Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY0022

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-09-2012
Datum publicatie
12-10-2012
Zaaknummer
16-600601-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling en deels vrijspraak in verband met mishandeling van en mensenhandel ten aanzien van partner en ex-partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600601-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1972] te [geboorteplaats]

thans verblijvende in de FPA Roosenburg te Den Dolder

raadsvrouw mr. C.H. Dijkstra, advocaat te Amersfoort

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 25 juni 2012, 28 juni 2012 en 30 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1.

primair: op 18 juni 2011 te Utrecht heeft geprobeerd zijn levensgezel [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen; subsidiair: op 18 juni 2011 te Utrecht zijn levensgezel [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

2.

in de periode 1 juni 2001 tot en met 17 juni 2011 te Utrecht en/of Wijk bij Duurstede en/of Den Haag en/of Zeist zijn levensgezel [slachtoffer 1] meermalen heeft mishandeld;

3.

in de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 te Utrecht en/of Den Haag en/of Zeist telkens [slachtoffer 1] door geweld heeft gedwongen en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en/of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelde;

4.

A. in de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 te Utrecht en/of Den Haag en/of Zeist telkens [slachtoffer 1] door geweld heeft gedwongen of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen hem, verdachte, uit de opbrengst van de seksuele handeling van die [slachtoffer 1] met een derde te bevoordelen, en/of

B. in de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 te Utrecht en/of Den Haag en/of Zeist telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van [slachtoffer 1], met of voor een derde tegen betaling, terwijl hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] zich door geweld of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht beschikbaar stelde tot het plegen van die seksuele handelingen;

5. en 6.

in de periode van 1 januari 2005 tot en met 18 juni 2011 te Utrecht en/of Den Haag en/of Zeist zich ten aanzien van [slachtoffer 1] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel;

7.

in de periode 11 juli 2005 tot en met 11 juli 2011 te Utrecht en/of Wijk bij Duurstede en/of Den Haag en/of Zeist, zijn vrouw [slachtoffer 2] meermalen heeft mishandeld;

8.

in de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 te Utrecht en/of Den Haag en/of Zeist telkens [slachtoffer 2] door geweld heeft gedwongen en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en/of onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 2] zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelde;

9.

A. in de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 te Utrecht en/of Den Haag en/of Zeist telkens [slachtoffer 2] door geweld heeft gedwongen of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen hem, verdachte, uit de opbrengst van de seksuele handeling van die [slachtoffer 2] met een derde te bevoordelen, en/of

B. in de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 te Utrecht en/of Den Haag en/of Zeist telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van [slachtoffer 2], met of voor een derde tegen betaling, terwijl hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 2] zich door geweld of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht beschikbaar stelde tot het plegen van die seksuele handelingen;

10. en 11.

in de periode van 1 januari 2005 tot en met 18 juni 2011 te Utrecht en/of Den Haag en/of Zeist zich ten aanzien van [slachtoffer 2] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 tot en met 11 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

Met betrekking tot de feiten 3 tot en met 6 heeft de officier van justitie vrijspraak van het onderdeel verkrachting van [slachtoffer 1] gevorderd alsmede van het meer dan één keer steken van [slachtoffer 1] met een mes. Ten aanzien van de feiten 10 en 11 heeft de officier van justitie ter terechtzitting opgemerkt dat de uitbuiting van [slachtoffer 2] zich beperkt tot de periode 1 januari 2005 tot en met 16 maart 2008.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten kan komen en heeft om vrijspraak gevraagd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat voor een bewezenverklaring van feit 1 onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Niet alleen wijkt de door aangeefster in haar aangifte van 18 juni 2011 geschetste lezing van het feit af van haar latere verklaring daaromtrent bij de rechter-commissaris op 2 december 2011 , maar tevens blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 18 juni 2011 niet van zichtbaar letsel of van fysieke pijn bij aangeefster.

De rechtbank is van oordeel dat het feit niet bewezen kan worden geacht en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Feit 2

In haar aangifte van 18 juni 2011 en het nadere verhoor op 20 juni 2011 heeft aangeefster verklaard dat verdachte, zijnde haar partner en huisgenoot, haar 8 jaar respectievelijk 10 jaar heeft mishandeld, bestaande uit schoppen, slaan en messteken.

Door de moeder van aangeefster, [betrokkene 1], is op 12 juli 2011 verklaard dat toen zij ongeveer drie maanden geleden bij verdachte en haar dochter in huis logeerde heeft gezien dat verdachte haar dochter, zijnde aangeefster, in de buik schopte en dat haar dochter door de pijn voorover boog en begon te kermen.

Getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij sinds 2001 met [slachtoffer 1] bevriend is en dat zij heeft meermalen heeft gezien dat verdachte [slachtoffer 1] sloeg, op het werk, in de auto en thuis .

Door de onderburen van aangeefster in Utrecht is verklaard dat aangeefster en verdachte ongeveer acht jaar geleden boven hen zijn komen wonen, dat zij het idee hadden dat hun bovenbuurvrouw, zijnde aangeefster, werd mishandeld, dat er ruzie en kabaal werd gehoord, en dat in de stem van aangeefster angst werd gehoord.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in Utrecht in de in de tenlastelegging genoemde periode meermalen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar te slaan en/of te schoppen en dat die [slachtoffer 1] daardoor pijn heeft ondervonden. Voor de andere in de tenlastelegging genoemde plaatsen vindt de verklaring van aangeefster onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. De verklaring van [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] op het werk, thuis en in de auto zou zijn geslagen is in dit verband onvoldoende bepaald. Verdachte zal voor wat betreft die onderdelen van het tenlastegelegde worden vrijgesproken. Voor het door verdachte bij de hals/keel grijpen van [slachtoffer 1] en voor het door de mishandeling bekomen letsel bij [slachtoffer 1], is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden.

Feiten 3 tot en met 6

Deze feiten zien - kort gezegd - op mensenhandel in Utrecht en/of Den Haag en/of Zeist gedurende de periode 1 januari 2003 tot 18 juni 2011 met betrekking tot [slachtoffer 1]. Voor de beoordeling van deze feiten heeft de rechtbank zich eerst een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster ten aanzien van de door haar geschetste omstandigheden en de rol die verdachte daarbij jegens haar heeft gespeeld. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die aangeefster hierover heeft afgelegd onvoldoende geloofwaardig zijn en derhalve niet als bewijsmiddel ten aanzien van de feiten 3 tot en met 6 kunnen dienen. De rechtbank komt tot dit oordeel gelet op het volgende.

Aangeefster heeft verklaard dat zij vanaf 2003 tot de dag van aanhouding van verdachte op 18 juni 2011door hem is gedwongen om in de prostitutie te werken en dat zij het door haar daarmee verdiende geld steeds aan verdachte moest afgeven. Gedurende 8 jaar heeft de situatie van gedwongen prostitutie zich dagelijks afgespeeld.

Deze verklaring van aangeefster strookt echter op verschillende onderdelen niet met andere gegevens uit het dossier.

Ten eerste blijkt uit het dossier dat verdachte vanaf mei 2008 gedurende verschillende perioden ernstige psychische problemen heeft gehad.

Verdachte heeft vanaf eind mei 2008 zeven dagen in een crisisopvang van GGZ Altrecht te Amersfoort verbleven en is ook van 12 tot en met 16 juni 2008 opgenomen geweest. In augustus 2008 werd een Rechterlijke Machtiging overwogen. Op 30 oktober 2008 werd verdachte met een inbewaringstelling opgenomen in verband met een psychotisch toestandsbeeld, waarna hij op 2 november 2008 werd ontslagen. Op 4 januari 2010 volgde opnieuw opname na een last tot inbewaringstelling. In mei 2010 liep de Rechterlijke Machtiging af.

Blijkens de rapportage van psycholoog D.J. Burck gaat het bij de tenlaste gelegde mensenhandel om complex gedrag, waarvoor een zekere planmatigheid vereist is. Een toestand van psychotische ontregeling verhoudt zich niet tot het planmatig handelen dat nodig is geweest om de activiteiten als bedoeld uit te voeren. Op grond hiervan en de toelichting van Burck ter terechtzitting op 30 augustus jl. is volgens de rechtbank dan ook de vraag gerechtvaardigd of verdachte in de voornoemde periodes van psychische ontregeling in staat zou kunnen zijn geweest om het tenlastegelegde te begaan. In de periodes dat de psychose sterk op de voorgrond stond, is het bijvoorbeeld niet mogelijk geweest dat verdachte auto reed. Maar ook in de aanloop naar een psychose en in de fase van afbouw na de sterke ontregeling moet verdachte vermoed worden niet in staat te zijn geweest tot de organisatie van de prostitutie-activiteiten zoals omschreven in de tenlastelegging.

Voorts is van belang dat verdachte gedurende enkele periodes elders verbleef. Van 5 januari 2009 tot 5 juni 2009 heeft hij in preventieve hechtenis doorgebracht, na een incident bij de Israëlische ambassade. Vanaf juli 2010 heeft hij enkele reizen gemaakt naar Syrië en Irak. Aangeefster heeft verklaard dat zij in deze periodes desondanks is doorgegaan met haar prostitutiewerkzaamheden. Waaruit de dwang dan wel misbruik van de feitelijke verhoudingen in die periodes bestonden, is echter onvoldoende duidelijk geworden.

Ten aanzien van de periode van vóór de crisisopvang van verdachte in 2008 biedt het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feitelijke onderbouwing voor de door aangeefster geschetste situatie, dat verdachte haar zou hebben gedwongen in de prostitutie te werken. De mutatie van 31 maart 2005 biedt zelfs een heel ander beeld over de feitelijke verhouding tussen verdachte en aangeefster. Op die dag werd de politie naar het huisadres ([adres] te Utrecht) van verdachte en aangeefster gestuurd, omdat aangeefster verdachte niet binnen wilde laten. Aangeefster wilde dat de politie de huissleutel van verdachte zou afpakken en dat verdachte zich zou laten uitschrijven op het adres [adres] te Utrecht. De politie merkte na een gesprek met verdachte op dat verdachte het niet gemakkelijk heeft.

Aangeefster heeft verklaard dat zij vanaf de beginperiode dat zij als prostituee moest gaan werken onder dwang van verdachte drugs gebruikte, vooral cocaïne en XTC-pillen, en dat zij dat zowel voor als na afloop van haar prostitutiewerkzaamheden deed . Getuige [getuige 2], wijkagente voor de tippelzone aan de [adres] te Utrecht, heeft evenwel verklaard dat zij nooit iets heeft gemerkt van het gebruik van verdovende middelen door aangeefster, dat zij nooit een drugslucht heeft geroken en nooit een wazige blik in de ogen van aangeefster heeft gezien. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij voor het gebruik van verdovende middelen bij aangeefster geen aanwijzingen heeft gezien. Eerst op 3 september 2010 wordt door een medewerkster van de [naam] aan de [adres] een drugslucht bij aangeefster geroken .

Aangeefster heeft verklaard dat zij onder druk van verdachte 4 abortussen heeft ondergaan. Uit de contacten van aangeefster met de hulpverlening komt evenwel een beeld naar voren van een vrouw die in tweestrijd is of zij wel of niet zal overgaan tot abortus . Ze weegt haar kinderwens af tegen de situatie waarin zij verkeert, namelijk met een man die geestelijk niet stabiel is, die haar financieel niet onderhoudt en van wie zij ook wel af wil. Hieruit kan niet worden opgemaakt dat aangeefster door verdachte is gedwongen om abortus te plegen..

Tenslotte komt uit het dossier niet een beeld van aangeefster naar voren van een hulpeloze vrouw in een kwetsbare positie. Zij heeft een vrij grote familie in Nederland, zij heeft een sociaal netwerk, zij beschikt over zelfstandige woonruimte en zij heeft inkomen (uit een uitkering). Voorts heeft aangeefster aan verdachte onderdak geboden in haar woning aan de [adres] te [woonplaats]. Ook uit de filmopnames die verdachte van aangeefster heeft gemaakt in mei/juni 2011 in haar woning, blijkt geenszins van angst of afhankelijkheid van aangeefster jegens verdachte. Op deze opnames is te zien en te horen dat aangeefster verdachte uitscheldt en slaande bewegingen maakt in zijn richting .

Het vorenstaande overziende is de rechtbank van oordeel dat, nu de verklaringen van aangeefster op diverse belangrijke punten niet rijmen met andere onderdelen uit het dossier dan wel deze niet nader kunnen onderbouwen, de verklaringen van aangeefster niet bruikbaar zijn als bewijsmiddel voor het onder 3 tot en met 6 ten laste gelegde. Het gevolg hiervan is dat er in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte [slachtoffer 1] tot prostitutie heeft gedwongen. Verdachte zal derhalve van de feiten 3 tot en met 6 worden vrijgesproken.

Feit 7

De verdenking van mishandeling door verdachte van [slachtoffer 2] ziet op de periode 11 juli 2005 tot en met 11 juli 2011. Het dossier van de huisarts over [slachtoffer 2] , dat ziet op genoemde periode, biedt hiervoor naar het oordeel van de rechtbank evenwel geen onderbouwing. De verklaring van getuige [slachtoffer 1] ter terechtzitting van 28 juni 2012 dat zij heeft gezien dat verdachte [slachtoffer 2] sloeg, geeft geen aanwijzing over het tijdstip waarop de getuige dat heeft gezien. Gelet op het feit dat zij elkaar vanaf 2001 kenden, kan onvoldoende worden uitgesloten dat de verklaring van de getuige op dit punt betrekking heeft op de periode voor 11 juli 2005.

Omdat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concrete onderbouwing bevat voor mishandeling in de ten laste gelegde periode, zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

Feiten 8 tot en met 11

Deze feiten zien - kort gezegd - op mensenhandel, begaan tegen [slachtoffer 2], over de periode 1 januari 2003 tot 18 juni 2011 in Utrecht en/of Den Haag en/of Zeist. Ter terechtzitting van 30 augustus 2012 heeft de officier van justitie laten weten dat in het geval van [slachtoffer 2] de mensenhandel heeft geduurd tot 16 maart 2008, zijnde de einddatum van de vergunning van [slachtoffer 2] om werkzaam te zijn op de tippelzone aan de [adres] te Utrecht .

Bewijsmiddelen

[slachtoffer 2] heeft zowel bij de politie, als bij de rechter-commissaris, als ter zitting verklaard dat zij door verdachte is gedwongen werkzaam te zijn in de prostitutie . Zij heeft verklaard dat zij in 1995 in Irak met verdachte is getrouwd. Vervolgens is zij met verdachte naar Nederland gekomen. In 2001 kreeg verdachte een relatie met [slachtoffer 1], die destijds hun buurvrouw was. Eind 2003 / begin 2004 heeft verdachte [slachtoffer 2] gevraagd te gaan werken als prostituee op straat in Den Haag. Zij wilde niet maar ze had geen keus; als ze weigerde begon verdachte te gillen en te schreeuwen en sloeg hij haar. Dat is meermalen gebeurd. [slachtoffer 2] was bang van verdachte. Zij voelde zich alleen in Nederland. Ze had hier geen familie. Zij heeft vervolgens tot 2006/2007 als prostituee gewerkt, eerst in Den Haag, later in Utrecht op de [adres] en in Zeist in een bordeel. Verdachte heeft haar geïnstrueerd hoe zij als prostituee haar werk moest doen, bijvoorbeeld hoe zij op straat moest gaan staan, hoe zij met de klanten moest omgaan en hoeveel geld zij moest vragen. Verdachte bracht haar naar haar werkplek met de auto en gaf haar geld om condooms te kopen. Zij moest vrijwel iedere dag werken, ook als het heel koud was en als zij ongesteld was. Al het door haar met prostitutie verdiende geld moest [slachtoffer 2] afgeven aan verdachte. [slachtoffer 1] heeft tegelijk met haar als prostituee gewerkt en heeft gezien dat zij door verdachte is geslagen en dat zij haar geld aan verdachte moest afgeven.

[slachtoffer 2] verklaart verder dat zij met verdachte had afgesproken dat zij na een jaar mocht stoppen. Toen zij hem aan de afspraak herinnerde zei hij dat ze nog een tijdje door moest werken. Zij heeft zelf geen besef hoe lang dat nog is geweest. Uiteindelijk is zij zelf gestopt. Zij kon dat niet eerder doen omdat zij bang was omdat verdachte haar sloeg.

[slachtoffer 1] heeft het volgende verklaard. In de tenlaste gelegde periode hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vrijwel dagelijks samen als prostituee gewerkt, eerst in Den Haag, later in Utrecht en enkele dagen in een bordeel in Zeist. Verdachte heeft instructies gegeven hoe zij zich als prostituee moesten gedragen. Zij werden meestal door verdachte naar hun werkplek gebracht en na afloop weer naar huis. Verdachte was vaak aanwezig op de werkplek. [slachtoffer 1] heeft meermalen gezien dat [slachtoffer 2] door verdachte werd geslagen als zij beiden als prostituee aan het werk gingen en [slachtoffer 1] heeft gezien dat [slachtoffer 2] na afloop van de prostitutiewerkzaamheden geld gaf aan verdachte .

Voorts wordt de verklaring van [slachtoffer 2] bevestigd door de volgende onderdelen van het dossier:

- Op 11 november 2003 werd [slachtoffer 2] gecontroleerd op de tippelzone van de [adres] te Utrecht. Tijdens de controle kwam een man naar de auto toelopen die zei dat hij haar man was.

- Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] kent van de [adres] te Utrecht en dat hij haar in 2005 heeft leren kennen. Hij zag dat [slachtoffer 2] tegen het hek van de [naam] stond en aan het huilen was. Hij hoorde van [slachtoffer 2] dat zij daar moest werken van haar man.

- Uit de door de [naam] beschikbaar gestelde rapportages, blijkt dat [naam], dat is de werknaam van [slachtoffer 2], op 13 april 2006 duidelijk niet aangesproken wilden worden en dat haar vriend weer duidelijk zichtbaar in de auto schuin tegenover haar zat en dat [naam] op 27 april 2006 vertelde dat [naam] ook onder dwang van haar vriend werkte.

- Bij een controle op 25 mei 2006 van [slachtoffer 2] op de tippelzone van de [adres] te Utrecht, werd verdachte ook gezien.

- Op 3 augustus 2006 wordt door een medewerker van de [naam] aan de [adres] te Utrecht gezien dat [naam] een grote blauwe plek met een wondje op haar arm heeft. Volgens deze medewerker zag het wondje er niet uit als een ongeluk . Desgevraagd verklaarde [naam] dat zij zich gestoten had.

- Op 27 oktober 2006 deed [slachtoffer 2] aangifte van beroving door een klant op de tippelzone van de [adres] te Utrecht. Verdachte was toen zelf ook aanwezig op de tippelzone .

- Op 27 januari 2007 wordt door een medewerker van de [naam] een blauwe plek in de nek van [naam] gezien . Desgevraagd verklaarde [naam] dat dit kwam door de stress en dat dan de aderen in haar nek opzwelden.

- Op 7 december 2011 belt [slachtoffer 1] met [slachtoffer 2]. In het tapgesprek is het volgende te lezen:

[slachtoffer 1]: ‘Maar je hebt vier jaar gewerkt.’

[slachtoffer 2]: ‘Ja 2004 ik beginnen.’

[slachtoffer 1]: ‘Ja, ik heb acht jaar.’

[slachtoffer 2]: ‘Ja jij meer in mij.’

[slachtoffer 1]: ‘Ja vier jaar meer dan jou.’

[slachtoffer 2]: ‘Omdat ik zelf heb gestopt, nee ik heb ja [slachtoffer 2] heeft wel eens afgesproken met mij, hij zegt alleen nog 1 jaar weet je nog?’

[slachtoffer 1]: ‘Ja’.

[slachtoffer 2]: ‘Hij zegt tegen mij nog 1 jaar ik laat jou stoppen. En dan komt nog een jaar, ik zeg ok [slachtoffer 2] nu, ik moet stoppen, hij zegt nee ga maar door. En dan ik ruzie met hem, weet je nog?’

[slachtoffer 1]: ‘Ja’.

- Op 28 mei 2007 heeft [naam] bij de [naam]-medewerkster hulp gevraagd bij het invullen van formulieren.

- de einddatum van de vergunning 16 maart 2008 .

Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs, de bruikbaarheid van de bewijsmiddelen en bespreking van de verweren

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet betrouwbaar zijn. Het scenario dat [slachtoffer 2] vrijwillig in de prostitutie heeft gezeten zou meer voor de hand liggen. In geschil is dan ook of sprake is geweest van dwang of misbruik van de zijde van verdachte, of dat deze op vrijwillige basis hebben plaatsgevonden. Het oogmerk van uitbuiting, waarbij sprake moet zijn van een verzwaarde vorm van opzet, is niet aannemelijk geworden. De verdediging heeft op deze gronden vrijspraak bepleit.

Voorts heeft de verdediging ter zitting een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het benoemen van een deskundige teneinde deze te laten rapporteren over de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], voorzover de rechtbank tot het oordeel mocht komen dat deze verklaringen op essentiële onderdelen voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te worden gebruikt.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat deze voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs van de onder 8 tot en met 11 tenlaste gelegde feiten te kunnen dienen. Zoals hiervoor onder het kopje bewijsmiddelen is opgenomen wordt de verklaring van [slachtoffer 2] op hoofdlijnen door de verklaring van [slachtoffer 1] bevestigd. Daarnaast biedt het dossier op verschillende onderdelen nader steunbewijs. De rechtbank acht nader onderzoek door een deskundige op dit punt niet noodzakelijk, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Nu de verklaringen van [slachtoffer 2] door de rechtbank voldoende geloofwaardig worden geacht, wordt de inhoud daarvan redengevend geacht voor de beoordeling van de ten laste gelegde feiten. Zowel ten overstaan van de politie maar vooral bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft zij over de essentiële onderdelen consistent verklaard. Deze verklaring van [slachtoffer 2] wordt op belangrijke punten bevestigd door de getuige [slachtoffer 1]. Daarbij heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat, hoewel [slachtoffer 1] in de verschillende verklaringen niet eenduidig is over de loop van de gebeurtenissen ten aanzien van zichzelf, daar wel een vrij consistente lijn uit valt te destilleren over hetgeen zij verklaart over de gebeurtenissen in de verhouding tussen verdachte en [slachtoffer 2]. Onder het kopje bewijsmiddelen is die lijn weergegeven.

Het verweer van de verdediging dat de verklaring van [slachtoffer 1] niet gebruikt kan worden voor het bewijs wordt dan ook verworpen.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als hierna onder 4.4. De bewezenverklaring is vermeld. Met het in artikel 273f Sr (voordien artikel 250a Sr) neergelegde verbod op mensenhandel heeft de wetgever beoogd uitbuiting van een ander in de prostitutie tegen te gaan. Een situatie van uitbuiting doet zich onder meer voor indien de prostitutie niet op vrijwillige basis is geschied, maar het gevolg is van een vorm van dwang die door een ander wordt uitgeoefend. Deze dwang hoeft niet noodzakelijkerwijs te bestaan uit fysiek geweld, bedreiging of financiële dwang, maar kan ook worden bewerkstelligd doordat het slachtoffer komt te verkeren in een afhankelijke situatie waarin zij onder de gegeven omstandigheid geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken of te verblijven. Het dwangmiddel wordt dan gevormd door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.

Uit de in het dossier aanwezige stukken kan worden opgemaakt dat verdachte met [slachtoffer 2] in 1995 in Irak is getrouwd, dat zij vanaf 1997 in Nederland wonen en dat verdachte in 2001 een relatie is aangegaan met [slachtoffer 1]. Verdachte heeft [slachtoffer 2] veelvuldig mishandeld, aanvankelijk in Irak en vervolgens in Nederland.

[slachtoffer 1] heeft nog enige tijd met verdachte en [slachtoffer 2] in één huis gewoond. Dit was voor [slachtoffer 2] moeilijk te verdragen. In 2003 verhuisde [slachtoffer 1] naar de [adres] in Utrecht en in 2004 is verdachte bij haar ingetrokken. In dat jaar is het huwelijk van verdachte met [slachtoffer 2] ontbonden.

In 2003 had verdachte geld nodig en heeft hij gevraagd aan [slachtoffer 2] of zij als prostituee wilde werken. Dat wilde zij niet. Hij heeft haar geslagen en tegen haar geschreeuwd hetgeen ertoe leidde dat zij vanaf 2003 in Den Haag op straat ging werken. Bijna altijd was [slachtoffer 1] op dezelfde plaatsen aan het werk en bracht verdachte de vrouwen weg. Het is ook veelvuldig voorgekomen dat verdachte bleef wachten in de buurt waar de vrouwen werkten. Daarna bracht hij [slachtoffer 2] weer terug naar haar woning in Wijk bij Duurstede. [slachtoffer 2] moest telkens het geld dat zij had verdiend aan verdachte afdragen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte door middel van de hiervoor genoemde omstandigheden het slachtoffer in een situatie van afhankelijkheid doen verkeren. Tijdens en na het huwelijk was [slachtoffer 2] ondergeschikt aan verdachte, had zij geen familie in de buurt en bleef zij vanwege de kinderen aan hem gebonden. Doordat zij de Nederlandse taal zeer matig beheerste was zij sterk van derden afhankelijk, van verdachte in de eerste plaats. Door deze van hem afhankelijke persoon vanwege zijn eigen geldgebrek tot prostitutie te brengen, heeft verdachte haar in een situatie gebracht waarin zij zelf geen andere keuze had. Toen zij na een periode te kennen gaf te willen stoppen met de prostitutie, zoals hij haar had beloofd, heeft zij nog enige tijd moeten doorwerken. De verdachte heeft haar aldus gedurende enige jaren op onaanvaardbare wijze geëxploiteerd door haar inkomsten na afloop van de werkzaamheden te innen. Uit de omstandigheid dat verdachte gedurende jaren profijt heeft getrokken uit de inkomsten die [slachtoffer 2] uit de prostitutie verwierf, leidt de rechtbank af dat de opzet van verdachte vanaf het begin in 2003 gericht moet zijn geweest op exploitatie van het slachtoffer.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van ongeveer 01 juni 2001 tot en met 17 juni 2011 te Utrecht meermalen opzettelijk mishandelend zijn levensgezel [slachtoffer 1] heeft geslagen en geschopt tegen het lichaam waardoor deze [slachtoffer 1] pijn heeft ondervonden;

8.

op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2003 tot en met 31 december 2004 te Utrecht en te Den Haag en te Zeist, in elk geval in Nederland,

(telkens)

een persoon, genaamd: [slachtoffer 2],

(sub 1)

door geweld of andere feitelijkheden

en door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht

heeft bewogen

zich beschikbaar te stellen

tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling

en onder voornoemde omstandigheden

enige handeling heeft ondernomen

waarvan hij, verdachte, wist dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen

beschikbaar stelde

(sub 1)

bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden

en dat misbruik (van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht)

en die (onder voormelde omstandigheden ondernomen) handeling

(telkens) hieruit dat hij, verdachte,

-een relatie heeft onderhouden met die [slachtoffer 2] en

-die [slachtoffer 2]

meermalen (met kracht) tegen het lichaam heeft geslagen en

- tegen haar heeft geschreeuwd en gegild en

- die [slachtoffer 2] direct indirect met (zware) mishandeling

heeft bedreigd en

-die [slachtoffer 2] voorafgaand en (vervolgens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden (werk-)instructies heeft gegeven en

-die [slachtoffer 2] naar haar prostitutiewerkplek heeft gebracht en die [slachtoffer 2] van haar prostitutiewerkplek heeft opgehaald en

-die [slachtoffer 2] heeft gecontroleerd gedurende haar prostitutiewerkzaamheden en

-die [slachtoffer 2] ertoe heeft gebracht een (zeer) groot aantal dagen (per week), en een groot aantal uren per dag als prostituee te werken (ook gedurende ziekte en ongesteldheid en koud weer),

waardoor die [slachtoffer 2]

ten gevolge van voorgaande handelingen en

ten gevolge van het feit dat die [slachtoffer 2] niet (goed) bekend was in Nederland en met de Nederlandse gebruiken en

omdat die [slachtoffer 2] taal niet goed machtig was en (praktisch) analfabeet is en

omdat die [slachtoffer 2] geen familie in Nederland heeft)

sociaal geïsoleerd werd door hem, verdachte, en

die [slachtoffer 2] in een door hem, verdachte, gecontroleerde situatie en van hem, verdachte, afhankelijke situatie is gebracht en gehouden,

(ten gevolge waarvan voormelde [slachtoffer 2] (telkens) werd bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en voor een derde tegen betaling);

art 250a lid 1 aanhef en onder sub 1 Wetboek van Strafrecht (oud)

9.A

in de periode

van 01 januari 2003 tot en met 31 december 2004

te Utrecht en te Den Haag en te Zeist, in elk geval in Nederland,

(telkens)

een ander, genaamd [slachtoffer 2],

(sub 6)

door geweld of andere feitelijkheden of

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht

[(sub 6)

bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en

dat misbruik (van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht)

(telkens) hieruit dat hij, verdachte,

-een relatie heeft onderhouden met die [slachtoffer 2] en

-die [slachtoffer 2]

meermalen (met kracht) tegen het lichaam heeft geslagen

- tegen haar heeft geschreeuwd en gegild en

- die [slachtoffer 2] indirect met (zware) mishandeling

heeft bedreigd en/of

-die [slachtoffer 2] voorafgaand en (vervolgens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden (werk-)instructies heeft gegeven en

-die [slachtoffer 2] naar haar prostitutiewerkplek heeft gebracht en die [slachtoffer 2] van haar prostitutiewerkplek heeft opgehaald en

-die [slachtoffer 2] heeft gecontroleerd gedurende haar prostitutiewerkzaamheden en

-die [slachtoffer 2] ertoe heeft gebracht een (zeer) groot aantal dagen (per week), en een groot aantal uren per dag als prostituee te werken (ook gedurende ziekte en/of ongesteldheid en/of koud weer),

waardoor die [slachtoffer 2]

(ten gevolge van voorgaande handelingen en

ten gevolge van het feit dat die [slachtoffer 2] niet (goed) bekend was in Nederland en met de Nederlandse gebruiken en

omdat die [slachtoffer 2] taal niet goed machtig was en (praktisch) analfabeet is en

omdat die [slachtoffer 2] geen familie in Nederland heeft)

sociaal geïsoleerd werd door hem, verdachte, en

die [slachtoffer 2] in een door hem, verdachte, gecontroleerde situatie en van hem, verdachte, afhankelijke situatie is gebracht en gehouden,

heeft bewogen, hem , verdachte, uit de opbrengst van haar seksuele

handelingen met en voor een derde te bevoordelen,

immers heeft hij, verdachte,

(nadat die [slachtoffer 2] met haar prostitutiewerkzaamheden geld had verdiend)

die [slachtoffer 2] alle, althans een zeer groot deel van haar (prostitutie)verdiensten, althans een aanzienlijk deel daarvan, laten afgeven aan hem, verdachte;

250a lid 1 aanhef en onder sub 6 Wetboek van Strafrecht (oud)

EN

9.B

in de periode

van 01 januari 2003 tot en met 31 december 2004

te Utrecht en te Den Haag en te Zeist, in elk geval in Nederland,

(telkens)

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van een ander,

genaamd [slachtoffer 2], met of voor een derde tegen betaling,

terwijl hij, verdachte, wist,

dat die [slachtoffer 2] zich

(sub 4 jo sub 1)

door geweld of andere feitelijkheden of

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht

beschikbaar stelde tot het plegen van die (seksuele) handelingen

[bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden

en

dat misbruik (van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht) en die misleiding

(telkens) hieruit dat hij, verdachte,

-een relatie heeft onderhouden met die [slachtoffer 2] en

-die [slachtoffer 2]

meermalen (met kracht) tegen het lichaam heeft geslagen en

- tegen haar heeft geschreeuwd en gegild en

- die [slachtoffer 2] indirect met (zware) mishandeling

heeft bedreigd en

-die [slachtoffer 2] voorafgaand en (vervolgens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden (werk-)instructies heeft gegeven en

-die [slachtoffer 2] naar haar prostitutiewerkplek heeft gebracht en die [slachtoffer 2] van haar prostitutiewerkplek heeft opgehaald en

-die [slachtoffer 2] heeft gecontroleerd gedurende haar prostitutiewerkzaamheden en

-die [slachtoffer 2] ertoe heeft gebracht een (zeer) groot aantal dagen (per week), en een groot aantal uren per dag als prostituee te werken (ook gedurende ziekte en/of ongesteldheid en/of koud weer),

waardoor die [slachtoffer 2]

(ten gevolge van voorgaande handelingen en

ten gevolge van het feit dat die [slachtoffer 2] niet (goed) bekend was in Nederland en met de Nederlandse gebruiken en

omdat die [slachtoffer 2] taal niet goed machtig was en (praktisch) analfabeet is en

omdat die [slachtoffer 2] geen familie in Nederland heeft)

sociaal geïsoleerd werd door hem, verdachte, en

die [slachtoffer 2] in een door hem, verdachte, gecontroleerde situatie en van hem, verdachte, afhankelijke situatie is gebracht en gehouden,

en bestaande dat opzettelijke voordeel trekken

(uit seksuele handelingen van die [slachtoffer 2] met en voor derden tegen betaling),

hieruit dat hij , verdachte,

(nadat die [slachtoffer 2] met haar prostitutiewerkzaamheden geld had verdiend)

die [slachtoffer 2] alle, althans een zeer groot deel van haar (prostitutie)verdiensten, althans een aanzienlijk deel daarvan, heeft laten afgeven aan hem, verdachte;

250a lid 1 aanhef en onder sub 4 (en sub 1) Wetboek van Strafrecht (oud)

10.

in de periode

van 01 januari 2005 tot met 18 juni 2011

te Utrecht en Den Haag en Zeist, in elk geval in Nederland,

(telkens)

een ander, genaamd [slachtoffer 2],

(sub 1 en/of sub 4)

door dwang, geweld of feitelijkheden of

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en

door misbruik van een kwetsbare positie

(sub 1)

heeft vervoerd,

(telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 2],

en

(sub 4)

onder één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273a (oud) en 273f (oud en vigerend) genoemde

omstandigheden (zie hierboven)

enige handeling heeft ondernomen

waarvan hij wist

dat die ander zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van

arbeid of diensten,

[bestaande

die dwang, dat geweld of die andere feitelijkheden,

dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht,

dat misbruik van een kwetsbare positie

hieruit

dat verdachte (telkens)

-een relatie heeft onderhouden met die [slachtoffer 2] en

-die [slachtoffer 2]

meermalen (met kracht) tegen het lichaam heeft geslagen

en

- tegen haar heeft geschreeuwd en gegild en

waardoor die [slachtoffer 2]

(ten gevolge van voorgaande handelingen en

ten gevolge van het feit dat die [slachtoffer 2] niet (goed) bekend was in Nederland en met de Nederlandse gebruiken en

omdat die [slachtoffer 2] taal niet goed machtig was en (praktisch) analfabeet is en

omdat die [slachtoffer 2] geen familie in Nederland heeft)

sociaal geïsoleerd werd door hem, verdachte, en

die [slachtoffer 2] in een door hem, verdachte, gecontroleerde situatie en van hem, verdachte, afhankelijke situatie is gebracht en gehouden,

hebbende verdachte (telkens)

-die [slachtoffer 2] voorafgaand en (vervolgens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden (werk-)instructies heeft gegeven en

-die [slachtoffer 2] naar haar prostitutiewerkplek heeft gebracht en die [slachtoffer 2] van haar prostitutiewerkplek heeft opgehaald en

-die [slachtoffer 2] heeft gecontroleerd gedurende haar prostitutiewerkzaamheden en

-die [slachtoffer 2] ertoe heeft gebracht een (zeer) groot aantal dagen (per week), en een groot aantal uren per dag als prostituee te werken (ook gedurende ziekte en ongesteldheid en koud weer);

art 273a lid 1 aanhef en sub 1 en sub 4 Wetboek van Strafrecht (oud) en/of

art 273f lid 1 aanhef en sub 1 en sub 4 Wetboek van Strafrecht (oud) en/of

art 273f lid 1 aanhef en sub 1 en sub 4 Wetboek van Strafrecht

11 .

in de periode

van 01 januari 2005 tot met 18 juni 2011

te Utrecht en Den Haag en te Zeist, in elk geval in Nederland,

(telkens)

(sub 6)

opzettelijk voordeel heeft getrokken

uit de uitbuiting van een ander, genaamd [naam],

en

(sub 9)

een ander, genaamd [naam]

met één van de onder lid 1 sub 1 van artikel 273a (oud) en 273f (oud en vigerend)

genoemde middelen

[te weten (lid 1 sub 1)

door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden

dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht,

door misbruik van een kwetsbare positie

bestaande

die dwang, dat geweld of die andere feitelijkheden,

dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht,

dat misbruik van een kwetsbare positie

hieruit

dat verdachte (telkens)

-een relatie heeft onderhouden met die [slachtoffer 2] en

-die [slachtoffer 2]

meermalen (met kracht) tegen het lichaam heeft geslagen en

- tegen haar heeft geschreeuwd en gegild en

- indirect met (zware) mishandeling heeft bedreigd en/of

waardoor die [slachtoffer 2]

(ten gevolge van voorgaande handelingen en

ten gevolge van het feit dat die [slachtoffer 2] niet (goed) bekend was in Nederland en met de Nederlandse gebruiken en

omdat die [slachtoffer 2] taal niet goed machtig was en (praktisch) analfabeet is en

omdat die [slachtoffer 2] geen familie in Nederland heeft)

sociaal geïsoleerd werd door hem, verdachte, en

die [slachtoffer 2] in een door hem, verdachte, gecontroleerde situatie en van hem, verdachte, afhankelijke situatie is gebracht en gehouden],

heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de

opbrengst van de seksuele handeling(en)

van die [slachtoffer 2] met of voor een derde,

hebbende hij, verdachte,

(nadat die [slachtoffer 2] met haar prostitutiewerkzaamheden geld had verdiend)

die [slachtoffer 2] alle, althans een zeer groot deel van haar (prostitutie)verdiensten, althans een aanzienlijk deel daarvan, laten afgeven aan hem;

art 273a lid 1 aanhef en sub 6 en sub 9 (en sub 1) Wetboek van Strafrecht (oud) en/of

art 273f lid 1 aanhef en sub 6 en sub 9 (en sub 1) Wetboek van Strafrecht (oud) en/of

art 273f lid 1 aanhef en sub 6 en sub 9 (en sub 1) Wetboek van Strafrecht

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

2. mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd

8. een ander door geweld of een andere feitelijkheid dwingen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij weet althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt, meermalen gepleegd;

9. een ander door geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding bewegen uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen, meermalen gepleegd

en

opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen door geweld of een andere feitelijkheid

10. mensenhandel, meermalen gepleegd

11. mensenhandel, meermalen gepleegd

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte, overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de stukken van het dossier bevindt zich een Pro Justitia rapport van 14 maart 2012, opgemaakt door H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, en D.J. Burck, GZ-psycholoog.

Volgens de rapporteurs is verdachte lijdend aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een bipolaire stoornis type I, huidige episode manisch met psychotische kenmerken en misbruik van cannabis en cocaïne. Rapporteurs hebben niet goed in kaart kunnen brengen wat het precieze verloop van de bipolaire stoornis bij verdachte is geweest, met name met betrekking tot de periode voor 2008.

Omdat het voor rapporteur Gerritsen onduidelijk is of verdachte ten tijde van de ten laste gelegde mishandelingen (feit 2) manisch psychotisch is geweest en, indien dat zo is, welke invloed dat heeft gehad, kan de rapporteur geen uitspraak doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid bij feit 2.

Rapporteur Gerritsen is van mening dat ten aanzien van de mensenhandel een behoorlijke mate van planning noodzakelijk is die niet te verenigen is met een manisch psychotische decompensatie, zo daar voor 2008 al sprake van is geweest. Verdachte kan voor de ten laste gelegde mensenhandel hooguit enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd worden.

Rapporteur Burck is van mening dat aangenomen mag worden dat de mate van toerekeningsvatbaarheid in de periode 2001-2007 wisselend zal zijn geweest. Over de toerekeningsvatbaarheid ten aanzien van feit 2 kan op grond van het onderzoek geen uitspraak worden gedaan, anders dan dat verdachte gedurende de hele ten laste gelegde periode niet volledig ontoerekeningsvatbaar was.

Met betrekking tot de ten laste gelegde mensenhandel, gaat het naar de mening van rapporteur Burck om complex gedrag, waarvoor een zekere planmatigheid vereist is. Een toestand van psychotische ontregeling verhoudt zich niet tot het planmatig handelen dat nodig is geweest om de activiteiten als bedoeld uit te voeren. Over de mate van toerekeningsvatbaarheid kan slechts met grote mate van terughoudendheid een uitspraak worden gedaan omdat het ten laste gelegde een lange periode overziet, waarin omtrent de precieze ontwikkeling van het ziektebeeld onvoldoende zekerheid te krijgen is. De rapporteur ziet overigens op grond van het beeld dat in haar onderzoek verkregen is over de persoonlijkheid van verdachte en de stoornissen die daarin optreden in elk geval geen aanleiding om te adviseren verdachte voor deze feiten volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de voormelde conclusies over en maakt deze tot de hare.

Nu uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en mensenhandel. Mensenhandel is een zeer vergaande manier van uitbuiting waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van vrouwen geheel ondergeschikt wordt gemaakt aan geldelijk gewin. Naar het oordeel van de rechtbank verdient de pooierpraktijk die bekend staat als mensenhandel een forse bestraffing, gelet op de inbreuk die daarbij wordt gemaakt op fundamentele rechten als de menselijke waardigheid en de persoonlijke vrijheid.

In de onderhavige zaak is in het bijzonder kwalijk dat [slachtoffer 2] tegen haar zin en onder niet vrijwillig gekozen omstandigheden werkzaamheden als prostituee moest verrichten. Zij was als de echtgenote van verdachte uit Irak naar Nederland gekomen, had hier geen familie waarop zij kon terugvallen en sprak de Nederlandse taal nauwelijks. Vanuit deze van verdachte afhankelijke situatie, alsmede doordat verdachte geweld tegen haar gebruikte en tegen haar schreeuwde als zij niet deed wat hij wilde, heeft [slachtoffer 2] ermee ingestemd prostitutiewerkzaamheden voor verdachte te verrichten. Gedurende meerdere jaren heeft zij vrijwel iedere avond deze werkzaamheden moeten doen, ook onder slechte omstandigheden zoals bij koud weer of als zij ongesteld was. Het geld dat zij hiermee verdiende moest zij aan verdachte afdragen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel justitiële documentatie d.d. 16 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte ondermeer in 2002 is veroordeeld voor mishandeling.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 14 maart 2012, opgemaakt door H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, en D.J. Burck, GZ-psycholoog en ziet daarin aanleiding verdachte terzake de feiten 8 tot en met 11 enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de Reclassering Nederland van 20 juni 2012 waarin wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en een behandelverplichting. De rechtbank zal dit advies overnemen en een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Aangezien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan door de officier van justitie is gevorderd, komt de rechtbank tot een lagere onvoorwaardelijke strafoplegging dan door de officier van justitie is geëist.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 260.000,- voor materiële schade en € 20.000,- voor immateriële schade. De vordering ter zake van materiële schade ziet op gederfde inkomsten uit gedwongen prostitutie. De vordering ten aanzien van immateriële zaken ziet op uitbuiting, mishandeling en gedwongen prostitutie.

zo blijkt uit de toelichting op de vordering.

Voor zover de vorderingen ziet op de ten laste gelegde feiten 3 tot en met 6, voor welke feiten verdachte is vrijgesproken, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Met betrekking tot de immateriële schade als gevolg van mishandeling, overweegt de rechtbank als volgt.

In het dossier bevinden zich politiemutaties waarin is vermeld dat veelvuldig sprake is geweest van ruzies tussen verdachte en de benadeelde partij en dat beide partijen daarbij geweld hebben gebruikt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier de aansprakelijkheid van verdachte jegens de benadeelde partij voor door hem veroorzaakte immateriële schade ten gevolge van mishandeling, onvoldoende is gebleken. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom ook ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 57, 250a, 273a, 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 3 tot en met 7 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

2. mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd

8. een ander door geweld of een andere feitelijkheid dwingen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan hij weet althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt, meermalen gepleegd;

9. een ander door geweld of een andere feitelijkheid dwingen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding bewegen uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen, meermalen gepleegd

en

opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of andere feitelijkheid

10. mensenhandel, meermalen gepleegd

11. mensenhandel, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht niet ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat verdachte:

- zich gedurende de proeftijd bij de reclassering moet melden en blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- wordt verplicht om zich klinisch te laten opnemen bij de FPA Roosenburg, Dolderseweg 164 te Den Dolder, of soortgelijke klinische forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Ook dient verdachte zijn medewerking te verlenen aan het resocialisatietraject na de klinische opname.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. J.P. Killian en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 september 2012.