Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY0626

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-10-2012
Datum publicatie
18-10-2012
Zaaknummer
16-710968-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkstraffen voor uitlokking en schending ambtsgeheim

Twee privédetectives en een gepensioneerde politieagent zijn veroordeeld tot werkstraffen van 70 tot 160 uur, met een voorwaardelijke gevangenisstraf van één of twee maanden, voor het uitlokken van het schenden van het ambtsgeheim door twee ambtenaren. De twee ambtenaren, een politie- en belastingambtenaar, kregen een werkstraf van 50 uur en 80 uur voor schending van hun ambtsgeheim. Eén politieambtenaar die werd verdacht van het schenden van het ambtsgeheim is vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Zitting houdende te Utrecht

Sector strafrecht

parketnummer: 16-710968-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman: mr. H.W. Bongers, advocaat te Ommen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 3 en 4 oktober 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 9 december 2008

Feit 1 primair:

[medeverdachte 1] heeft uitgelokt die vervolgens politieambtenaar [X] heeft uitgelokt tot het schenden van zijn ambtsgeheim door geheime gegevens/informatie over een persoon aan [medeverdachte 1] te verstrekken;

Feit 1 subsidiair:

in vereniging met politieambtenaar [X] dat ambtsgeheim heeft geschonden;

op 14 maart 2008

Feit 2 primair:

politieambtenaar [medeverdachte 2] heeft uitgelokt tot het schenden van zijn ambtsgeheim door die [medeverdachte 2] geheime gegevens/informatie over een persoon al dan niet door tussenkomst van anderen aan [medeverdachte 3] en/of derden te verstrekken;

Feit 2 subsidiair

in vereniging met politieambtenaar [medeverdachte 2] diens ambtsgeheim heeft geschonden.

3 De voorvragen

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging omdat geen van de in de tenlastelegging genoemde personen een klacht heeft ingediend, terwijl artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een absoluut klachtdelict is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Hoewel de informatie die [medeverdachte 2] en [X], al dan niet door tussenkomst van een ander, aan verdachte zouden hebben verstrekt, gegevens over individuele personen betreft, heeft deze informatie vooral betrekking op de publieke taak van de politie waar zij als ambtenaar werkzaam waren. De politie beschikt over vertrouwelijke informatie over personen om haar publieke taak te kunnen uitvoeren. Een politieambtenaar dient uit hoofde van zijn ambt en wettelijk voorschrift vertrouwelijk en integer met deze informatie om te gaan. Nu het met name een publieke zaak betreft is er geen klacht vereist als bedoeld in artikel 272, lid 2, Sr, zodat de rechtbank het verweer verwerpt.

Bovendien wordt in artikel 7(oud) van de Wet politiegegevens, welke wet op 1 januari 2008 in werking is getreden, bepaald dat artikel 272, lid 2, Sr niet van toepassing is op de geheimhoudingsplicht van politieambtenaren.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, zal de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk verklaren in de vervolging.

3.1 De overige voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De vrijspraak

Ten aanzien van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde

Zaak 32: [B]

Op de in beslag genomen computer van verdachte heeft de politie e-mailberichten gevonden waaruit blijkt dat advocaat [Mr] van hem wilde weten wie de tenaamgestelde was van het kenteken [kenteken]. Verdachte heeft deze vraag per e-mailbericht uitgezet bij een persoon genaamd [naam].

Politieambtenaar [medeverdachte 2] heeft voormeld kenteken op 14 maart 2008 in de computersystemen van de politie geraadpleegd.

[Mr] heeft bevestigd dat hij verdachte heeft gevraagd om voormeld kenteken na te (laten) vragen en dat hij van verdachte heeft vernomen dat het kenteken [kenteken] op naam van [B] stond.

Gelet op het voorgaande bestaan er sterke aanwijzingen dat verdachte betrokken is geweest bij het laten opvragen van de tenaamgestelde van het kenteken [kenteken]. Het e-mailbericht dat verdachte aan een persoon genaamd [naam] heeft gericht is echter ongedateerd en daarnaast is de geadresseerde [naam] niet nader gespecificeerd. Gelet hierop staat niet onomstotelijk vast dat verdachte ervan op de hoogte was dat [medeverdachte 2] voormeld kenteken in de computersystemen van de politie heeft bevraagd. De rechtbank zal verdachte daarom van de onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten vrijspreken.

4.3.2 De bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

Zaak 7: [M]

Op 24 november 2008 heeft verdachte een e-mailbericht ontvangen van [A], redacteur van misdaadverslaggever Peter R. de Vries. [A] heeft in dit e-mailbericht gevraagd naar de antecedenten en verblijfplaats van [M], geboren op [1975] in [geboorteplaats]. Op dezelfde datum heeft verdachte per e-mailbericht aan [A] geantwoord dat hij het zal uitzetten .

Op 29 november 2008 heeft [verdachte] een sms-bericht naar [medeverdachte 1] verstuurd met de inhoud: “Heb je de antec uitstaan?” . Op 2 december 2008 antwoordt [medeverdachte 1] hierop: “Geen idee, ik hoop aan het einde van de week” . Op 8 december 2008 heeft verdachte per sms-bericht aan [medeverdachte 1] gevraagd of hij de antecedenten al binnen heeft .

Verdachte heeft bij de rijksrecherche bekend dat hij voormelde sms-berichten van 29 november 2008 en 8 december 2008 aan [medeverdachte 1] heeft verstuurd .

Op 9 december 2008 te 19.17 uur heeft [medeverdachte 1] met [X] gebeld. In dit gesprek vraagt [medeverdachte 1] aan [X] of hij alleen op het bureau is. [X] bevestigde dit waarna [medeverdachte 1] meedeelde dat hij even op het bureau langs zou komen . Op 9 december 2008 te 19.34 uur heeft [medeverdachte 1] wederom met [X] gebeld. [medeverdachte 1] zei dat hij er was waarna [X] zei dat hij even naar de zijkant zou komen en dan het hek open zou doen .

[X] werkt als politieambtenaar bij de politie Gelderland-Midden . [X] heeft op 9 december 2008 omstreeks 20.50 uur een bevraging gedaan in het HKS-systeem (de rechtbank begrijpt: herkenningsdienstsysteem van de politie) door gebruik te maken van zijn inlogcode en van kenosleutel [code]. [medeverdachte 1] heeft [X] die avond een naam gegeven van een persoon en zei dat hij daar eens naar moest kijken en vervolgens heeft [X] deze persoon nagetrokken. Het dienstnummer van [X] is [nummer] .

Op 9 december 2008 tussen 13.00 uur en 22.30 uur hebben de volgende handelingen met toegangspas [nummer] in het politiebureau [adres] te [woonplaats] plaatsgevonden. De toegangspas met nummer [nummer] is afgegeven aan [X], dienstnummer [nummer]. Deze toegangspas is op 9 december 2008 omstreeks 13.07.03 uur gebruikt om het politiebureau via de dienstingang binnen te gaan. Vervolgens is deze pas op 9 december 2008 omstreeks 19.33.23 uur weer gebruikt om het politiebureau te verlaten. Enkele ogenblikken later te 19.33.58 uur werd de pas wederom gebruikt om het bureau binnen te gaan. Op 9 december 2008 te 20.55.28 uur werd voornoemde dienstingang geopend om het politiebureau te verlaten. Vervolgens werd te 20.55.53 uur deze ingang weer geopend met dezelfde pas om het politiebureau binnen te gaan .

[medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij in de avond van 9 december 2008 bij [X] in het politiebureau te [woonplaats] is geweest .

[X], [nummer], is de enige die op 9 december 2009 gebruik heeft gemaakt van kenosleutel [code] . GLM staat voor Gelderland-Midden aldus [X] .

Op 9 december 2008 te 21.01 uur heeft [medeverdachte 1] met verdachte gebeld in welk telefoongesprek [medeverdachte 1] de volgende gegevens aan verdachte over [M] heeft gegeven:

- geboren in 1975;

- woont aan de [adres] te [geboorteplaats];

- komt voor in de politieregio’s [nummer] en [nummer] en heeft de volgende antecedenten in deze twee politieregio’s: twee keer artikel 285 lid 1, juncto artikel 45, lid 1, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr); twee keer artikel 285 Sr; artikel 26, lid 1, Wet wapens en munitie; artikel 300, lid 1, Sr c.q. artikel 141, lid 1, Sr; artikel 317 Sr .

Verdachte heeft dit telefoongesprek bij de rijksrecherche beluisterd en heeft hierover verklaard dat hij dit gesprek herkende .

De gegevens van [naam] die [medeverdachte 1] telefonisch aan verdachte heeft doorgegeven komen overeen met de informatie die [X] in het HKS-systeem heeft bevraagd .

Op 2 februari 2009 heeft verdachte een telefoongesprek met [medeverdachte 1] gevoerd waarin [medeverdachte 1] tegen verdachte heeft gezegd: “Ik ben helemaal niet bang voor controle”. verdachte antwoordde hierop: “Ik ook”. Vervolgens zei [medeverdachte 1]: “Maar het enige waar ze bij mij hooguit vraagtekens zou kunnen zetten, ja die antecedenten hoe komt u daaraan, ja dat is het enige”, waarop verdachte zei: “ja bij mij ook, kentekens en zo, maar goed die dossiers als ze klaar zijn gaan toch weg, dus ze kunnen het helemaal niet nakijken” .

4.3.3 De bewijsoverwegingen

Pleegplaatsen

Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit gaat de rechtbank er vanuit dat het e-mailbericht dat [A] op 24 november 2008 aan verdachte in Nederland heeft verstuurd. Dit geldt ook ten aanzien van de sms-berichten die verdachte op 29 november 2008 en 8 december 2008 aan [medeverdachte 1] en het sms-bericht dat [medeverdachte 1] op 2 december 2008 naar verdachte heeft gestuurd.

[medeverdachte 1] heeft [X] op 9 december 2008 te 19.17 uur en 19.34 uur gebeld. [medeverdachte 1] heeft [X] om 19.33 uur in het politiebureau te [woonplaats] bezocht en om 20.55 uur heeft hij dit politiebureau verlaten. De rechtbank gaat er, gelet op de korte tijdspanne waarbinnen [medeverdachte 1] met [X] heeft gebeld en vervolgens het politiebureau in [woonplaats] heeft bezocht, vanuit dat ook deze telefonische contacten in Nederland hebben plaatsgevonden. [X] heeft de informatie over [naam] in een politiebureau te [woonplaats] opgevraagd.

Ambtsgeheim

Een geheim in de zin van artikel 272, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht is een gegeven dat bestemd is om niet bekend te worden dan ter plaatse waar het door bevoegden wordt meegedeeld. Voor een goed functionerend overheidsapparaat is het noodzakelijk dat de in de tenlastelegging genoemde gegevens geheim blijven. [X] was werkzaam als politieambtenaar. Uit hoofde van zijn ambt was hij ertoe gehouden de gegevens die hij aan [medeverdachte 1] heeft verstrekt geheim te houden. De geheimhoudingsplicht van [X] leidt de rechtbank eveneens af uit wetgeving, te weten artikel 7, lid 1, van de Wet politiegegevens, onder meer inhoudende dat een ambtenaar van politie aan wie politiegegevens ter beschikking zijn gesteld verplicht is tot geheimhouding daarvan.

In het strafdossier zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de toepasselijkheid van enige uitzonderingsgbepaling die in voornoemde wet wordt genoemd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 primair

[X] op 9 december 2008 te [woonplaats] een geheim, waarvan hij wist dat hij uit hoofde van ambt en wettelijk voorschrift, te weten als politieambtenaar bij de Regiopolitie Gelderland-Midden, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft die [X] gericht in de computersystemen van de politie en/of via die computersystemen in andere daaraan gelinkte te bevragen overheidscomputersystemen gezocht naar gegevens/informatie over een persoon, genaamd [naam], geboren in 1975, en vervolgens die gegevens/informatie verstrekt aan [medeverdachte 1],

welk feit, gepleegd door [X], [medeverdachte 1] in de periode van 1 november 2008 tot en met 9 december 2008 in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen, immers heeft die [medeverdachte 1] aan [X] beperkte gegevens/informatie, te weten de personalia van [naam], geboren in 1975, verstrekt met als doel het verkrijgen van aanvullende gegevens/informatie over die [naam], te weten zijn antecedenten,

welk feit, door [medeverdachte 1] gepleegd, hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 1 november 2008 tot en met 9 december 2008 in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van inlichtingen, immers heeft hij, verdachte, aan [medeverdachte 1] beperkte gegevens/informatie, te weten de personalia van [naam], geboren in 1975, verstrekt met als doel het verkrijgen van aanvullende gegevens/informatie over die [naam], te weten zijn antecedenten.

(zaak 7)

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 1 primair:

Door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van ambt of wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren opzettelijk schenden.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren;

- een werkstraf van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest;

- een geldboete van € 1.000,-.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat, mocht de rechtbank zijn client niet vrijspreken, tot strafvermindering dient te worden overgegaan omdat de redelijke termijn is geschonden.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat in ieder geval één getapt telefoongesprek met een verschoningsgerechtigde niet direct is vernietigd. Dit betreft sessie 138 met betrekking tot het telefoonnummer [nummer].

Tevens heeft de raadsman betoogd dat de rechtbank bij de straftoemeting in aanmerking dient te nemen dat de gezondheidstoestand van verdachte sinds de afgelopen vier jaren is verslechterd waardoor een werkstraf moeilijk door hem te volbrengen zal zijn.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich één keer schuldig gemaakt aan uitlokking van uitlokking van schending van een ambtsgeheim. Hij heeft de privé rechercheur [medeverdachte 1] ertoe aangezet om privé gegevens in de computersystemen van de politie te laten opzoeken door [X] en deze aan hem te verstrekken. Hiermee heeft verdachte de integriteit van het overheidsapparaat geschonden. Een burger moet er vanuit kunnen gaan dat met dit soort gegevens vertrouwelijk wordt omgegaan door een politiefunctionaris.

Verdachte heeft er ter terechtzitting geen blijk van gegeven de ernst in te zien van de wijze waarop deze gegevens zouden worden verkregen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 oktober 2012 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

De rechtbank zal bij de straftoemeting in aanmerking nemen dat de redelijke termijn is geschonden.

De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM) is op 27 april 2009 met de inverzekeringstelling van verdachte aangevangen, hetgeen als het moment moet worden beschouwd waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Het proces-verbaal van de rijksrecherche in deze zaak is op 21 december 2009 gesloten. Vervolgens is de dagvaarding tegen verdachte op 8 maart 2011 in persoon aan verdachte betekend, waarna op 29 maart 2011 een eerste (regie)zitting bij de rechtbank plaatsvond. Hierna is de zaak ter terechtzitting van 31 oktober 2011 aangehouden, gelet op de samenhang met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] (parketnummer 16-711661-08) welke zaak werd aangehouden teneinde onderzoek te laten verrichten aan een laptop die bij een verhoor van [medeverdachte 1] is gebruikt. Op 3 en 4 oktober 2012 vindt ten slotte de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting plaats. Er wordt op 18 oktober 2012 uitspraak in deze zaak gedaan. Uit het voorgaande volgt dat de procedure 3 jaren, 5 maanden en 1 week heeft geduurd.

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg binnen 2 jaren dient te zijn afgerond. De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, van de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld en de invloed van de verdediging op het procesverloop.

De rechtbank is van oordeel dat het na de eerste terechtzitting op 29 maart 2011 te lang, te weten zeven maanden, heeft geduurd tot de daarop volgende terechtzitting plaatsvond op 31 oktober 2011. Vervolgens heeft het 11 maanden geduurd voordat de inhoudelijke behandeling op 3 en 4 oktober 2012 heeft plaatsgevonden. Binnen die 11 maanden heeft nader onderzoek naar voormelde laptop in de zaak tegen [medeverdachte 1] plaatsgevonden welk onderzoek op 3 april 2012 is afgerond.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn met 1 jaar, 5 maanden en 1 week is geschonden. De rechtbank zal om deze reden tot strafvermindering overgaan.

De rechtbank sluit zich niet aan bij de stelling van de verdediging dat in de straftoemeting dient te worden verdisconteerd dat een getapt telefoongesprek met een verschoningsgerechtigde niet direct is vernietigd. Verdachte heeft door dit verzuim immers geen nadeel ondervonden.

De rechtbank acht, alles afwegende, oplegging van de volgende straffen passend en geboden:

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren;

- een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straffen, die lager zijn dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie de feiten 2 primair en 2 subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op de omstandigheden dat verdachte zicht niet bekommert om de wijze waarop de vertrouwelijke gegevens werden verkregen, acht de rechtbank de kans op recidive aanwezig. Om deze reden zal de rechtbank verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

De rechtbank acht ten aanzien van de door verdachte gepleegde feiten oplegging van onder meer een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis gerechtvaardigd. De rechtbank vermindert deze straf echter tot een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis in verband met de schending van de redelijke termijn als hiervoor overwogen.

Naar het oordeel van de rechtbank staat de verslechterde gezondheidstoestand, bestaande uit een chronische alvleesklierontsteking en suikerziekte, niet aan oplegging van een werkstraf in de weg. Er zal bij de uitvoering van de werkstraf rekening worden gehouden met de gezondheidstoestand van verdachte.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank in dit geval oplegging van een geldboete geen gepaste strafmodaliteit voor schending van de integriteit van het overheidsapparaat. Bovendien is verdachte volgens de verdediging in afwachting van een invaliditeitsuitkering, waardoor de rechtbank eveneens meent dat oplegging van een geldboete niet passend is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 272 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1 primair: Door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van ambt of wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren opzettelijk schenden;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mr. P. Bender en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 oktober 2012.

Mr. M.H.L. Schoenmakers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.