Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY1477

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-10-2012
Datum publicatie
29-10-2012
Zaaknummer
16-600077-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzettelijk iemand krachtens rechterlijke uitspraak en beschikking van de vrijheid beroofd, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam zijn;opzettelijk iemand die schuldig is aan enig misdrijf, verbergen. Verdachte heeft als werknemer van een kliniek een tbs-gestelde helpen ontsnappen. De rechtbank veroordeelt verdachte onder meer tot een werkstraf van 240 uur en 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600077-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1978] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

Raadsman mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 oktober 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: in vereniging opzettelijk behulpzaam is geweest bij de zelfbevrijding van [terbeschikkinggestelde];

feit 2: opzettelijk [terbeschikkinggestelde] heeft verborgen en/of behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de opsporing/aanhouding van [terbeschikkinggestelde].

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft dit onderbouwd door te stellen dat geen van de vier ten laste gelegde feitelijkheden kunnen worden bewezen, met uitzondering van het vervoeren van [terbeschikkinggestelde] met een auto. Echter, op het moment van het vervoeren was de zelfbevrijding reeds voltooid, waardoor dit niet valt te kwalificeren als het behulpzaam zijn bij zelfbevrijding. De raadsman heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 11 november 1952, NJ 1953, 138.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde deelnemingsvorm medeplegen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewijs ten aanzien van feit 1

Op 21 mei 2002 is [terbeschikkinggestelde] door het Gerechtshof te Amsterdam wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, mishandeling, wapenbezit, medeplegen van afpersing, diefstal in vereniging en opzetheling veroordeeld tot (onder andere) terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De terbeschikkingstelling met dwangverpleging is daarna steeds verlengd, onder andere bij arrest van 30 maart 2010 en laatstelijk bij beslissing van 1 augustus 2011, die, met aanvulling van gronden, door het Gerechtshof te Arnhem bevestigd is op 5 april 2012.

[terbeschikkinggestelde] is op vrijdag 26 november 2010 omstreeks 17.30 uur ontsnapt uit de Van der Hoevenkliniek te Utrecht, waar hij in het kader van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging gedetineerd was, door via een niet afgesloten deur naar de medische afdeling te gaan, daar een raam in te slaan en het gebouw te verlaten . Uit het dagboek van [terbeschikkinggestelde] blijkt dat hij op 24 november 2010 heeft geschreven: “48 uur to go”. Op 26 november 2010 staat er in het dagboek: “Free day”. Verdachte, die werkzaam was op de medische afdeling, had die dag de afdeling als laatste omstreeks 17.30 uur verlaten. Om ongeveer 21.30 uur werd ontdekt dat de toegangsdeur naar de medische afdeling niet afgesloten was, terwijl deze normaal op slot hoort te zitten. Behalve verdachte konden ook de coördinatrice en de portier beschikken over een sleutel van de betreffende deur, maar zij hadden deze niet geopend.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat zij die dag tussen 17.00 uur en 17.30 uur als laatste is weggegaan van de medische afdeling en dat op degene die als laatste de afdeling verlaat de verplichting rust om de toegangsdeuren naar de afdeling af te sluiten. Voorts heeft zij verklaard dat alleen zijzelf en twee andere personen, te weten de coördinatrice en de portier, op dat moment konden beschikken over een sleutel van de toegangsdeur naar de medische afdeling. Verder heeft verdachte verklaard op vrijdagavond 26 november 2010 door [terbeschikkinggestelde] te zijn opgebeld en hem vervolgens buiten de Van der Hoevenkliniek in de Meloenstraat te Utrecht, een straat in de buurt van de kliniek, met de auto te hebben opgehaald. Verdachte heeft bevestigd dat zij liefdesbrieven naar [terbeschikkinggestelde] heeft geschreven.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

De rechtbank overweegt dat uit bovenstaande bewijsmiddelen naar voren komt dat [terbeschikkinggestelde] zijn vluchtpoging op 26 november 2010 tevoren had gepland . Verdachte is op die datum als laatste weggegaan van de medische afdeling van waaruit [terbeschikkinggestelde] korte tijd later uit de kliniek is ontsnapt. Op verdachte rustte de verplichting om bij haar vertrek de toegangsdeur naar de afdeling af te sluiten. Gebleken is echter dat deze toegangsdeur niet was afgesloten. Behalve verdachte waren er op dat moment slechts twee personen die over een sleutel van de toegangsdeur naar de medische afdeling konden beschikken, maar deze hebben na het vertrek van verdachte de betreffende deur niet geopend. Daar komt bij dat er kennelijk sprake was van een relatie tussen [terbeschikkinggestelde] en verdachte. Voorts heeft verdachte bekend [terbeschikkinggestelde] te hebben opgehaald, nadat hij haar had gebeld.

Gelet op het voorgaande, kan het niet anders zijn dan dat verdachte [terbeschikkinggestelde] bij zijn ontsnapping heeft geholpen door de deur naar de medische afdeling open te laten op het moment dat zij de medische afdeling aan het eind van de middag op 26 november 2010 verliet. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande bewijs, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd voor wat betreft het niet afsluiten van de deur.

De overige onder feit 1 verweten gedragingen zijn niet bewezen, daarvan zal verdachte worden vrijgesproken. Er bevinden zich in het dossier geen bewijsmiddelen waaruit is af te leiden dat verdachte [terbeschikkinggestelde] heeft geïnformeerd over het tijdstip waarop de medische afdeling verlaten zou zijn en evenmin dat zij het overklimalarm heeft uitgeschakeld. Dat verdachte buiten de kliniek met een auto op [terbeschikkinggestelde] stond te wachten, is evenmin uit het dossier af te leiden. Wel heeft verdachte hem opgehaald en vervoerd naar een schuilplaats (in casu haar woning) nadat [terbeschikkinggestelde] haar had gebeld. Op dat moment was de ontsnapping echter al voltooid; [terbeschikkinggestelde] hield zich toen op in de omgeving van de kliniek. Deze feitelijkheid is dan ook te beschouwen als het achteraf behulpzaam zijn bij een voltooide ontsnapping en dat valt niet binnen het bereik van artikel 191 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2

Aangezien verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van de Van der Hoevenkliniek ;

- het proces-verbaal van bevindingen ;

- het arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 21 mei 2002 ;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 15 oktober 2012 .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 26 november 2010, te Utrecht opzettelijk [terbeschikkinggestelde], die krachtens rechterlijke uitspraak en beschikking van de vrijheid beroofd was, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam is geweest, hebbende zij, verdachte alstoen aldaar opzettelijk die [terbeschikkinggestelde], die terbeschikking was gesteld met verpleging van overheidswege en uit dien hoofde verbleef in de Van der Hoevenkliniek te Utrecht, in staat gesteld te ontsnappen

- door een deur die normaliter afgesloten wordt van de medische afdeling niet af te sluiten,

waardoor die [terbeschikkinggestelde] zich uit genoemde Van der Hoevenkliniek heeft bevrijd;

2.

op 26 november 2010 te Maarssen opzettelijk een persoon te weten [terbeschikkinggestelde],

die schuldig was aan onder meer de volgende misdrijven: bedreiging tegen het leven, mishandeling, wapenbezit, afpersing, diefstal in vereniging en heling, heeft verborgen, immers heeft verdachte voornoemde [terbeschikkinggestelde] in haar, verdachtes, woning onderdak verschaft;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: opzettelijk iemand krachtens rechterlijke uitspraak en beschikking van de vrijheid beroofd, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam zijn;

feit 2: opzettelijk iemand die schuldig is aan enig misdrijf, verbergen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De verklaring van verdachte, dat zij werd bedreigd door [terbeschikkinggestelde] en zij hem heeft geholpen en onderdak heeft geboden om haar kinderen tegen [terbeschikkinggestelde] te beschermen, wordt door de rechtbank begrepen als een beroep op psychische overmacht en derhalve als een beroep op ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van verdachte.

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat sprake is van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen of behoren te bieden. De rechtbank overweegt dat uit het dossier geen enkele aanwijzing naar voren komt die de verklaring van verdachte over bedreiging door [terbeschikkinggestelde] ondersteunt. Sterker, uit het dossier komt naar voren dat verdachte kennelijk een liefdesrelatie had met [terbeschikkinggestelde]. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat zij [terbeschikkinggestelde] liefdesbrieven schreef om hem juist op afstand te houden, acht de rechtbank in dat verband niet aannemelijk.

De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen of behoren te bieden. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

Er zijn voorts ook geen andere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar, gelet op de inmiddels verstreken tijd, passend is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het behulpzaam zijn bij de zelfbevrijding en het vervolgens verborgen houden in haar woning van een persoon die in mei 2002 ter beschikking was gesteld met dwangverpleging in verband met een bedreiging tegen het leven, mishandeling, wapenbezit, afpersing, diefstal in vereniging en heling. Sinds 2002 heeft elke twee jaar een rechterlijke instantie bepaald dat deze persoon te gevaarlijk is om terug te keren in de maatschappij en om die reden de termijn van de terbeschikkingstelling verlengd. Een ontsnapping van een dergelijk gevaarlijk persoon roept in de samenleving gevoelens van onrust en onveiligheid op. Verdachte, die kennelijk een liefdesrelatie met deze persoon had, heeft het vertrouwen dat in haar als werknemer gesteld was door de kliniek ernstig beschaamd. Zij heeft hierbij enkel gedacht aan haar eigen belang en niet aan de maatschappelijke onveilige situatie die mede door haar is gecreëerd. Dat het hierbij is gebleven, is niet aan het handelen van verdachte te danken, maar aan de inzet en het snelle optreden van de kliniek en de politie die de voortvluchtige hebben weten te lokaliseren zodat erger kon worden voorkomen. De rechtbank neemt bovenstaande verdachte zeer kwalijk.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op:

- het strafblad van verdachte d.d. 28 september 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld;

- het reclasseringsrapport d.d. 29 april 2012, opgemaakt door mevrouw K. Lakeman, waaruit blijkt dat verdachte een alleenstaande moeder is van twee jonge kinderen. Volgens de reclassering lijkt de verdachte in relaties moeite te hebben met het aangeven van haar grenzen en zij verliest daarbij mogelijk belangrijke zaken uit het oog; geadviseerd wordt derhalve een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en een behandelverplichting.

Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat er reeds ruim anderhalf jaar is verstreken tussen de datum waarop het zaaksdossier is gesloten (26 januari 2011) en de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting.

Gelet op het voorgaande, met name dat verdachte de zorg heeft over haar twee jonge kinderen, zal de rechtbank aan haar geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen hoewel dit op grond van de ernst van de feiten gerechtvaardigd zou zijn. In plaats daarvan zal de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstaf opleggen voor de maximaal op te leggen duur van 240 uur (subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis). Daarnaast zal zij een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van vier (4) maanden met een proeftijd van twee (2) jaar, die zowel een verplichte begeleiding door Reclassering Nederland als ook een behandeling bij Kade 17 of soortgelijke forensisch psychiatrische polikliniek mogelijk maakt. De rechtbank is met de Reclassering van mening dat het van belang is dat verdachte behandeling krijgt om herhaling in de toekomst te voorkomen. Het voorwaardelijk gedeelte dient daarnaast als zogenaamde stok achter de deur, opdat verdachte zich niet nogmaals aan dergelijke feiten schuldig zal maken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 189 en 191 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk iemand krachtens rechterlijke uitspraak en beschikking van de vrijheid beroofd, bij zijn zelfbevrijding behulpzaam zijn;

feit 2: opzettelijk iemand die schuldig is aan enig misdrijf, verbergen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling.

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

* de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

* de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

* de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft.

- stelt als bijzondere voorwaarden dat:

* veroordeelde zich tijdens de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en

aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland.

Daartoe moet de veroordeelde zich binnen 30 dagen volgend op de uitspraak

melden bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht.

Hierna moet de veroordeelde zich gedurende door Reclassering Nederland

bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland

gedurende deze perioden nodig acht;

* veroordeelde zal deelnemen aan een behandeling bij Kade 17 of een soortgelijke

forensisch psychiatrische polikliniek;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en

mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 oktober 2012.

Mr. P.L.C.M. Ficq is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.