Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY0648

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
19-10-2012
Zaaknummer
316642 / HA RK 11-526 HV4061
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil ex art. 1019w Rv. Aansprakelijkheid en eigen schuld bij verkeersongeval. Aanrijding motor en auto. Toegewezen verklaring voor recht, voorschot letselschade, buitengerechtelijke kosten en kostenbegroting deelgeschil ex art. 1019aaRv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rekestnummer: 316642 / HA RK 11-526 HV4061

Beschikking van 21 maart 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat: mr. F.A.P. Laporte te Overlangbroek,

tegen

1. de naamloze vennootschap

AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

2.

[verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

verweerders,

advocaat: mr. E. Pans te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Amlin worden genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift tot een beslissing in een deelgeschil ex artikel 1019w Rv;

- het verweerschrift

- de mondelinge behandeling.

Hierna is uitspraak bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Op 26 april 2010 heeft tussen 18.30 en 18.37 uur op de N225 (Hoofdstraat) te Driebergen, gemeente Utrechtse Heuvelrug, een verkeersongeval plaatsgevonden tussen [verzoeker] als bestuurder van een motorfiets (Honda Cbr 1000f) en [bestuurder BMW] als bestuurder van een personenauto (BMW 3er Reihe).

[verzoeker] reed op een voorrangsweg in de richting van Doorn. Voor hem reed een door

[bestuurder Peugeot] bestuurde personenauto (Peugeot 407). [bestuurder Peugeot] remde en gaf aan naar rechts te willen afslaan richting de inrit van landgoed Overhorst (hierna te noemen: het landgoed). [bestuurder BMW] draaide vanuit de uitrit van het landgoed - vanuit [verzoeker] gezien aan de rechterzijde van de weg - links de weg op in de (voor [verzoeker] tegenovergestelde) richting van Driebergen/Rijksweg A12. Vervolgens hebben [verzoeker] en [bestuurder BMW] elkaar geraakt.

De weg ter plaatse kent een doorgetrokken streep, welke ter plaatse van de uitrit onderbroken is op de - vanuit [verzoeker] bezien - tegenovergestelde rijstrook.

De personenauto van [bestuurder BMW] is bij Amlin verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid.

2.2. Na het ongeval heeft brigadier [getuige 2], die kort na het ongeval toevallig en in

zijn privé-auto voorbijreed, een ‘Registratieset’ opgemaakt. [bestuurder Peugeot] en [bestuurder BMW] zijn hierbij apart gehoord. [verzoeker] is niet gehoord. In de registratieset is het volgende opgenomen:

“GET [bestuurder Peugeot] reed in haar personenauto, voorzien van het kenteken [kenteken], buiten de bebouwde kom over de Hoofdstraat te Driebergen, gaande in de richting van Doorn. GET [bestuurder Peugeot] wilde op de Hoofdstraat 246-256 te Driebergen rechtsaf het landgoed Overhorst op. Ze zag dat er vanaf het landgoed een auto, voorzien van het kenteken [kenteken], juist de Hoofdstraat wilde oprijden in de richting van Driebergen. Om deze auto de ruimte te geven om over te steken remde GET [bestuurder Peugeot] af. Omdat er van rechts geen verkeer kwam reed de betreffende auto met als bestuurder VE [bestuurder BMW] het landgoed af en sloeg linksaf de Hoofdstraat in richting Driebergen. Ondertussen reed VE Bleijenberg als motorrijder over de Hoofdstraat te Driebergen, gaande in de richting van Doorn. VE Bleijenberg reed op een motorfiets voor zien van het kenteken [kenteken] en negeerde de doorgetrokken streep en haalde de voor hem langzaam rijdende en stilstaande voertuigen in. Tot het moment dat VE [bestuurder BMW] linksaf de Hoofdstraat op draaide. Hierdoor ontstond tussen beide VE’s een frontale aanrijding. ”

2.3. [verzoeker] heeft als gevolg van het ongeval (levensgevaarlijk) lichamelijk letsel opgelopen, te weten een acute aorta ruptuur welke operatief is gerepareerd, en daarnaast geestelijk letsel (post traumatische stress stoornis). Het arbeidsvermogen van [verzoeker], die ambulancechauffeur is, is thans beperkter dan voor het ongeval.

2.4. Op 28 april 2010 heeft [bestuurder BMW] het aanrijdingsformulier aan de voorzijde ingevuld. De echtgenote van [verzoeker] had de achterzijde naar aanleiding van de verklaringen van [verzoeker] reeds ingevuld.

2.5. Bij brief van 3 mei 2010 heeft [verzoeker] Amlin (als verzekeraar van [bestuurder BMW]) aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en te lijden schade.

2.6. Op 9 september 2010 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen [verzoeker], zijn advocaat en [letselschaderegelaar] (letselschaderegelaar/arbeidsdeskundige) namens Amlin. Van de zijde van Amlin werd nog geen standpunt ingenomen omtrent de aansprakelijkheid. Nadien heeft Amlin onder algemene titel een voorschot van € 5.000,-- aan [verzoeker] voldaan.

2.7. Bij beschikking van 16 maart 2011 heeft de rechtbank Utrecht, (thans) sector handel en kanton, handelskamer, op verzoek van [verzoeker] d.d. 3 december 2010 een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Op 20 april 2011 heeft dit voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden aan de zijde van [verzoeker]. Gehoord zijn [verzoeker] en [getuige 2]. Op 12 juli 2011 is het voorlopig getuigenverhoor aan de zijde van [verzoeker] voortgezet en is een tegenverhoor aan de zijde van Amlin gehouden. Gehoord zijn [chauffeur lijnbus] (chauffeur van een lijnbus die kort na het ongeval voorbij reed), [schoonvader verzoeker] (schoonvader van [verzoeker]) en [bestuurder BMW].

Onder meer is het volgende verklaard:

[verzoeker]:

“1.(…)Voor mij reed een auto, een Peugot 407, die een inrit in wilde rijden rechts van ons. Zij had haar knipperlicht aan en sorteerde rechts voor. Zij remde stevig af en ik remde ook. Er was nog voldoende afstand tussen ons. Ik ben toen links om de Peugot heen gereden. Toen ik langs de Peugot reed, had ik een snelheid van 40 tot 50 kilometer per uur. De maximum snelheid was daar 80 kilometer per uur, het was buiten de bebouwde kom. Toen ik om de Peugeot heen ging ben ik op mijn eigen weghelft gebleven. Ik had daarvoor op mijn weghelft nog ruimte van ongeveer 1,5 meter. Uit de inrit waar de Peugeot in wilde rijden kwam een andere auto, dat was een BMW. Die auto heb ik niet gezien. De BMW kwam uit de uitrit en ik passeerde de Peugeot waarna een botsing is gevolgd. Ik ben langs de voorbumper van de BMW geschampt. (…)

2. Het volgende wat ik mij herinner is dat ik op de andere rijhelft zat. De motor lang op diezelfde rijbaan ongeveer 10 meter van mij af, midden op de weg, van mijn kant gezien voorbij de inrit.(…)

5. (…) Ik reed niet op de verkeerde rijbaan, er was geen dubbele doorgetrokken streep, de inrit is brede en kent een flauwere bocht en ik ben niet ‘frontaal’ op de punt van de auto gebotst. Dat kan ook niet gelet op de plek waar mijn motor terecht is gekomen.

6. Los van de chauffeur van de connexxion bus, zijn er bij mijn weten geen andere getuigen van het ongeluk geweest”

[getuige 2]:

“1. Kort na het ongeval reed ik in mijn privé auto voorbij de locatie van het ongeval. Ik was op dat moment in dienst. Ik zag dat er net een aanrijding was gebeurd en ben meteen ter plaatse gegaan. Ik heb de aanrijding zelf niet gezien. (…)

Wat ik heb gehoord en waargenomen heb ik vermeld in de registratieset. Daarin noteren wij wat we zien en horen, maar wij nemen geen officiële getuigenverklaringen op. (…) Ik weet nog dat er meer mensen ter plekke waren, maar ik weet niet wie. Ik heb de man en vrouw gesproken en mij zo een beeld gevormd van het ongeluk. De aanleiding was helder voor mij. Nadat [verzoeker] met de ambulance naar het UMC was afgevoerd heb ik zijn motor van de rijbaan gehaald en op het fietspad neergezet. Als ik het mij goed herinner lag de motor iets op de rijbaan iets voor de inrit, bezien vanuit de richting van waaruit [verzoeker] kwam. (…)

Vanaf het landgoed wilde een auto de doorgaande weg op. Daarin zat een man. De vrouw gaf de man voorrang, waarop de man links afsloeg, dat mag daar. Ik weet niet hoe breed die inrit precies is. Achter de vrouw stonden andere auto’s te wachten. De motorrijder, de heer [verzoeker], reed links langs die auto’s en heeft de auto die uit de inrit kwam frontaal geraakt. Ik zeg frontaal omdat ik schade aan beide voertuigen aan de voorzijde heb geconstateerd. Die voertuigen heb ik daar ter plekke bekeken. U confronteert mij met de registratieset die ik heb opgesteld. Onder de beknopte omschrijving van het ongeval staat vermeld dat [verzoeker] de doorgetrokken streep negeerde. Alle constateringen die ik heb gedaan zijn gebaseerd op hetgeen ik heb gehoord en gezien. Het betreft verklaringen van aanwezige, de schade die ik heb waargenomen en de posities waarin ik de betrokken voertuigen heb aangetroffen. De auto van mevrouw [bestuurder Peugeot] stond er nog. Waarschijnlijk was de ruimte tussen die auto en de doorgetrokken streep zodanig dat de motor er niet langs kon. Het betrof nogal een grote motor. (…)

Als u mij zegt dat [verzoeker] verklaart dat hij op zijn eigen weghelft is gebleven dan zeg ik u dat ik dit niet aannemelijk vind aan de hand van mijn registratieset (…)

3. Ik heb de auto’s die achter [bestuurder Peugeot] wachtten niet ingetekend, omdat ik niet wist hoeveel auto’s het betrof.”

[chauffeur lijnbus]:

“1. (…) Net toen ik naderde zag ik dat de heer [verzoeker] en zijn motor op de weg lagen. U toont mij een foto waarvan ik u hoor zeggen dat die aan het proces-verbaal zal worden gehecht. Op die foto is een kruisje geplaatst op de plek waar de heer [verzoeker] lag, die plek was voorbij de uitrit. Zijn motor lag niet ver van hem vandaan op de weg.(….)

3. Ik heb het ongeval niet zien gebeuren. (…)

1. Toen ik bij [verzoeker] kwam was er nog geen politie of ambulance aanwezig. (…)

4. Ik was niet als eerste ter plaatse. Er was nog een andere man die hulp aan het verlenen was. Die heb ik kort gesproken, maar ik weet niet hoe hij heet.

5. Ik heb gezien dat de motor van [verzoeker] zwaar beschadigd was aan de rechterzijde.

6. De BMW was verplaatst na het ongeval en stond in de berm. Ik heb de schade aan de BMW gezien en die hield in schampschade aan de voorzijde. Ik vond dat er betrekkelijk weinig schade was aan de BMW.”

[schoonvader verzoeker]:

“1. (…) Ik weet niets over de toedracht van het ongeval, althans ik heb daar niets van gezien. (…)

5. Ik heb de schade aan de motor van mijn schoonzoon gezien en dat betrof een kromming van de rechter voorpoot, het kuipdeel aan de rechtszijde was aan flarden en de ruit ook. Aan de linkerzijde zat een behoorlijke deuk in de tank. [bestuurder BMW] zei mij dat hij alleen schade had aan zijn linker voorspatbord en op de motorkap. Die schade heb ik niet zelf gezien.”

[bestuurder BMW]:

“1. Op 26 april 2010 kwam ik met mijn blauwe BMW het bedrijventerrein af, waar ik werkzaam ben; ik wilde links afslaan de weg op. Deze weg is een voorrangsweg. Er kwam toen een Peugeot aan van links, die het bedrijventerrein op wilde rijden. Dat zag ik aan de richtingaanwijzer op deze Peugeot. Omdat ik de inrit blokkeerde kon de Peugeot niet het terrein oprijden en gaf de bestuurder mij het teken van ‘komt u maar’. Ik heb naar rechts gekeken of er verkeer aan kwam. Van links leek mij dat niet mogelijk, omdat daar de Peugeot stond. Op het allerlaatste moment zag ik een motorrijder links de Peugeot passeren. Ik was al bezig linksaf de weg op te draaien, op dat moment hebben we elkaar geraakt. (…)

1. Ik heb op het moment dat ik stil stond in de uitrit ook auto’s achter de Peugeot zien aankomen, de motorrijder heb ik toen niet gezien.

2. [verzoeker] en ik hebben elkaar geraakt na de middenstreep toen ik nog in de draai linksaf was. [verzoeker] zelf ging over de motorkap heen en de motor is langs de voorbumper van mijn auto geschampt.

3. Na het ongeval bevond [verzoeker] zich op de weg. Ook de motor lag op de weg, waar dat precies was ten opzichte van [verzoeker] weet ik niet meer. De brigadier van de politie heeft later de motor in de berm geparkeerd.”

2.8. In oktober 2010 heeft [verzoeker] (tezamen met anderen) een boerderij, die reeds generaties in de familie is, gekocht met de bedoeling om in een deel daarvan te gaan wonen. De overdracht heeft plaatsgevonden op 1 september 2011. De boerderij moet gerestaureerd worden.

2.9. Op 18 augustus 2011 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen [verzoeker], [letselschaderegelaar] en [register schade-expert] (register schade-expert/arbeidsdeskundige) met betrekking tot de wijze waarop de toekomstige letselschade van [verzoeker] zou worden begroot, de arbeidsmogelijkheid van [verzoeker] en de nadere bevoorschotting op de definitief door [verzoeker] te lijden schade.

2.10. Bij brief van 22 september 2011 heeft Amlin het standpunt ingenomen dat [verzoeker] grotendeels) zelf aansprakelijk is voor het ongeval. Coulancehalve was Amlin bereid 50% van de schade van [verzoeker] voor haar rekening te nemen.

2.11. Ter zake van de kosten van rechtsbijstand heeft Amlin een bedrag van € 3.015,04 en een bedrag van € 2.516,50 aan [verzoeker] voldaan, zijnde in totaal € 5.531,54.

3. Het deelgeschil

3.1. [verzoeker] vordert dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat Amlin volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval op 26 april 2010, waarbij [verzoeker] letsel heeft bekomen en de volledige schade aan [verzoeker] dient te vergoeden, althans een percentage van die schade aan [verzoeker] dient te vergoeden;

2. Amlin veroordeelt tot betaling aan [verzoeker] van:

- € 25.000,-- als voorschot op door [verzoeker] geleden en in de toekomst te lijden letselschade, althans een percentage daarvan;

- € 10.445,-- als tussentijdse vaststelling van de door [verzoeker] geleden schade vanwege kosten van aan hem verleende buitengerechtelijke rechtsbijstand, waaronder begrepen de kosten van de verzoekschriftprocedure tot bevel van een voorlopig getuigenverhoor en de ten overstaan van de rechter-commissaris op 20 april 2011 en 12 juli 2011 gehouden getuigenverhoren, althans een percentage van dit bedrag;

3. [verzoeker] veroordeelt in de kosten van deze deelgeschilprocedure, begroot op € 2.394,-- exclusief 5% kantoorkosten en 19% BTW, en te vermeerderen met de kosten van de mondelinge behandeling en - naar de kantonrechter begrijpt - het griffierecht.

3.2. [verzoeker] heeft de aansprakelijkheid van [bestuurder BMW] (naar de kantonrechter begrijpt ex artikel 6:162 BW) - kort gezegd - gegrond op overtreding door hem van artikel 54 RVV 1990 en artikel 76 (sub 1a) RVV 1990. Op grond van artikel 54 RVV had [bestuurder BMW] bij het uitvoeren van de bijzondere manoevre, namelijk het uit een uitrit de weg oprijden, het overige verkeer voor moeten laten gaan. In strijd met artikel 76 RVV overschreed [bestuurder BMW] de doorgetrokken streep die zich op het midden van de weg bevond en draaide hij in een verboden rijrichting de weg op.

[verzoeker] reed achter [bestuurder Peugeot] met een snelheid van 40 à 50 kilometer per uur. [bestuurder Peugeot] gaf met haar richtingaanwijzer aan dat zij rechtsaf wilde slaan, ging uiterst rechts op de rijbaan rijden en remde af. [verzoeker] wilde rechtdoor zijn weg vervolgen en is daarom op dezelfde rijbaan naast [bestuurder Peugeot] gaan rijden. Op dat moment draaide [bestuurder BMW] vanuit de uitrit plotseling de rijbaan op om linksaf de Hoofdstraat op te rijden.

3.3. Amlin voert kort gezegd het volgende verweer. Amlin betwist dat [bestuurder BMW] in strijd met artikel 76 RVV heeft gehandeld. Een doorgetrokken streep geldt uitsluitend voor de doorgaande rijrichting. Het is bestuurders die een weg met een doorgetrokken streep kruisen of deze vanuit een uitrit naar links of rechts willen oprijden toegestaan de doorgetrokken streep te overschrijden. Weliswaar had [bestuurder BMW] - formeel gezien - bij het uitvoeren van de bijzonder manoevre vrije doorgang moeten verlenen aan het overige verkeer, van rechts kwam op dat moment geen verkeer en [bestuurder Peugeot] wenkte [bestuurder BMW] de weg op te rijden. [verzoeker] was op dat moment voor [bestuurder BMW] niet zichtbaar. [verzoeker] is met een aanzienlijke snelheid links langs een aantal achter [bestuurder Peugeot] langzaam rijdende dan wel stilstaande auto’s gereden en heeft daarbij de doorgetrokken streep gepasseerd, zodat hij op de tegenovergestelde weghelft reed. [verzoeker] heeft daarmee zelf artikel 76 RVV overtreden, alsmede artikel 19 RVV dat bepaalt dat een bestuurder in staat moet zijn om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is. [verzoeker] heeft hierdoor in aanzienlijke mate (90%) tot het ontstaan van het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade bijgedragen. Dit leidt tot een vermindering van de schadevergoedingsplicht van Amlin - na toepassing van de billijkheidscorrectie - met 80%.

3.4. Op wat partijen verder over en weer hebben aangevoerd wordt hierna - voor zover

relevant - nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [verzoeker] heeft het verzoek gebaseerd op de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (artikel 1019w tot 1019cc Rv).

4.2. Indien een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel kan op grond van artikel 1019w lid 1 Rv de rechter worden verzocht te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.3. Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of Amlin de door [verzoeker] geleden

schade volledig dient te vergoeden of dat er sprake is van eigen schuld van [verzoeker] op grond waarvan de schadevergoedingsplicht van Amlin moet worden verminderd. Beantwoording van deze vraag kan naar het oordeel van de rechtbank bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling.

Aansprakelijkheid en eigen schuld

4.4. Nu [verzoeker] ter zitting niet meer is ingegaan op overtreding van artikel 76 RVV door [bestuurder BMW], wordt aangenomen - gelet op hetgeen Amlin dienaangaande in haar verweerschrift heeft aangevoerd en de stukken die dienaangaande in het dossier zijn gevoegd (productie bijlage 6 bij het als productie 3 verzoekschrift, alsmede de getuigenverklaring van [getuige 2]) - dat van overtreding van deze bepaling door [bestuurder BMW] geen sprake is.

Wel bestond voor [bestuurder BMW] de algemene verplichting het doorgaande verkeer op de N225 te laten voorgaan. Niet alleen kwam [bestuurder BMW] een uitrit uitrijden, ook de ter plaatse aangebrachte verkeersborden (bijlage 1 bij productie 3 van het verzoekschrift) wezen hem er expliciet op dat hij een voorrangsweg naderde. Daar komt bij dat [bestuurder BMW] ook bekend was met de situatie ter plaatse. Hij was werkzaam op het landgoed. De omstandigheid dat [bestuurder Peugeot] [bestuurder BMW] wenkte de weg op te rijden, ontsloeg hem niet van de eigen verplichting goed naar rechts en naar links te kijken. Amlin heeft de aansprakelijkheid van [bestuurder BMW] op deze grondslag (artikel 54 RVV) niet, althans niet voldoende gemotiveerd, weersproken.

4.5. Nu Amlin echter heeft gewezen op gedragingen van [verzoeker] die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding en daarmee aan het ontstaan van de schade, rust op grond van artikel 150 Rv op Amlin de stel- en eventuele bewijslast van deze feiten en omstandigheden. Amlin beroept zich immers op een vermindering van haar schadevergoedingsplicht.

In dit licht wordt het volgende vooropgesteld.

[verzoeker] heeft (in het getuigenverhoor) verklaard dat hij bekend was met de situatie ter plaatse, nu hij woonachtig is in Doorn. Los van wat voor iedere willekeurige verkeersdeelnemer geldt, betekent dit dat [verzoeker] er rekening mee moest én kon houden dat er verkeer vanuit de uitrit van het landgoed de weg kon opdraaien, zeker gelet op het tijdstip waarop [verzoeker] op de betreffende weg reed (avondspits) en afgezien van de omstandigheid dat verkeer vanuit de uitrit het doorgaande verkeer diende te laten voorgaan. [verzoeker] diende zijn snelheid daarop aan te passen. Dit geldt te meer nu vaststaat dat [bestuurder Peugeot] rechtsaf wilde slaan om de inrit van het landgoed in te rijden en zij - blijkens de getuigenverklaring van [verzoeker] - stevig afremde. [verzoeker] heeft bij het passeren van [bestuurder Peugeot] [bestuurder BMW] echter niet gezien. Op enig moment bij het passeren van [bestuurder Peugeot] heeft [verzoeker] kennelijk het zicht op de uitrit verloren. Desondanks heeft hij zijn weg met een snelheid van 40 à 50 kilometer per uur vervolgd, hetgeen in de gegeven omstandigheden te snel moet zijn geweest. [verzoeker] kon zijn motor immers niet meer tijdig tot stilstand brengen toen hij [bestuurder BMW] waarnam (artikel 19 RVV). Te dien aanzien valt [verzoeker] een algemeen verwijt te maken.

4.6. Wat betreft de door Amlin aangevoerde omstandigheid dat [verzoeker] een rij achter [bestuurder Peugeot] langzaam rijdende auto’s heeft gepasseerd, wordt als volgt overwogen.

Amlin heeft in dit kader verwezen naar hetgeen is opgenomen in de door [getuige 2] opgemaakte registratieset, alsmede naar de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [bestuurder BMW].

De verklaringen van [getuige 2] berusten echter niet op eigen waarneming van het ongeval, maar op hetgeen [getuige 2] nadien heeft gehoord van aanwezigen ([bestuurder BMW] en [bestuurder Peugeot]) en ter plaatse heeft gezien. Vaststaat dat [verzoeker] in dat kader niet is gehoord. [bestuurder BMW] geeft in zijn getuigenverklaring uitsluitend aan dat hij, toen hij stil stond in de uitrit, auto’s achter de Peugeot heeft zien aankomen, maar niet de motorrijder. Een latere getuigenverklaring van [bestuurder Peugeot] ontbreekt. Tegenover de getuigenverklaring van [verzoeker] dat hij direct achter [bestuurder Peugeot] reed (hetgeen hij tijdens de mondelinge behandeling heeft herhaald), is deze stelling van Amlin naar het oordeel van de kantonrechter dan ook onvoldoende onderbouwd. Uit geen van de verklaringen blijkt dat iemand [verzoeker] een rij langzaam rijdende auto’s achter [bestuurder Peugeot] heeft zien inhalen op het moment dat [bestuurder Peugeot] remde en aangaf naar rechts te willen afslaan. Daar komt bij dat in geen van de afgelegde getuigenverklaringen melding wordt gemaakt van de aanwezigheid van andere auto’s nadat het ongeval gebeurd was. [getuige 2] verwijst wel naar andere mensen ter plekke en [chauffeur lijnbus] noemt dat hij niet als eerste ter plaatse was en dat een andere man hulp aan het verlenen was, maar geen van beiden noemt dat deze ‘andere’ mensen afkomstig waren uit de door Amlin gestelde rij of dat zij zelf van deze rij deel uitmaakten. Uit de verklaring van [getuige 2] blijkt ook niet dat hij anderen dan [bestuurder Peugeot] en [bestuurder BMW] heeft gesproken.

4.7. Ook wat betreft de tweede door Amlin gestelde omstandigheid, te weten het door [verzoeker] overschrijden van de doorgetrokken streep, geldt dat de registratieset en de verklaring van [getuige 2] niet op directe waarneming van het ongeval berusten. De verklaring van [bestuurder BMW] dat hij [verzoeker] raakte na de middenstreep in de draai naar links staat tegenover de verklaring van [verzoeker] dat hij op de eigen weghelft om de voorgesorteerde Peugeot heen is gereden. Bijkomende omstandigheden zoals de plek waar de voertuigen elkaar hebben geraakt (een frontale botsing maakt het aannemelijker dat [verzoeker] op de voor hem linkerweghelft heeft gereden) als de plaats waar de motor na het ongeval was gelegen ondersteunen dit standpunt van Amlin onvoldoende. Weliswaar heeft [getuige 2] verklaard dat de voertuigen elkaar frontaal geraakt hebben, in het licht van hetgeen overigens verklaard is, is dit onvoldoende komen vast te staan. [getuige 2] heeft verklaard dat hij deze conclusie (uitsluitend) heeft getrokken op basis van de door hem geconstateerde schade aan de voorzijde van de voortuigen. Foto’s van de schade aan de BMW ontbreken echter. Daarnaast bevestigen zowel de verklaring van [bestuurder BMW] als [chauffeur lijnbus] de stelling (en verklaring) van [verzoeker] dat de BMW is geschampt aan de (linker)voorzijde, terwijl dit ook valt op te maken uit de door [bestuurder BMW] op het aanrijdingsformulier gemaakte situatieschets (productie 6 bij productie 2 van het verzoekschrift).

Een frontale botsing valt ook niet af te leiden uit de schade die aan de motor is geconstateerd. [verzoeker] heeft gesteld dat de poten van de voorvork van de motor de BMW waarschijnlijk hebben geraakt en dat de motor nadien nog kon rijden, hetgeen niet door Amlin is weersproken, terwijl [chauffeur lijnbus] en [schoonvader verzoeker] hebben verklaard dat zij hoofdzakelijk schade aan de rechterzijde van de motor hebben geconstateerd.

Voornoemde verklaringen laten derhalve de mogelijkheid open dat [verzoeker] en [bestuurder BMW] elkaar hebben geraakt, terwijl [verzoeker] op de eigen weghelft reed. Ook uit de plaats waar de motor zich na het ongeval bevond kan het tegendeel niet worden afgeleid, voor zover dat overigens al mogelijk is. Uit geen van de verklaringen blijkt expliciet dat de motor op de linkerweghelft was gelegen.

4.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de mate waarin aan [verzoeker]

toe te rekenen omstandigheden (aan het ongeval) en de schade hebben bijgedragen beperkt is. Mede op grond van de billijkheid, wordt dit gesteld op 20%, zodat resteert een percentage van 80% dat Amlin dientengevolge aan geleden en te lijden schade aan [verzoeker] dient te vergoeden.

Voorschot letselschade

4.9. [verzoeker] heeft een voorschot van € 25.000,-- gevorderd ter zake van door hem geleden en te lijden letselschade (inclusief immateriële schade), exclusief de schade ter zake van het misgelopen overwerk, het verlies aan arbeidsvermogen, de pensioenschade en immateriële schade wegens gederfde levensvreugde. De omvang van laatstgenoemde schadeposten is volgens [verzoeker] nog niet vast te stellen. Ter onderbouwing van het door hem gevorderde bedrag heeft [verzoeker] verwezen naar het als productie 11 bij het verzoekschrift overgelegde rapport (inclusief schadestaat) van [letselschade-expert].

Amlin heeft aangegeven slechts 20% van het gevorderde voorschot aan [verzoeker] te willen vergoeden, overeenkomstig het door haar gehanteerde aansprakelijkheidspercentage. Voorts heeft Amlin nadrukkelijk de (hoogte van de) verbouwingskosten weersproken.

4.10. De rechtbank constateert dat van het door [verzoeker] gevorderde voorschot van

€ 25.000,-- (blijkens de schadestaat van [letselschade-expert]) een bedrag van € 15.000,-- deel uitmaakt ter zake van kosten die wat betreft de nieuwe woning zouden zijn bespaard over de periode van september 2011 tot en met december 2012 vanwege ‘DHZ’ (‘doe het zelf’-capaciteit). Een deugdelijke onderbouwing van dit bedrag ontbreekt echter, terwijl dit wel van [verzoeker] had mogen worden verwacht, mede gelet op de omstandigheid dat [letselschaderegelaar] in het gesprek van 18 augustus 2011 kritisch ten aanzien van deze schadepost is gebleken (zie het als productie 22 bij het verweerschrift overgelegde bezoekrapport van [letselschaderegelaar]). Nog los van de mate waarin deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen als gevolg van het ongeval, wordt overwogen dat in het rapport van [letselschade-expert] weliswaar melding wordt gemaakt van werkzaamheden met betrekking tot de binnenmuren, elektra, riolering, leidingen en een extra etage, maar dat offertes van aannemers ter zake van het uitvoeren van de in voornoemde periode geplande werkzaamheden ontbreken. Ter zitting heeft [verzoeker] slechts gewezen op kosten ter zake van het van eten en drinken voorzien van bij de verbouwing behulpzame vrienden.

In deze omstandigheid, alsmede in het hiervoor vastgestelde percentage eigen schuld, ziet de rechtbank dan ook aanleiding het toewijsbare voorschot te beperken tot € 12.500,-- als zijnde kosten als gevolg van het ongeval waarvoor aansprakelijkheid bestaat en die aan Amlin kunnen worden toegerekend.

Buitengerechtelijke kosten

4.11. [verzoeker] heeft gesteld dat hij € 15.979,69 aan buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, zijnde de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand over de periode van juni 2010 tot en met september 2011, inclusief de kosten van het bezoek en de rapportage van [letselschade-expert] ad € 2.496,96 en de kosten van het voorlopige getuigenverhoor ad € 2.462,87.

Amlin heeft weersproken dat deze kosten thans voor vergoeding in aanmerking komen, omdat zij geen verband houden met de voorbereiding en behandeling van het deelgeschil. Voor zover deze kosten wel voor vergoeding in aanmerking zouden komen, geldt volgens Amlin dat het voorlopige getuigenverhoor niet heeft bijgedragen tot de vaststelling van de aansprakelijkheid, maar uitsluitend het door Amlin reeds ingenomen standpunt heeft bevestigd.

4.12. De rechtbank neemt in aanmerking dat een geschil over de tussentijdse vergoeding van buitengerechtelijke kosten in de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk als voorbeeld van een mogelijk deelgeschil wordt genoemd (Kamerstukken II 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 10, 16, 20 en 21). Een beslissing hierover kan een bijdrage leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst - en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling - en dat is naar het oordeel van de rechtbank ook hier het geval

Voor de gevorderde buitengerechtelijke kosten geldt de dubbele redelijkheidtoets van artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW, hetgeen betekent dat het redelijkerwijs verantwoord moet zijn om de betreffende kosten te maken, die daarnaast binnen een redelijke omvang dienen te blijven. In dit verband is van belang dat Amlin heeft gesteld dat [verzoeker] ook zelf aansprakelijk is voor het hem overkomen ongeval en daarmee voor de gevolgen daarvan. Deze omstandigheid, alsmede de berekening van de geleden en te lijden schade in het algemeen en de situatie van [verzoeker] in het bijzonder (gekochte boerderij) rechtvaardigt dat [verzoeker] een advocaat en een arbeidsdeskundige heeft ingeschakeld. Gelet op het standpunt van Amlin is ook het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor een verantwoorde keuze geweest van [verzoeker]. Blijkens hetgeen hiervoor is overwogen hebben de in dat kader afgelegde verklaringen in belangrijke mate bijgedragen aan de vaststelling van de aansprakelijkheid en de omvang daarvan. Dat geldt ook voor de verklaringen van de getuigen [schoonvader verzoeker] en [chauffeur lijnbus].

Nu het uurtarief van de advocaat van [verzoeker] van € 190,-- (exclusief kantoorkosten en BTW) en het uurtarief van [letselschade-expert] van € 215,-- (exclusief kantoorkosten en BTW) de rechtbank niet onredelijk voorkomt, hetgeen overigens ook niet door Amlin is gesteld, komen de door [verzoeker] gestelde buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking overeenkomstig de mate waarin Amlin de schade van [verzoeker] dient te vergoeden. Toegewezen wordt derhalve 80% van € 15.979,69 = € 12.783,75 minus het reeds betaalde bedrag van € 5.531,54, zijnde € 7.252,21.

Kosten deelgeschil

4.13. De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoeker] te begroten en dient daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Ook deze kosten, die in beginsel volledig voor vergoeding in aanmerking komen, dienen aldus te voldoen aan de hiervoor vermelde dubbele redelijkheidstoets (vergelijk TK 2007-2007, 31518, nr. 3 MvT, p. 12-13 en 18-19; HR 11 juli 2003, NJ 2005, 50 Bravenboer/London). Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk dat [verzoeker] ook wat betreft deze procedure juridische bijstand heeft ingeroepen en is voldoende onderbouwd hoe de declaratie van de juridische kosten is opgebouwd. De kosten (zie het tarief van de advocaat van [verzoeker] hiervoor) en de aan de zaak bestede tijd komen de rechtbank niet bovenmatig voor. De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van [verzoeker] dan ook op € 2.394,-- (exclusief kantoorkosten en BTW), zijnde € 3.019,79 inclusief kantoorkosten en BTW (zie productie 12 bij het verzoekschrift), te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 260,-- en 1 uur ad € 190,-- exclusief BTW, zijnde € 237,40 inclusief 5% kantoorkosten en 19% BTW ter zake van de mondelinge behandeling. Dit komt in totaal neer op € 3.517,19.

Ook op deze kosten dient een correctie wegens eigen schuld te worden toegepast zodat 80% van € 3.517,19 = € 2.813,75.

4.14. Door [verzoeker] is veroordeling van Amlin in de kosten van deze procedure gevraagd. Nu hiertegen geen verweer is gevoerd zal het hiervoor onder 4.13. begrote bedrag als kostenveroordeling worden uitgesproken in het dictum van deze beschikking.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. verklaart voor recht dat Amlin aansprakelijk is voor het ongeval op 26 april 2010 waarbij [verzoeker] letsel heeft bekomen en dat Amlin 80% van de schade aan [verzoeker] dient te vergoeden;

5.2. veroordeelt Amlin om aan [verzoeker] te betalen € 12.500,-- ter zake van een voorschot op de vergoeding van de geleden en te lijden letselschade;

5.3. veroordeelt Amlin om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 7.252,21 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

5.4. begroot de buitengerechtelijke kosten voor deze procedure op € 2.813,75 en veroordeelt Amlin tot betaling van die kosten aan [verzoeker];

5.5. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.?