Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX9879

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
11-10-2012
Zaaknummer
16-656174-12[P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verweer mbt bewijsminimum afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.656174-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1985] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. F.E. den Hertog, advocaat te Veenendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 22 augustus 2012 te Utrecht met geweld dan wel bedreiging met geweld een fiets heeft gestolen van [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 1] door geweld dan wel bedreiging met geweld heeft gedwongen die fiets af te geven;

feit 2: op 22 augustus 2012 te Utrecht een fiets heeft gestolen van [slachtoffer 2].

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1: de aangifte en de verklaring van verdachte. De officier van justitie acht de verklaring dat hij aangeefster niet heeft bedreigd en dat hij enkel haar fiets wilde lenen niet geloofwaardig.

Ten aanzien van feit 2: de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 ten laste gelegde feiten en verzoekt de rechtbank om verdachte daarvan vrij te spreken. De verdediging voert daartoe het volgende aan.

Verdachte ontkent de fiets te hebben gestolen en ontkent ook dat hij aangeefster heeft gedwongen tot afgifte van haar fiets. Nu er naast de aangifte geen ander bewijs voorhanden is, is niet voldaan aan het bewijsminimum.

Verdachte had weliswaar stenen bij zich, maar aangeefster heeft niet verklaard dat verdachte die stenen ook toonde en dat zij zich daardoor bedreigd voelde. Voorts blijkt nergens uit dat verdachte aangeefster mondeling heeft bedreigd. Bovendien blijkt nergens uit dat verdachte het opzet had om de stenen als dwangmiddel te gebruiken.

De verdediging refereert zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van feit 1

Aangeefster [slachtoffer 1] fietste op 22 augustus 2012 te Utrecht toen er een jongen (die later verdachte bleek te zijn) met twee bakstenen in zijn handen op haar af liep. Hij ging voor haar staan, zodat zij niet verder kon fietsen. Verdachte zei vervolgens tegen haar: ‘ik heb je fiets nodig’ en ‘of ik gooi de stenen op jou’. Aangeefster voelde zich bedreigd en heeft vervolgens haar fiets (een zwarte omafiets) afgegeven.

Verdachte heeft bekend dat hij tegen aangeefster heeft gezegd dat hij haar fiets nodig had en dat hij vervolgens haar fiets heeft meegenomen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door bedreiging met geweld aangeefster heeft gedwongen tot afgifte van haar fiets. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de fiets van aangeefster heeft gestolen, nu is komen vast te staan dat aangeefster haar fiets heeft afgegeven.

Nadere bewijsoverwegingen

De verdediging heeft bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gezegd ‘of ik gooi de stenen op jou’. Daartoe is aangevoerd dat het bewijs niet kan worden gebaseerd op één getuige. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. Zoals door de Hoge Raad in vaste jurisprudentie tot uitdrukking is gebracht heeft die bewijsminimumregel betrekking op de gehele tenlastelegging. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt te twijfelen aan de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1].

Ook is betoogd dat verdachte geen opzet had om de stenen als dwangmiddel te gebruiken. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat verdachte door zichtbaar bakstenen in zijn handen te houden en daarbij tegen aangeefster te zeggen: ‘ik heb je fiets nodig’ en ‘of ik gooi de stenen op jou’ willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster zich daardoor bedreigd zou voelen en haar fiets zou afgeven.

Ten aanzien van feit 2

Aangezien verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit bewezen gelet op:

- Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 35-36, inclusief de goederenbijlage op pagina 38, van het proces-verbaal met dossiernummer PL091A 2012185617;

- Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 30-31 van het proces-verbaal met dossiernummer PL091A 2012185617;

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 september 2012.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 22 augustus 2012 te Utrecht, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een fiets (zwarte omafiets), toebehorende aan die [slachtoffer 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij die [slachtoffer 1] twee bakstenen heeft getoond en heeft gezegd: “of ik gooi de stenen op jou", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

2.

op 22 augustus 2012 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (beige omafiets), toebehorende aan [slachtoffer 2].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: afpersing.

Feit 2: diefstal.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. De officier heeft voorts gevorderd dat daarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht wordt opgelegd, ook als dat inhoudt een ambulante behandeling ten behoeve van verdachte zijn alcoholprobleem.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de aan verdachte op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet hoger dient te zijn dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De verdediging kan zich voorts vinden in een voorwaardelijke straf, waarbij aan verdachte reclasseringstoezicht wordt opgelegd. Verdachte is bereid hulp te accepteren ten aanzien van zijn alcoholprobleem.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een vrouw bedreigd met een aantal bakstenen, omdat hij haar fiets wilde hebben. Verdachte had, naar eigen zeggen, snel een fiets nodig. Deze vrouw heeft vervolgens haar fiets aan hem afgegeven, omdat zij zich bedreigd voelde. Kort daarna heeft verdachte ook nog een fiets van een man gestolen.

Afpersing is een ernstig feit. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid die bij het slachtoffer. Diefstal van fietsen is met name een bijzonder ergerlijk feit. Het getuigt van weinig respect voor het eigendom van anderen en zorgt voor de gedupeerden voor (financiële) schade en overlast. De verdachte heeft met dit alles geen rekening mee gehouden, maar kennelijk slechts aan eigen behoeften gedacht.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 augustus 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor diefstal en bedreiging;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 september 2012 inhoudende dat hij een alcoholprobleem heeft en dat hij open staat voor een voorwaardelijke straf, waarbij hij hulp krijgt bij het aanpakken van zijn alcoholprobleem.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, gevorderd. De rechtbank acht met de officier van justitie een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank is echter van oordeel dat kan worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen. Deze straf is aanzienlijk lager dan door de officier van justitie is gevorderd. Daartoe is aanleiding met name gelet op de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De gedraging van verdachte ten opzichte van aangeefster [slachtoffer 1] moet eerder worden gekenschetst als een onbezonnen brutale gedraging, die zeker angst bij het slachtoffer zal hebben veroorzaakt, maar die niet zonder meer te vergelijken is met afpersingen waarvoor straffen worden opgelegd als door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank ziet aanleiding een deel van de gevangenisstraf, te weten 20 dagen voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Voorts maakt deze voorwaardelijke straf een verplichte begeleiding door de reclassering, inclusief een ambulante behandeling voor zijn alcoholprobleem, mogelijk.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 1.065,-, waarvan € 315,- ter zake van materiële schade en € 750,- ter zake van de immateriële schade, en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. De officier van justitie is van mening dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, dan wel dat de vordering wordt afgewezen. De vordering is onvoldoende onderbouwd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.118,- voor feit 1, waarvan € 315,- ter zake van materiële schade en € 803,- ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, de gestolen fiets, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf de dag dat het strafbare feit zich heeft voorgedaan tot aan de dag der algehele voldoening. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij daadwerkelijk immateriële schade heeft geleden. Een beschrijving en onderbouwing van die schade ontbreekt. Nader onderzoek naar die schade zou naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting opleveren voor het strafgeding. De rechtbank zal de vordering dan ook voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 310 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: afpersing;

feit 2: diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 dagen, waarvan 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan;

* dat verdachte zich ambulant laat behandelen voor zijn alcoholprobleem, indien en voor zover Centrum Maliebaan dat nodig acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 315,- ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 22 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], € 315,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 22 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart dat het overige deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.G.L.M. Verbunt, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. I.M. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Westerhout als griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 september 2012.