Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY0015

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-09-2012
Datum publicatie
12-10-2012
Zaaknummer
16-655890-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De handelingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet (zonder meer) te duiden als handelingen met seksuele of ontuchtige intenties, ook niet als die worden bezien in combinatie met de omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655890-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1979] te [geboorteplaats]

[naam]

Gedetineerd PI Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem

raadsman mr. R.J. Mesland, advocaat te Haarlem

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 juni 2012 te Utrecht:

primair: heeft geprobeerd [aangever 1] te verkrachten;

subsidiair: heeft geprobeerd [aangever 1] aan te randen;

meer-subsidiair: [aangever 1] heeft gedwongen iets te dulden en/of [aangever 1] heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste heeft begaan en baseert zich daarbij op de in het dossier voorhanden zijnde bewijsmiddelen. Voor haar standpunt heeft de officier van justitie voorts steun gevonden in het vonnis van deze rechtbank d.d. 15 april 2011 (LJN: BQ9588).

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het volgende onderdeel uit de tenlastelegging: ‘- tegen die [aangever 1] heeft gezegd ‘meekomen’ en/of’.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De verdediging heeft er daarbij op gewezen dat - kort gezegd - het dossier geen bewijs bevat voor een (poging tot een) zedendelict.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Op 2 juni 2012, rond 06:10 uur, fietste [aangever 1] over een fietspad door het [adres] te Utrecht in de richting van de stad. In haar aangifte heeft zij verklaard dat zij bij een brug in het park een man op een bankje zag zitten. Toen aangeefster langs de man fietste, werd zij door de man aangevallen. Zij viel op de grond. De man sleepte haar bij haar fiets weg en pakte haar bij haar schouders vast. Aangeefster schreeuwde en zei dat zij de politie ging bellen. Toen aangeefster haar mobiele telefoon pakte, probeerde de man haar telefoon van haar handen af te vegen, wat ook lukte. Aangeefster voelde dat de man haar in de richting van een paadje sleepte, tussen twee bosjes in. Omdat aangeefster flink tegenstribbelde, hield de man haar bij haar haren vast. Aangeefster probeerde de man te slaan en in zijn kruis te stompen. Aangeefster voelde dat de man haar aan de voorkant van haar nek vasthield. De man pakte haar wisselend bij haar schouders, haar jas, haar haren en haar nek om haar mee te krijgen. Op een gegeven moment, ongeveer vier of vijf meter van het fietspad, heeft de man haar losgelaten. Aangeefster zag dat de man haar los liet om terug te lopen om haar mobiel te pakken en daarna haar fiets en haar tas te pakken. Aangeefster is heel hard gaan schreeuwen, zag vervolgens twee mannen aan het begin van het paadje en is naar hen toe gerend. Aangeefster zag dat de man wegrende.

De man was ongeveer 1.75-1.80 m lang, kaal met stoppels, met een blauwe spijkerbroek en een zwarte trui/vest met capuchon.

Aangeefster zag dat haar jas, broek en schoenen kapot waren. Aangeefster is haar rechter contactlens kwijt geraakt. Voorts heeft aangeefster verwondingen opgelopen aan haar knieën en handen.

Bij een aanvullend verhoor heeft aangeefster verklaard dat de man haar wel 5 meter heeft weggesleept, dat zij voelde dat zij het paadje op ging, dat haar hoofd daarbij een paar keer tegen de grond is gesmakt, dat het veel pijn deed toen verdachte haar bij haar nek pakte, dat ook haar hoofd pijn deed.

Van aangeefster zijn foto’s genomen waarop letsel aan knieën en handen zichtbaar is.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 2 juni 2012 rond 05:55 vanaf zijn huis in de wijk [adres] met de fiets naar het [adres] reed. Omstreeks 06:10 uur stond getuige bij een kruising van een voetpad en een fietspad en zag hij een meisje op de fiets langs komen die in de richting van de stad fietste. Enige momenten later hoorde getuige gegil. Het gegil hield aan. Getuige hoorde ‘help’ roepen. Getuige is zo snel mogelijk die kant opgefietst. Toen getuige op de brug bij de [adres] en de [adres] kwam, zag hij dat iemand, een man, een fiets met zich meesleepte over een heuveltje. Getuige zag vervolgens het meisje dat hij eerder voorbij had zien fietsen. Getuige zag de man weglopen over een smal voetpad dat parallel loopt aan de [adres]. Getuige heeft vervolgens de politie gebeld.

Op 2 juni 2012 omstreeks 07:00 uur zag verbalisant [verbalisant] op de begraafplaats [adres] een persoon met een kaal geschoren hoofd lopen die een zwarte jas met capuchon droeg, naar later bleek verdachte. Verbalisant heeft verdachte aangehouden.

Verdachte heeft verklaard dat hij heeft getracht [aangever 1] te beroven, dat hij haar van haar fiets geduwd heeft, dat hij haar bij haar schouders geeft geduwd, dat hij haar portefeuille wilde pakken, dat hij haar bij haar kleding vasthield, dat zij zich losrukte, dat zij hard schreeuwde en dat hij daarvan schrok. Toen verdachte op het heuveltje stond, zag hij twee mannen. Verdachte raakte in paniek en is er toen vandoor gegaan.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden, zoals hiervoor weergegeven, een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot verkrachting en de subsidiair ten laste gelegde poging tot aanranding niet kan volgen. De handelingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet (zonder meer) te duiden als handelingen met seksuele of ontuchtige intenties, ook niet als die worden bezien in combinatie met de omstandigheden (vroeg in de ochtend, park, meetrekken richting de bosjes). De vastgestelde feiten kunnen ook passen bij een poging tot beroving, hetgeen de intentie van verdachte is geweest volgens zijn eigen verklaring. Dat - zoals uit het dossier blijkt - verdachte een uur na het incident is aangehouden met een openstaande knoopsluiting van zijn gulp en met een openstaande broekriem is maakt dit oordeel niet anders, te meer nu aangeefster noch getuigen hebben verklaard dat zij dat ten tijde van of kort na het incident hebben gezien.

Omdat in de door de officier van justitie genoemde zaak (LJN: BQ9588) wel sprake was een ontuchtige handeling, namelijk het grijpen naar en vastpakken van de borst van het slachtoffer, gaat een vergelijking met die zaak mank.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het meer subsidiair ten laste gelegde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 2 juni 2012 te Utrecht, [aangever 1], door geweld gericht tegen [aangever 1], die [aangever 1] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden,

zijnde en/of hebbende verdachte

- op die [aangever 1] afgelopen en

- die [aangever 1] (met kracht) van haar fiets geduwd (waardoor die [aangever 1] op de

grond is gevallen) en

- die [aangever 1] bij de schouders en nek en het haar vastgepakt en

(vervolgens) (aan) het lichaam van die [aangever 1] verplaatst/getrokken en

- de mobiele telefoon en de fiets van die [aangever 1] gepakt

en

op 2 juni 2012 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [aangever 1]

- (met kracht) van haar fiets heeft geduwd (waardoor die [aangever 1] op de grond is

gevallen) en

- bij de schouders en nek en het haar heeft vastgepakt en

(vervolgens) het lichaam van die [aangever 1] heeft verplaatst,

waardoor die [aangever 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

een ander door geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden

en

mishandeling

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor het primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspraak gevorderd. De verdediging acht het meer subsidiair ten laste gelegde wel bewezen en heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor een omvang die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf waarvan aangeefster nog elke dag de gevolgen ondervindt, zo blijkt uit haar slachtofferverklaring ter terechtzitting.

Het slachtoffer heeft verklaard dat zij door de wijze waarop zij door verdachte is aangevallen vreesde door hem verkracht en vermoord te worden, Het spreekt dan ook voor zich dat een op deze manier uitgevoerde aanval voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

Nu de rechtbank slechts het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen acht, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 833,20. De officier van justitie en de raadsman konden instemmen met de vordering.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 284 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

een ander door geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden

en

mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 174 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 833,20, waarvan € 133,20 ter zake van materiële schade en € 700,- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 833,20 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, bij niet betaling te vervangen door 16 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. P.W.G. de Beer en mr. H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 september 2012.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.