Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY0327

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-09-2012
Datum publicatie
17-10-2012
Zaaknummer
16/655594-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geplande straatroof/overval met geweld op cafe-eigenaar na sluitingstijd. Verweer dat vd ttv zijn eerste (bekennende)verklaring in verwarring verkeerde verworpen. Verweer onrechtmatige aanhouding/staande houding verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655594-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein.

raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 14 juni 2012 en 10 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Op 26 maart 2012 samen met een ander [slachtoffer] heeft beroofd en daarbij die [slachtoffer] heeft geslagen en geschopt.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen nu verdachte niet het oogmerk had om de portemonnee van het slachtoffer mee te nemen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Verweren

Verklaring verdachte d.d. 27 maart 2012

De verdediging heeft betoogd dat voornoemde verklaring van verdachte niet tot het bewijs gebezigd kan worden nu verdachte ten tijde van het afleggen van deze verklaring in verwarring verkeerde ten gevolge van het nieuws dat zijn moeder in het ziekenhuis was opgenomen. Verdachte kan zich het betreffende verhoor niet herinneren, derhalve moet verdachte hetgeen hij heeft verklaard van de verhorende verbalisant hebben vernomen. Ook ten tijde van het verhoor bij de rechter-commissaris verkeerde verdachte nog in verwarde toestand.

De rechtbank constateert dat verdachte:

- op 27 maart 2012 bij de politie en kort daarna bij de rechter-commissaris een bekennende verklaring heeft afgelegd.

- bij de politie d.d. 2 april 2012 en vervolgens bij de reclassering twee verschillende en andersluidende verklaringen heeft afgelegd;

- ter terechtzitting van 14 juni 2012 een – wederom – andersluidende verklaring heeft afgelegd;

- eerst ter zitting van 14 juni 2012 heeft aangegeven dat hij ten tijde van zijn verhoor bij de politie d.d. 27 maart 2012 in verwarring verkeerde, dat hij ten tijde van dat verhoor de aangifte van [slachtoffer] deels had gelezen en dat hij zomaar wat dingen had verteld.

Verdachte heeft daarvan bij de rechter-commissaris op 28 maart 2012, de diverse behandelingen in het kader van zijn voorlopige hechtenis door zowel de raadkamer in deze rechtbank d.d. 6 april 2012 en 10 mei 2012 en bij het Gerechtshof d.d. 30 mei 2012 en bij zijn aanvullende verhoor bij de politie d.d. 2 april 2012, geen melding gemaakt. Ook heeft verdachte hiervan op geen enkel moment melding gemaakt via zijn raadsvrouw.

De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat verdachte pas enkele dagen voor de zitting van 14 juni 2012 tot zichzelf is gekomen en daarom niet eerder aan heeft gegeven dat en wat er tijdens het bewuste verhoor bij verdachte speelde en ziet derhalve geen aanleiding om de betreffende verklaring van verdachte uit te sluiten van het bewijs. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank te meer nu de stelling van de verdachte dat verdachte zich niets van het verhoor kan herinneren en zijn stelling dat hij zomaar wat dingen heeft verteld niet met elkaar te rijmen zijn. Daarnaast ontgaat de rechtbank het door de verdediging gestelde verband tussen dit beweerdelijke geheugenverlies en de daaruit getrokken conclusie dat de door verdachte toen afgelegde verklaringen hem door verhorend verbalisant moeten zijn voorgehouden.

De rechtbank overweegt voorts dat de verklaring van verdachte op belangrijke onderdelen bevestigd wordt door de aangifte van [slachtoffer], door het aantreffen van de portemonnee van aangever in de auto van verdachte en door het DNA onderzoek. Voorts bevat de verklaring van verdachte zogenoemde daderinformatie, welke informatie vrij gedetailleerd is waar het gaat om hetgeen voorafgaand aan de beroving tussen beide verdachten is besproken. Naar het oordeel van de rechtbankkan deze informatie alleen afkomstig zijn van verdachte zelf.

Daarnaast heeft verdachte door in een zo laat stadium zijn verklaring in het tweede verhoor terug te nemen,bewust het risico genomen dat een en ander niet meer te verifiëren is, zoals blijkt uit het aanvullend proces-verbaal van de verhorende verbalisant [verbalisant 1] die aangeeft dat hij, drie maanden na het bewuste verhoor, onvoldoende concrete herinnering heeft met betrekking tot de gang van zaken tijdens het verhoor, maar dat het echter niet de gewoonte is om (delen van) een verklaring van een derde persoon voor te houden en/of te laten lezen.

Onrechtmatige staandehouding en aanhouding

De raadsvrouw heeft betoogd dat er onvoldoende grond was om de auto van verdachte staande te houden en dat er geen redelijk vermoeden van schuld aanwezig was ten tijde van de staande-/aanhouding van verdachte. Derhalve is de staande-/aanhouding van verdachte onrechtmatig en is er sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a WvSv.

De rechtbank overweegt dat verbalisant [verbalisant 2] op 26 maart 2012 omstreeks 00.58 uur een melding krijgt om uit te kijken naar een donkere Peugeot 106 of 107, met daarin twee mannelijke verdachten van een beroving, en rijdende vanuit Wijk bij Duurstede mogelijk in de richting Bunnik. Verbalisant rijdt vanuit Bunnik richting Wijk bij Duurstede en ziet kort daarop een donkere Peugeot 306 met daarin twee mannen rijden, komende uit de richting van Wijk bij Duurstede. Kort daarop wordt de Peugeot met daarin [verdachte] en [medeverdachte] staande gehouden. Beide verdachten hadden wondjes op hun handen en bloeddruppels op hun kleding. Vervolgens krijgen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] via de meldkamer door dat de twee verdachten die de beroving hadden gepleegd voldeden aan het signalement van de twee mannen die men zojuist staande had gehouden.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde feiten en omstandigheden er wel degelijk sprake was van voldoende gronden en een redelijk vermoeden van schuld om over te gaan tot staandehouding van de betreffende Peugeot en de daaropvolgende aanhouding van beide verdachten.

Dat het type van de staandegehouden Peugeot afwijkt van via de meldkamer doorgegeven type Peugeot, doet daar niet aan af, mede gelet op het gegeven dat, volgens verbalisanten, de genoemde uitvoeringen van Peugeot 107 en 306 op elkaar lijken.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

4.3.2 Bewijsmiddelen

De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL0950 2012068302. De door de rechtbank in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

Aangever [slachtoffer] verliet op 26 maart 2012 te 00.45 uur zijn café [café] te Wijk bij Duurstede met, onder andere, de dagopbrengst van het café in zijn portemonnee. Terwijl hij in de richting van zijn auto liep zag hij twee mannen aan komen lopen. Eén van de mannen sprak hem aan. De mannen bleven daarbij in zijn richting lopen. Aangever voelde onraad en rende weg, maar kwam ten val. Nadat hij was opgestaan voelde dat hij op zijn hoofd werd geslagen en werd vastgehouden. Het lukte hem niet om los te komen. Hij werd tegen de grond gewerkt terwijl hij geslagen werd. Hij voelde, terwijl hij op de grond lag, dat hij over zijn hele lichaam getrapt en geslagen werd. Hij voelde dat hij werd bevoeld en dat zijn portemonnee uit zijn kontzak werd gehaald. De mannen renden vervolgens weg. Aangever is opgestaan en zag even later de mannen, die hem zojuist hadden beroofd, voor zich lopen en rende achter hen aan. Nadat hij hen even uit het zicht was verloren zag hij, uit de richting waarin de mannen weggelopen waren, een donkerkleurige Peugeot wegrijden zonder verlichting. [slachtoffer] heeft ten gevolge van het slaan en trappen letsel opgelopen aan zijn hoofd, rug, linkerhand en ribben.

Op 26 maart 2012 omstreeks 01.15 uur werden beide verdachten, rijdende in een donkere Peugeot, staande gehouden en vervolgens aangehouden. In de auto werden een portemonnee en een notitieblokje aangetroffen. In de portemonnee zaten diverse bescheiden op naam van [slachtoffer] en een geldbedrag van € 725,00.

Voornoemde portemonnee en notitieblokje werden door aangever [slachtoffer] herkend als zijnde zijn eigendom.

Op de schoenen van beide verdachten zijn bloedsporen aangetroffen en veiliggesteld.

Uit de bloedsporen op de buitenkant van de tong (tussen de veters) van de linkerschoen van verdachte [verdachte] (hierna te noemen: [verdachte]) wordt een afgeleid DNA hoofdprofiel vastgesteld, dat “matcht” met het profiel van aangever [slachtoffer], dat wil zeggen: de kans dat dit profiel van een ander dan [slachtoffer] afkomstig is, is kleiner dan 1 op 1 miljard.

Uit de bloedsporen op de linkerschoen van medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen: [medeverdachte]) worden een onvolledig DNA profiel (zijkant grote teen zijde en zijrand zool) en een DNA profiel (zijkant neus grote teen zijde) vastgesteld, die “matchen” met het profiel van aangever [slachtoffer], dat wil zeggen: de kans dat deze profielen van een ander dan [slachtoffer] afkomstig zijn, is kleiner dan 1 op 1 miljard.

[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij op 25 maart 2012 naar [medeverdachte] is gegaan. [verdachte] vertelde [medeverdachte] over zijn geldproblemen. Zij spraken over hoe ze aan extra geld konden komen, dat kon [medeverdachte] ook wel gebruiken. [verdachte] stelde voor om naar Wijk bij Duurstede te rijden en een toevallige kroegbaas te beroven. Dat ze de man klappen zouden geven was te begrijpen, aldus [verdachte], want niemand geeft zo maar zijn geld af. Zij waren het hierover eens. Ze zijn naar Wijk bij Duurstede gereden en liepen daar door de straten op zoek naar een kroegbaas. Afgesproken is dat ze hem om een vuurtje zouden vragen. Ze zagen dat in een kroeg [café] of zoiets nog maar één man (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer], hier na te noemen: [slachtoffer]) aanwezig was. Zij hebben gewacht tot die [slachtoffer] naar buiten kwam lopen. Ze liepen naar [slachtoffer] toe om hem te overvallen en [verdachte] vroeg de man om een vuurtje. Binnen een paar seconden stonden [verdachte], [medeverdachte] en de man op korte afstand van elkaar. [slachtoffer] rook kennelijk onraad. [verdachte] gaf [slachtoffer] met kracht een stomp op zijn gezicht. Vervolgens sloeg [medeverdachte][slachtoffer] met kracht. [verdachte] zag dat [slachtoffer] door hun slagen op de grond viel. Nadat [slachtoffer] door hen geslagen was vroeg [verdachte][slachtoffer] om zijn portemonnee. [verdachte] pakte vervolgens de portemonnee uit de achterbroekzak van [slachtoffer]. Daarna zijn [verdachte] en [medeverdachte] weggerend. [slachtoffer] achtervolgde hen nog. [verdachte] en [medeverdachte] zijn in de auto gestapt en weggereden. [verdachte] zag in de auto dat [medeverdachte] de portemonnee van [slachtoffer] opende en hij hoorde [medeverdachte] zeggen dat er geld in de portemonnee zat. Zij hadden van te voren afgesproken om het geld eerlijk te delen. [verdachte] heeft niet hoeven aandringen om [medeverdachte] mee te krijgen de overval met hem te plegen.

[medeverdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij naast [verdachte] liep en dat [verdachte] op die man (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer]) af liep. [slachtoffer] draaide zich om, wilde weglopen maar gleed uit. [slachtoffer] stond op. Er ontstond een worsteling tussen [verdachte] en [slachtoffer] en er vielen een paar klappen. Hij, [medeverdachte], kwam er bij en had die [slachtoffer] ook nog twee klappen gegeven terwijl die [slachtoffer] op de grond lag. Hij hoorde [slachtoffer] roepen: “Hier heb je mijn geld”. [medeverdachte] en [verdachte], liepen vervolgens samen naar de auto van [verdachte] en zijn ingestapt. [verdachte] reed en liet [medeverdachte] in de auto een portemonnee zien. [medeverdachte], had de portemonnee aangepakt en er in gekeken. Er zaten bankbiljetten in de portemonnee, maar dat vond hij dat niet de moeite waard. Het was voor hem wel duidelijk dat het de portemonnee van [slachtoffer] was.

Trappen

Gelet op de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] en gelet op de plaats(en) op de schoenen van verdachten waar het bloed, afkomstig van het slachtoffer [slachtoffer], is aangetroffen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat beide verdachten het slachtoffer hebben getrapt.

Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat het bloed van het slachtoffer op een andere manier dan door het trappen tegen het slachtoffer, op die plaatsen op de schoenen van verdachten terecht is gekomen.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat beide verdachten tevoren hebben besproken om iemand te beroven. Beide verdachten hebben vervolgens samen aangever [slachtoffer] opgewacht en op straat geslagen en geschopt en van zijn portemonnee beroofd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 26 maart 2012 te Wijk bij Duurstede, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud, waaronder een geldbedrag van euro 725,-), toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] meermalen, (met kracht) tegen het lichaam hebben getrapt en geslagen (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen welke gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn mededader [slachtoffer] beroofd. Zij hebben tevoren plannen gemaakt, zijn bewust op zoek gegaan naar een kroegbaas en hebben, op het moment dat zij zagen dat het slachtoffer alleen in zijn café was, gewacht tot hij na sluitingstijd naar buiten kwam. Vervolgens hebben zij die [slachtoffer] geslagen en geschopt, ook terwijl deze op de grond lag, en beroofd van zijn dagopbrengst. [slachtoffer] heeft hierbij behoorlijk letsel opgelopen.

Dergelijke feiten zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en in de samenleving. Slachtoffers hiervan kunnen nog lange tijd de psychische en lichamelijke gevolgen daarvan ondervinden, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] die tot op de dag van vandaag nog dagelijks de gevolgen daarvan ondervindt.

Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn behoefte aan geld om in zijn verslaving te voorzien en heeft zich daarbij totaal niet bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij en zijn mededader berekenend te werk zijn gegaan en voorts hebben geprobeerd de waarheid te verdraaien door met meerdere, telkens wijzigende, verklaringen te komen.

Uit het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 25 mei 2012 volg dat verdachte ten aanzien van zijn werk en financiën orde op zaken heeft gesteld. Van belang is dat de persoonlijke en psychische problemen van verdachte aangepakt worden.

De reclassering adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daarbij de bijzondere voorwaarde van reclasseringscontact, inhoudende een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie en een behandelverplichting.

De rechtbank houdt, in het voordeel van verdachte, rekening met diens strafblad waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld.

De officier van justitie heeft met betrekking tot zijn eis aansluiting gezocht bij de richtlijnen welke van toepassing zijn op een bedrijfsoverval, nu het in hier een beroving van een ondernemer betreft welke na het sluiten van zijn zaak met de dagopbrengst onderweg was.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het onderhavige feit meer is dan een gemiddelde straatroof, gelet op de aard en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd: in het holst van de nacht, met twee personen tegen één persoon en met stevig geweld. De rechtbank deelt echter het standpunt van de officier van justitie dat het gepleegde feit als een gewelddadige overval op een bedrijf moet worden gekwalificeerd niet helemaal. Naar het oordeel van de rechtbank bevindt het gepleegde feit zich ongeveer in het midden tussen beide categorieën delicten. De rechtbank zal derhalve aan verdachte een straf opleggen die lager is dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden passend en geboden. Een deel daarvan, groot 6 maanden, zal voorwaardelijk worden opgelegd.

Het voorwaardelijk deel maakt begeleiding door de reclassering en behandeling van verdachte mogelijk en dient tevens voor verdachte als stok achter de deur om te voorkomen dat hij zich in de toekomst wederom schuldig zal maken aan strafbare feiten.

7 Beslag

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de teruggave aan respectievelijk [slachtoffer], dan wel verdachte gevorderd van een aantal goederen die onder verdachte in beslag zouden zijn genomen.

De rechtbank heeft echter bij gebreke aan een beslaglijst niet kunnen constateren òf en, zo ja, welke goederen er in beslag genomen en nog niet teruggegeven zijn. Zij kan dientengevolge niet vaststellen of de door de officier van justitie genoemde goederen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel zich lenen voor teruggave. De rechtbank is derhalve niet in staat enige beslissing te nemen met betrekking tot deze vordering van de officier van justitie.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.229,59, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, waarvan € 579,59 ter zake van materiële schade en € 650,00 ter zake van immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd voornoemde vordering in haar geheel toe te wijzen en te bepalen dat verdachte de helft daarvan betaalt, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de maatregel tot schadevergoeding.

Verdachte heeft verklaard de vordering redelijk te vinden en bereid te zijn de gevorderde schade te vergoeden.

De verdediging heeft gelet op de bepleite vrijspraak, betoogd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.229,59 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 579,59 ter zake van materiële schade en € 650,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag.

De rechtbank acht beide verdachten hoofdelijk aansprakelijk voor de gevorderde schade en ziet geen aanleiding om de toegewezen schade voor de helft aan verdachte op te leggen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 47 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd (één van) de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland. Daartoe moet verdachte zich binnen drie dagen na zijn invrijheidsstelling melden bij de Reclassering Nederland, Toezichtunit, Vivaldiplantsoen 200. Hierna moet de verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht.

* dat verdachte (in overleg met de behandelaar/therapeut) zal deelnemen en meewerken aan de Cognitieve vaardigheidstraining (Cova);

* dat verdachte zich zal laten behandelen voor zijn psychische problemen en het gebruik van cocaïne bij een ambulante forensische zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 1.229,59, waarvan € 579,59 ter zake van materiële schade en € 650,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 26 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 1.229,59 te betalen en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 26 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 22 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en

mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 september 2012.