Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX9820

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
10-10-2012
Zaaknummer
311792 - HA ZA 11-1596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door eisvermeerdering met aardvordering verwijzing naar kanton noodzakelijk. Eisvermeerdering is niet in strijd met de goede procesorde. De zaak wordt door eisvermeerdering niet onredelijk vertraagd, nu de zaak wordt verwezen in stand waarin deze zich bevindt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 311792 / HA ZA 11-1596

Vonnis van 26 september 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.M.J. Driessens-Kuijpers te Wijk bij Duurstede,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. C. van der Mark te Houten.

Eiser en gedaagde sub 1 zullen hierna respectievelijk [eiser jr] en [gedaagde sub 1 sr]. worden genoemd en gedaagde sub 2 [gedaagde sub 2]. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagden c.s.].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 november 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 19 juni 2012

- de handgeschreven akte vermeerdering van eis van 19 juni 2012 welke tijdens de comparitie is overgelegd,

- de akte wijziging eis van 25 juli 2012

- de akte van 25 juli 2012 waarbij [gedaagden c.s.]. bezwaar maakt tegen de vermeerdering(en) van eis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser jr] is de zoon van [gedaagden c.s.].

2.2. [gedaagde sub 1 sr]. is de eigenaar van een bedrijfspand, gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] (hierna: het bedrijfspand), met aangrenzend perceel. In het verleden oefenden [gedaagden c.s.]. in dit bedrijfspand een garagebedrijf uit. Zij hebben op 6 april 1993 hun garagebedrijf door middel van een aandelenoverdracht overgedragen aan [eiser jr] voor een koopprijs van fl. 800.000,00.

2.3. [eiser jr] is bestuurder van de besloten vennootschap Autobedrijf [bedrijf] B.V. Deze vennootschap is gevestigd in het bedrijfspand van [gedaagde sub 1 sr].

2.4. Op 26 april 2011 is tussen [gedaagde sub 1 sr]. en [eiser jr] een koopovereenkomst gesloten waarbij zij zijn overeengekomen dat [gedaagde sub 1 sr]. het bedrijfspand met aangrenzend perceel aan [eiser jr] verkoopt voor het bedrag van € 578.000,--. Deze koopovereenkomst is gesloten onder voorbehoud van financiering. Omdat [eiser jr] niet in staat was om de aankoop van het pand te financieren is aan de koopovereenkomst geen gevolg gegeven en is het pand niet aan hem geleverd. Hij is geen eigenaar geworden van het onroerend goed waarin zijn garagebedrijf is gevestigd.

2.5. Op 1 maart 2011 en 4 oktober 2011 zijn in het kader van een op verzoek van [eiser jr] gehouden voorlopig getuigenverhoor, verschillende getuigen gehoord. Onderwerp van dit getuigenverhoor was onder meer de vraag of -kort gezegd- door [gedaagden c.s.]. aan [eiser jr] is toegezegd dat hij het bedrijfspand in eigendom zou verkrijgen.

2.6. Op verzoek van [eiser jr] is op 14 juni 2011 conservatoir beslag tot levering gelegd op onder meer het bedrijfspand.

3. Het geschil

3.1. Bij dagvaarding vordert [eiser jr] -zeer kort weergegeven- zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

1. voor recht te verklaren dat na het overlijden van [gedaagden c.s.]. [eiser jr] de eigendom dient te verkrijgen van het bedrijfspand en het daaraan grenzende perceel,

2. [gedaagde sub 1 sr]. te verbieden om het bedrijfspand en het daaraan grenzende perceel aan een ander dan [eiser jr] te vervreemden en/of te bezwaren met een zakelijk recht, en/of met uitzondering van [gedaagde sub 2] een ander dan [eiser jr] te benoemen tot erfgenaam en/of legataris van het bedrijfspand met perceel, op straffe van een dwangsom,

3. [gedaagde sub 2] te verbieden om in het geval zij het bedrijfspand met aangrenzend perceel onder algemene titel of als legataris in eigendom verkrijgt, dit pand met perceel aan een ander dan [eiser jr] te vervreemden, en/of te bezwaren met een zakelijk recht en/of een ander dan [eiser jr] te benoemen tot erfgenaam en/of legataris van het bedrijfspand met perceel, op straffe van een dwangsom,

4. veroordeling van [gedaagde sub 1 sr]. er aan mee te werken dat op het bedrijfspand met aangrenzend perceel ten laste van [gedaagde sub 1 sr]. en ten gunste van [eiser jr] een hypotheek tot zekerheid van nakoming van het onder 2 en 3 gevorderde wordt gevestigd, op straffe van een dwangsom.

5. [gedaagden c.s.]. hoofdelijke te veroordelen in de kosten van deze proceure.

3.2. [eiser jr] heeft ter comparitie bij handgeschreven akte zijn eis vermeerderd en deze eisvermeerdering later bij akte gewijzigd. Na eisvermeerdering en eiswijziging heeft [eiser jr] zijn vorderingen aangevuld met (kort weergegeven) de subsidiaire vordering [gedaagde sub 1 sr]. hoofdelijk te veroordelen om met [eiser jr] een schriftelijke huurovereenkomst te sluiten op basis van de huidige voorwaarden met dien verstande dat in de huurovereenkomst wordt opgenomen dat de verhuurder zich verplicht de huurovereenkomst niet op te zeggen, noch anderszins te (willen) doen eindigen gedurende het leven van (een van) gedaagden, een vordering op grond van onvoorziene omstandigheden daaronder begrepen, uitgezonderd ingeval er sprake is van eventuele wanprestatie die ontbinding rechtvaardigt aan de zijde van [eiser jr]

3.3. [gedaagden c.s.]. maken bezwaar tegen de eisvermeerdering en voeren verweer tegen de vorderingen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Eiswijziging

4.1. De rechtbank zal eerst beoordelen of de eiswijziging is toegestaan.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank is de eiswijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. [eiser jr] heeft in beginsel het recht zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Door de eisvermeerdering worden [gedaagden c.s.]. niet onredelijke bemoeilijkt in hun verdediging. Er is geen sprake van onredelijke vertraging van het geding. Dit geldt ook in het geval de eisvermeerdering tot gevolg heeft dat onderhavige zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter. De verwijzing vindt immers plaats in de stand van waarin deze zich bevindt. Dat betekent dat de zaak, indien deze wordt verwezen naar de kantonrechter, ook na verwijzing voor vonnis staat. Het bezwaar van [gedaagden c.s.]. tegen de eiswijziging is ongegrond. De eiswijziging is daarom toegestaan.

Verwijzing naar de kantonrechter

4.3. Na eisvermeerdering vordert [eiser jr] naast hetgeen hij bij dagvaarding heeft gevorderd, subsidiair dat [gedaagden c.s.]. worden veroordeeld om met [eiser jr] een schriftelijke huurovereenkomst te sluiten op basis van de huidige tussen partijen geldende voorwaarden en in de huurovereenkomst een bepaling op te nemen over de -kort gezegd- onopzegbaarheid van de huurovereenkomst.

4.4. Gelet op deze eisvermeerdering doet de vraag zich voor of de kantonrechter bevoegd is over deze vorderingen te beslissen. De kantonrechter is immers op grond van artikel 93 onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) absoluut bevoegd om aardvorderingen, waaronder mede vorderingen die een huurovereenkomst betreffen worden verstaan, te behandelen en daarover te beslissen. Als een vordering betrekking heeft op een huurovereenkomst, is dit al een aardvordering.

4.5. Tijdens de tussen partijen gehouden comparitie heeft de rechtbank al aan de orde gesteld dat de vordering waarmee de eis is vermeerderd, mogelijk te beschouwen is als een aardvordering ten gevolge waarvan onderhavige zaak (ambtshalve) verwezen dient te worden naar de kantonrechter. Partijen hebben zich tijdens deze comparitie kort uitgelaten over de eventuele verwijzing naar de kantonrechter. De rechtbank heeft ter zitting begrepen dat de bezwaren van partijen voornamelijk verband houden met de eventuele vertraging die de verwijzing mogelijk met zich meebrengt. Deze geuite bezwaren bieden geen aanknopingspunten om niet tot verwijzing over te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering waarmee [eiser jr] zijn eis heeft vermeerderd, aan te merken als een aardvordering die volgens artikel 93 aanhef en sub c Rv tot de competentie van de kantonrechter behoort. De vordering van [eiser jr] strekt tot het op schrift stellen van een huurovereenkomst waarbij volgens [eiser jr] uitgegaan moet worden van de reeds tussen partijen geldende mondeling overeengekomen huurvoorwaarden. Hieruit volgt dat de rechtbank deze zaak (ambtshalve) moet verwijzen naar de kantonrechter. Overigens geldt dat onderhavige zaak wordt verwezen in de stand waarin deze zich op dit moment bevindt. Dat betekent dat de zaak, ook bij de kantonrechter, voor vonnis staat. De handelsrechter die de zaak ter zitting heeft behandeld zal ook als kantonrechter op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in deze zaak beslissen.

4.6. De rechtbank zal derhalve de zaak verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank in de stand waarin deze zich bevindt (te weten dat de zaak voor vonnis staat) één en ander gelet op het bepaalde in artikel 71, tweede lid, Rv. Dit betekent dat van partijen of hun gemachtigden geen nadere proceshandelingen nodig zijn en dat de kantonrechter binnen de daarvoor geldende roltermijnen vonnis zal wijzen.

4.7. Partijen kunnen in de verdere procedure bij de sector kanton in persoon of bij gemachtigde verschijnen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt (de rechtbank verstaat dat de zaak staat voor vonnis) naar de rolzitting van de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, op woensdag 3 oktober 2012;

5.2. wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een (proces)advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;

5.3. wijst partijen erop dat de kantonrechter zal beslissen over de proceskosten in deze procedure.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.C. de Vaan en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2012.