasthoudt en hem vervolgens met kracht tegen de toonbank gooit. Tevens heeft de rechtbank waargenomen dat zowel [slachtoffer 6] als [slachtoffer 5] meermalen worden gestompt tegen hun hoofd. De rechtbank heeft voorts waargenomen dat [slachtoffer 5] met een servethouder op zijn hoofd wordt geslagen door verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 6] tegen de toonbank heeft gegooid en [slachtoffer 5] op zijn hoofd heeft geslagen met een servethouder.

Vrijspraak van feit 4

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

[slachtoffer 5] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat ze een kogel door zijn kop zouden jagen. De rechtbank overweegt dat zich voor deze verklaring geen steunbewijs in het dossier bevindt en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Terwijl [slachtoffer 5] een verklaring aflegt bij de politie, hoort de verbalisant verdachte vanuit zijn cel roepen “we pakken je nog wel”. De rechtbank is van oordeel dat deze woorden in deze context geen bedreiging zijn tegen het leven gericht althans met zware mishandeling en zal verdachte ook daarvan vrijspreken.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 4 tenlastegelegde.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 16/700876-12

3.

op 30 april 2012 te Nieuwegein, met anderen, in een voor het publiek toegankelijke ruimte,

te weten de wachtkamer van de spoedeisende hulp in het Antonius Ziekenhuis, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het

- onverhoeds met kracht trappen tegen de neus van die [slachtoffer 2] en

- meermalen slaan en/of stompen in het gezicht, althans in de richting van het gezicht van die [slachtoffer 2] en

- tegen de rug duwen van die [slachtoffer 3].

Parketnummer 16/712036-11

2.

op 30 oktober 2011 te Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend die [slachtoffer 4] de woorden toegevoegd: "Jullie gaan er aan" en “Ik maak jullie af, jullie slapen niet, jullie huis gaat er aan" of woorden van gelijke aard en/of strekking;

3.

op 03 november 2011 te Nieuwegein met anderen, in een voor het publiek toegankelijke ruimte te weten cafetaria [naam] (gelegen aan de [adres]), openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 5] en tegen [slachtoffer 6], welk geweld bestond uit

- het meerdere keren met een tot vuist gebalde hand tegen het hoofd van die [slachtoffer 5] stompen en

- het meerdere keren met een tot vuist gebalde hand tegen het hoofd van die [slachtoffer 6] stompen en

- het met een hard voorwerp slaan op het hoofd van die [slachtoffer 5] en

- [slachtoffer 6] krachtig vastpakken en vasthouden en vervolgens [slachtoffer 6] met kracht tegen de toonbank gooien.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Noodweer

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 3 onder parketnummer 16/712036-11 aangevoerd dat er sprake is geweest van een noodweersituatie.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw als volgt. Uit de verklaringen van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] blijkt dat verdachte degene is die met het geweld is begonnen tegen [slachtoffer 6]. De rechtbank acht dit – mede gelet op de beelden - ook aannemelijk en gaat hier vanuit. Nu verdachte zelf de aanstichter is geweest van het geweld, is de rechtbank van oordeel dat hij geen beroep kan doen op een noodweersituatie ten aanzien van het in het begin gepleegde geweld. Ten aanzien van het later gepleegde geweld heeft verdachte verklaard dat hij is gebleven om zijn vriend te verdedigen, maar de rechtbank verwerpt ook dat verweer. Verdachte had op dat moment een andere keuze kunnen en moeten maken en had niet hoeven ingrijpen op de manier waarop hij dat heeft gedaan. Verdachte heeft door het geweld dat hij heeft toegepast de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit overschreden.

De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op noodweer en is van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Parketnummer 16/700876-12

Feit 3: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Parketnummer 16/712036-11

Feit 2: Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 3: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een werkstraf voor de duur van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis;

- een gevangenisstraf voor de duur van 262 dagen waarvan 181 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de duur van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarden reclasseringscontact, ook als dat inhoudt het meewerken aan een training alcohol en geweld, het meewerken aan een klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken, een contactverbod met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voor de duur van 6 maanden, een contactverbod met de slachtoffers [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor de duur van 2 jaren, en het meewerken aan een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en de voorlopige hechtenis op te heffen bij het onherroepelijk worden van het vonnis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke straf waaraan bijzondere voorwaarden worden verbonden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Verdachte heeft bij de eerste openlijke geweldpleging slaande en trappende bewegingen gemaakt. Het slachtoffer heeft door het geweld dat verdachte en zijn mededaders hebben toegepast een verbrijzelde neus opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat er zeer fors geweld is toegepast tegen het slachtoffer en neemt het verdachte extra kwalijk omdat het in een wachtkamer van een ziekenhuis is gebeurd. De rechtbank wijst erop dat een ziekenhuis een plek is waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen bij het slachtoffer, maar ook bij de mensen die getuige zijn geweest van het geweld, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat de gevolgen voor slachtoffers van geweld zeer ingrijpend kunnen zijn.

Verdachte heeft bij de tweede openlijke geweldpleging samen met anderen geweld gebruikt tegen meerdere personen. De slachtoffers hebben hierdoor letsel opgelopen.

Tevens heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een bedreiging. Verdachte heeft hierbij geen rekening gehouden met de angstgevoelens die dit bij anderen kan veroorzaken.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met: - een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 juli 2012, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;

- een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 3 september 2012.

In het reclasseringsrapport wordt geadviseerd om aan verdachte als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, een behandelverplichting en een training alcohol en geweld op te leggen. Tevens acht de reclassering het van belang dat een kortdurende klinische opname tot de mogelijkheden behoort.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte behalve ten aanzien van alle gevorderde bijzondere voorwaarden.

Tevens houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 262 dagen, waarvan 181 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de hierna te noemen bijzondere voorwaarden en een werkstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden is. De rechtbank zal deze straffen dan ook aan verdachte opleggen.

Ten aanzien van de bijzondere voorwaarden overweegt de rechtbank dat zij de voorwaarden zal opleggen conform de eis van de officier van justitie, met uitzondering van de voorwaarden die betrekking hebben op een klinische opname en een contactverbod met de aangevers. De rechtbank acht deze voorwaarden op dit moment niet noodzakelijk, mede gelet op de andere op te leggen bijzondere voorwaarden.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen zal de rechtbank, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, de gestelde voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel toe te wijzen, hoofdelijk en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het feit waarvoor de schade wordt gevorderd en geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 544,20 voor feit 1 onder parketnummer 16/655899-12.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 19 december 2011 ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsvrouw heeft verzocht de proeftijd van de voorwaardelijke straf te verlengen met één jaar.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank echter verdachte in de gelegenheid stellen een werkstraf te verrichten in plaats van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 14g, 22c, 22d, 47, 57, 63, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Parketnummer 16/700876-12

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1, feit 2 primair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde;

Parketnummer 16/712036-11

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 en feit 4 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 16/700876-12

Feit 3: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Parketnummer 16/712036-11

Feit 2: Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 3: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 262 dagen, waarvan 181 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daartoe moet de verdachte zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis melden bij de reclassering van Centrum Maliebaan op het adres Tolsteegsingel 2A te Utrecht. Hierna moet verdachte zich gedurende de proeftijd blijven melden zo frequent als de reclassering van Centrum Maliebaan nodig acht;

* dat verdachte zijn medewerking moet verlenen aan de training alcohol en geweld;

* dat verdachte zijn medewerking moet verlenen aan een behandeling bij de polikliniek van Centrum Maliebaan of een soortgelijke ambulante forensische instelling;

* dat verdachte gedurende zes maanden geen contact mag hebben/opnemen/onderhouden met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2];

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- verklaart de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 19 december 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/223558-11 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf zal worden vervangen door een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 september 2012.

Mr. Van Dam is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.