Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX9874

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
11-10-2012
Zaaknummer
16-655881-12[P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

tweede ISD, toetsing na vier maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655881-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in PI Utrecht, HvB locatie Nieuwegein,

De Liesbosch 100, Nieuwegein.

Raadsman: mr. B.H.J. van Rhijn.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een fiets heeft gestolen dan wel geheeld.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardig geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich op de bekennende verklaring van verdachte en de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 11 september 2012;

- de aangifte van [aangever ] d.d. 1 juni 2012.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigen bewezen dat verdachte:

Primair

op of omstreeks 01 juni 2012 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een damesfiets, merk Batavus, toebehorende aan [aangever ].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Diefstal.

5.2 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de vordering ISD moet worden afgewezen. De raadsman heeft aangevoerd dat een eerdere ISD maatregel niet heeft geholpen. Het doel komt dan slechts neer op het behoeden van de maatschappij voor de delicten die verdachte pleegt. Het gepleegde delict is naar de mening van de verdediging relatief gering zodat de maatregel daarbij niet in verhouding staat. Daarnaast zijn er alternatieven mogelijk die nog niet zijn uitgeprobeerd zoals opname in een hostel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en, met name, de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft (wederom) een fietsendiefstal gepleegd. Uit de handelingen van verdachte blijkt weinig respect voor andere mensen en hun eigendommen. Uit de documentatie van verdachte komt naar voren dat hij in het verleden reeds vele malen is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte heeft verklaard deze fietsendiefstallen te plegen om zijn drugsgebruik te kunnen financieren.

De rechtbank zal de officier van justitie volgen in haar eis tot het opleggen van de ISD-maatregel.

De rechtbank stelt vast dat verdachte voldoet aan de formele criteria die aan de oplegging van de ISD maatregel door de wet zijn gesteld. De rechtbank grondt haar oordeel op het navolgende:

Het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Uit het 20 pagina’s tellend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 juli 2012 blijkt verder dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld. De misdrijven waarvoor verdachte gedurende de afgelopen vijf jaren voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit is veroordeeld betreffen onder meer op 26 april 2012: diefstal (van een fiets), op 11 september 2009: diefstal en heling(van fietsen), op 20 januari 2010: diefstal met braak (van een fiets). Bij laatstgenoemd vonnis is aan verdachte de maatregel van 2 jaar plaatsing in een ISD opgelegd. Daarnaast is er een proces-verbaal tegen verdachte opgemaakt op 2 februari 2012, op 28 maart 2012, op 10 mei 2012 en op 1 juni 2012, voor welk laatstgenoemd feit verdachte bij vonnis van heden is veroordeeld.

Het thans bewezenverklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van de straffen of maatregelen voor voornoemde veroordelingen en dient ernstig rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Gelet op de aard van de misdrijven waarvoor verdachte telkens is veroordeeld, eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel.

De rechtbank is voorts, anders dan de verdediging, van oordeel dat het (wederom) opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

- Het reclasseringsrapport d.d. 1 augustus 2012, opgemaakt door reclasseringswerker E.R. Jap-A-Joe van Centrum Maliebaan Utrecht, vermeldt onder meer het volgende:

“Betrokkene is een gelabelde veelpleger. Bij betrokkene is sprake van een complexe problematiek in verband met cocaïneverslaving, zwakbegaafdheid en psychische problematiek. Hij heeft last van stemmen die hem opdracht geven om te gaan stelen. Deze stemmen verklaart betrokkene vanuit zijn Winti-religie en ervaart hij als zijn belangrijkste probleem. Betrokkene is analfabeet en heeft geen huisvesting .

Betrokkene komt afspraken met de reclassering en het GAVO meestal na, maar trajecten stageneren omdat betrokkene veelvuldig gedetineerd raakt. In 2010 werd hem de maatregel ISD opgelegd, maar tijdens de klinische behandeling viel hij veelvuldig terug in gebruik van cocaïne. De behandeling is hierdoor gestopt. Na vrijlating in november 2011 viel hij terug in zijn oude patroon. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog.

Toezicht, begeleiding en een eerder opgelegde ISD-maatregel hebben niet tot resultaten geleid. Een gebrek aan zelfinzicht, motivatie en vaardigheden, alsmede psychiatrische problematiek maken een justitiële maatregel met hulp van buitenaf noodzakelijk. Betrokkene komt in aanmerking voor de maatregel ISD en dient klinisch te worden behandeld en begeleid vanwege de complexe en meervoudige problematiek.

Rapporteur is van mening dat ziektegedrag en ziektebeleving geplaatst moeten worden tegen de achtergrond van de Winti-religie, zodat het aanbeveling verdient hiermee bij de behandeling rekening te houden. Psychiatrisch Centrum Altrecht zou samenwerken met deskundigen op het gebied van de interculturele/ethnopsychiatrie. Betrokkene gaat met het advies akkoord

- Ter terechtzitting heeft Jap-A-Joe toegelicht dat verdachte in het kader van een ISD-maatregel intensieve begeleiding nodig heeft, met aandacht voor zijn zwakbegaafdheid en de hiervoor genoemde Wintiproblematiek. Dat kan bij Wier+. Van daaruit is ook resocialisatie en beschermd wonen mogelijk. Opname in een gebruikershostel in combinatie met een ambulante behandeling acht Jap-A-Joe uitgesloten. Verdachte heeft zelf aangegeven dat hij in een hostel zal blijven gebruiken. Volgens Jap-A-Joe zal betrokkene het –vanwege zijn IQ - in een hostel niet redden.

- Ter terechtzitting heeft C.D. Lahr, forensisch casemanager bij Centrum Maliebaan, toegelicht dat opname in een gebruikershostel gezien de zwakbegaafdheid van verdachte in combinatie met zijn drugsgebruik geen optie is. Verdachte zal het daar volgens Lahr niet redden. Verdachte zal blijven gebruiken en blijven stelen om zijn gebruik te bekostigen. Lahr adviseert een opname bij Wier+, een instelling die is gespecialiseerd in het begeleiden van zwakbegaafde verdachten. Verdachte heeft voorts begeleiding nodig bij zijn Winti-problematiek en bij het verwerken van zijn verleden. Dit is alles mogelijk in het kader van een klinische behandeling bij Wier+, aldus Lahr.

Ondanks het niet succesvol afronden van een eerdere ISD, adviseert Lahr de behandeling in de omlijsting van de ISD plaats te laten vinden. Er is volgens haar sprake van een nieuwe situatie, voor het eerst is er zicht op de zwakbegaafdheid van verdachte en de aanwezige Wintiproblematiek, en voorts de wil bij verdachte om zijn verleden te verwerken. Een ISD-omlijsting kan verdachte de nodige structuur, behandeling en veiligheid bieden.

Uit voormelde rapportage en het verhandelde ter zitting concludeert de rechtbank dat er geen werkzame alternatieven voor de ISD-maatregel aanwezig zijn. De rechtbank acht daarom oplegging van de ISD maatregel wenselijk en noodzakelijk. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de behandeling tevens gericht zal zijn op het afkicken. Een verblijf in een hostel, zoals door de verdediging is voorgesteld, acht de rechtbank onder die omstandigheden onwenselijk. De zwakbegaafdheid van verdachte, de Wintiproblematiek en de wil bij verdachte om zijn verleden te verwerken, in combinatie met zijn cocaïnegebruik en woonsituatie, vragen om een stevige structuur en intensieve klinische behandeling. De rechtbank gaat ervan uit dat Wier+ te Den Dolder - een instelling die is gespecialiseerd in de behandeling van delinquenten met een verstandelijke beperking en onder meer mogelijkheden biedt op het gebied van resocialisatie en beschermd wonen - daartoe bij uitstek geschikt is.

Om de kans op gedragsbeïnvloeding te vergroten en ter bescherming van de maatschappij zal de rechtbank de gevorderde ISD-maatregel voor de maximale duur van twee jaren opleggen. Om de recidive te beëindigen en tot een zo optimaal mogelijke oplossing van de problematiek van verdachte te komen, zal de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

Wel acht de rechtbank een tussentijdse toets van belang. Een dergelijke toets vindt gebruikelijk na een periode van negen maanden plaats. De rechtbank acht een toets over een periode van 4 maanden van belang. Daarbij overweegt de rechtbank dat een eerder opgelegde ISD-maatregel pas onlangs is beëindigd. Verdachte heeft zodoende de eerste periode van het traject (met een duur van zes maanden) reeds doorlopen. De rechtbank wenst ten behoeve van de tussentijdse toets te worden geïnformeerd door de reclassering / het Openbaar Ministerie over het verloop van de maatregel, een plan van aanpak en meer in het bijzonder over de indicatiestelling voor een geschikte klinische behandeling.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd.

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal.

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor twee jaar;

- bepaalt dat het verloop van deze maatregel door de rechtbank tussentijds dient te worden beoordeeld na 4 (vier) maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mrs. I.M. Vanwersch, voorzitter en R.P. den Otter en R.P.G.L.M. Verbunt, rechters, bijgestaan door mr. A.M. Westerhout als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2012.