Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX9848

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
11-10-2012
Zaaknummer
16/655549-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal uit dienstbetrekking. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655549-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1963] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en/of buiten Nederland.

Raadsvrouw: mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 4 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 1 november 2011 tot en met 22 november 2011 schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van verschillende geldbedragen, met een totaal van

€ 96.135,00.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vaststelling van de feiten

Namens Achilles Tankstations BV is op 29 november 2011 door de heer [aangever] aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking. Achilles Tankstations BV exploiteert tankstations, waaronder het benzinestation Avia tankstation, gelegen aan de

[adres] te Maarssen.

Verdachte was destijds werkzaam als stationmanager bij voornoemd benzinestation en in het kader van die functie onder meer verantwoordelijk voor het afstorten van de

- contante - dagopbrengsten bij de bank. In de periode van 1 november 2011 tot en met

22 november 2011 heeft verdachte wel afstortingen aangemeld, maar geen van de dagopbrengsten is daadwerkelijk afgestort bij de bank.

Verdachte heeft erkend dat hij, hoewel hij daar destijds gezien zijn functie als stationmanager verantwoordelijk voor was, gedurende voornoemde periode geen afstortingen heeft verricht en de betreffende dagopbrengsten heeft verduisterd.

Aanvullende overwegingen

Achilles Tankstations heeft, op basis van de aangemelde stortingen, het totaal verduisterde bedrag berekend op € 96.135,00, welk bedrag in de tenlastelegging is genoemd.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij ongeveer € 91.000,00 heeft verduisterd en dit bedrag ter terechtzitting van 4 september 2012 herhaald.

Nu in het dossier geen lijst van de betreffende aangemelde stortingen is opgenomen,

is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het exacte bedrag van de verduistering door verdachte niet kan worden vastgesteld.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bij de bewezenverklaring zal worden uitgeschreven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op tijdstippen in de periode van 1 november 2011 tot en met 22 november 2011 te Maarssen, opzettelijk een hoeveelheid geld, toebehorende aan Achilles Tankstations BV en/of Avia tankstation ([adres]), welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als stationmanager onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren,

met daarbij als bijzondere voorwaarde een meldingsgebod bij de reclassering.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd en heeft daartoe een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte genoemd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft gedurende een periode van enkele weken geldbedragen verduisterd van zijn werkgever Achilles Tankstations BV/Avia tankstation. Deze geldbedragen had hij uit hoofde van zijn functie als stationmanager bij dit bedrijf onder zich. Verdachte heeft hierdoor misbruik gemaakt van de mogelijkheden die hij in deze functie had en het daarbij behorende vertrouwen dat zijn werkgever in hem had geschaad.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 25 juli 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld;

- een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 20 augustus 2012, opgemaakt door

M. Litjens, reclasseringsmedewerker, waarin wordt geadviseerd om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde een meldingsgebod.

De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde onder zeer grote druk stond. In zijn persoonlijk leven was sprake van ingrijpende (negatieve) gebeurtenissen. Daarnaast was verdachte, die al decennia in dienst was bij zijn werkgever en was opgeklommen tot de functie van manager van meerdere tankstations, door zijn werkgever teruggeplaatst in de functie van stationmanager met een aanzienlijk lager salaris en een contract met een proeftijd. De rechtbank gaat er vanuit dat al deze omstandigheden in grote mate invloed hebben gehad op de beslissing van verdachte om zijn leven in Nederland achter zich te laten en geld van zijn werkgever te verduisteren teneinde dit te bekostigen.

De rechtbank houdt verder ten voordele van verdachte rekening met zijn proceshouding. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting openheid van zaken gegeven. Het door hem ter terechtzitting getoonde berouw komt op de rechtbank oprecht over.

Alles afwegende ziet de rechtbank aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. De rechtbank zal een deel daarvan, te weten

3 maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaren, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan. De rechtbank zal daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarde opleggen.

De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in Frankrijk en in Nederland in voorarrest heeft doorgebracht, wordt in mindering gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van deze opgelegde gevangenisstraf.

7 De benadeelde partij

7.1. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij Achilles Brandstoffen Maatschappij BV (rechtsopvolger van Achilles Tanstations BV) heeft een vordering ingediend strekkende tot vergoeding van door haar geleden materiële schade en door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand.

Mr. H.W. Vis, advocaat te Amsterdam, heeft namens de benadeelde partij de vordering ingediend en zich namens de benadeelde partij voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als gemachtigde van de benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De benadeelde partij vordert betaling van in totaal € 92.635,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2011 tot de dag der algehele voldoening. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- verduisterd bedrag (minus het bedrag van € 6.000,00 dat inmiddels terug is gegeven);

- kosten voor rechtsbijstand van € 2.500,00.

Ter terechtzitting heeft mr. H.W. Vis de vordering nader toegelicht.

7.2 Het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot de vordering van de

benadeelde partij

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij Achilles Brandstoffen Maatschappij voor wat betreft de materiële schade in zijn geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2011, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie acht de aangevoerde kosten van rechtsbijstand onvoldoende onderbouwd en heeft verzocht dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

7.3 Het standpunt van de verdediging met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij

De verdediging is primair van mening dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de gevorderde schadevergoeding te matigen.

7.4 De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde vermogensschade voldoende is onderbouwd en aannemelijk is geworden. De rechtbank zal de gevorderde bedragen toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering tot vergoeding van de materiële schade zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen en de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 november 2011.

De kosten van rechtsbijstand

De rechtbank is van oordeel dat verdachte tevens dient te worden veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van rechtsbijstand. Bij de bepaling van de hoogte van deze kosten, sluit de rechtbank aan bij de “Aanbevelingen behandeling civiele schadevordering in het strafproces”, zoals die zijn overgenomen door het LOVS (Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken). In die aanbevelingen is - kort gezegd - bepaald, dat indien de benadeelde partij gebruik maakt van een advocaat, de omvang van de proceskosten (honorarium advocaat) begroot dient te worden aan de hand van het kanton liquidatietarief. De kosten voor rechtsbijstand stelt de rechtbank, uitgaande van dit liquidatietarief, vast op € 1.000,00.

Dit brengt met zich dat de gevorderde advocaatkosten voor het overige in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal de benadeelde partij in zoverre in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Jeugdzorg & Reclassering Leger des Heils. Daartoe moet verdachte zich zo spoedig mogelijk melden bij

Jeugdzorg & Reclassering Leger des Heils op het adres De Meent 2 (8224 BR) te Lelystad. Hierna moet hij zich gedurende door Jeugdzorg & Reclassering Leger des Heils bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht - 3 mei 2012 tot en met 5 september 2012 - in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Achilles Brandstoffen Maatschappij BV van € 90.135,00, ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 1 november 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 1.000,00;

- verklaart de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand, voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer Achilles Brandstoffen Maatschappij BV, € 90.135,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer als griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 september 2012.