Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX9736

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
10-10-2012
Zaaknummer
16/712139-11; 16/710943-10 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doega-zaak: meer dan 20 feiten, gepleegd op locaties verspreid door heel Nederland. In deze zaken hanteerden de daders een min of meer vaste werkwijze om een inbraak c.q. kluiskraak te plegen bij voornamelijk supermarkten. Deze vaste werkwijze kenmerkte zich onder meer door een voorverkenning, de insluiting van een mededader, en door de verdere uitvoering van de inbraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712139-11; 16/710943-10 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren [1992] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd voor deze zaak te P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsman mr. R.I.R. Denz, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Daarna is het onderzoek ter terechtzitting gesloten op 25 september 2012, waarbij de uitspraakdatum is bepaald op 9 oktober 2012.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1: in de periode van 26 november 2011 tot en met 27 november 2011 met anderen in de Dirk van den Broek te Hoofddorp heeft ingebroken;

Ten aanzien van feit 2: in de periode van 14 december 2011 tot en met 15 december 2011 met anderen in de Kruidvat te Hoogvliet heeft ingebroken;

Ten aanzien van feit 3: in de periode van 15 augustus 2011 tot en met 14 februari 2012 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie heeft daartoe, kort samengevat, gewezen op:

- de gevolgde modus operandi bij de ten laste gelegde feiten en in de andere zaken in het onderzoek Doega,

- de gedane herkenningen, die door verbalisanten die verdachte reeds kenden zijn gedaan en die zij betrouwbaar acht,

- het vastgestelde telefoongebruik door verdachte en medeverdachten,

- de gemaakte tijdlijn naar aanleiding van telecomanalyse en bewakingsbeelden,

- de in dit onderzoek relevante getapte telefoongesprekken en

- de processen-verbaal van stemherkenning betreffende de medeverdachten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is, kort samengevat, van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 3 kan komen en wijst daarbij onder meer op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman is van mening dat het koppelen van een telefoonnummer aan verdachte op onjuiste grond is gebeurd en dat de processen-verbaal van stemherkenning en beeldherkenning onbetrouwbaar zijn.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe het volgende.

De vindplaatsvermeldingen van de onderstaande bewijsmiddelen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van een (zaaks)dossier, zoals bijvoorbeeld ‘p. 1 van Einddossier, Algemeen, map 1’ of ‘p. 1 van 09Delftplus’ (oftewel pagina 1 van het dossier 09Delftplus (zaak 1) met dossiernummer PL0910-2012087226), tenzij anders is vermeld. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

Voor zover er sprake is van het bestaan van beeldmateriaal in de vorm van camerabeelden, zijn deze beelden ook door de rechtbank bekeken.

Onderzoek 09Doega11

Op 30 oktober 2011 werd onder leiding van een officier van justitie van het arrondissementsparket Utrecht een onderzoek gestart onder de naam 09Boni11, naar aanleiding van een aangifte waaruit bleek dat men kennelijk voorbereidingshandelingen trof voor een overval op supermarkt Boni, gevestigd in Utrecht. In het kader van dit onderzoek werden op vordering van een officier van justitie en met machtiging van de rechter-commissaris van het arrondissement Utrecht, diverse telefoons getapt. Gedurende het onderzoek bleek uit de afgeluisterde gesprekken in combinatie met de paallocaties en het door het team ingestelde onderzoek, dat in dat onderzoek in beeld gekomen personen zich kennelijk tevens bezig hielden met het plegen van insluipingen en (dak)inbraken in onder andere supermarkten. Daarnaast bleek dat de verdachten die in onderzoek 09Boni11 naar voren kwamen, deel uit maakten van een criminele jeugdgroep uit de stad Utrecht waarnaar op 27 september 2011 een onderzoek was gestart onder de naam 09Doega11. Derhalve werd besloten het onderzoek naar deze insluipingen en (dak)inbraken voort te zetten onder de naam 09Doega11.

Modus Operandi

Door het onderzoeksteam 09Doega11 zijn meer dan 20 feiten, gepleegd op locaties verspreid door heel Nederland, in behandeling genomen. Uit het onderzoek naar deze zaken kwam naar voren dat de daders een min of meer vaste werkwijze hanteerden om een inbraak c.q. kluiskraak te plegen. Deze vaste werkwijze, de modus operandi, kenmerkte zich onder meer door een voorverkenning, de insluiting van een mededader, en door de verdere uitvoering van de inbraak.

Voorverkenning:

Uit de afgeluisterde gesprekken, in combinatie met de gegevens voortkomend uit de historische printgegevens en in combinatie met de beschikbaar gestelde beelden van de diverse supermarkten, bleek dat een inbraak over het algemeen voorafgegaan werd door één of meerdere voorverkenningen.

Een voorverkenning werd over het algemeen uitgevoerd door twee tot vier personen. Een voorverkenning was kennelijk bedoeld om te onderzoeken of het betreffende pand geschikt was voor een inbraak c.q. insluiping. Uit de incidenten die door het onderzoeksteam werden onderzocht bleek dat de verdachten bij deze voorverkenning met name op zoek waren naar het magazijn, kennelijk om vast te kunnen stellen waar de alarmkabels van het alarm zich bevonden. Dit gezien het feit dat bij iedere (geslaagde) inbraak de alarmkabels waren gesaboteerd. Daarnaast bleek uit onderzoek van een bij een verdachte in beslag genomen computer dat op de site Google naar diverse supermarkten door heel Nederland was gezocht.

Insluiting:

Nadat een voorverkenning was gedaan vond over het algemeen een insluiting plaats. Eén van de personen liet zich insluiten in de meterkast of magazijnruimte van het betreffende pand. Vervolgens werd door deze persoon gewacht tot de winkel was gesloten en al het personeel van de betreffende winkel het pand had verlaten. Daarna, al dan niet op (telefonische) aanwijzingen van een ander, knipte of zaagde deze persoon de alarmkabels door, kennelijk om te voorkomen dat er een alarm af zou gaan. Gedurende de tijd dat de persoon ingesloten was in het betreffende pand terwijl het personeel daar nog aanwezig was, werd het pand van buitenaf door één of meerdere personen vermoedelijk in de gaten gehouden. Dit is onder meer af te leiden uit diverse telefooncontacten met de ingesloten persoon.

Tevens bleek dat de mededaders veelal op afstand wachtten totdat duidelijk was dat het alarm onklaar was en er kennelijk geen gevaar voor betrapping meer was. Uit de geslaagde inbraken/kluiskraken werd duidelijk dat de ingesloten persoon het pand na het doorknippen van de alarmkabels verliet. Enkele uren later werd de inbraak/kluiskraak dan afgemaakt, waarbij gebruik werd gemaakt van professioneel gereedschap.

Inbraak:

Nadat het alarm was uitgeschakeld en hierop niet door de beveiliging en/of politie werd gereageerd, vond het vervolg van de inbraak plaats. Uit het onderzoek is gebleken dat dit vermoedelijk op de volgende manier gebeurde. De dader die ingesloten was knipte/zaagde de alarmkabels door, kwam uit de meterkast/magazijn ruimte, rende enkele malen door het pand (kennelijk om te onderzoeken of het alarm daadwerkelijk was uitgeschakeld), opende de nooddeur en zorgde dat die van buitenaf te openen was en verliet het pand. Na enkele uren maakten de daders de inbraak af, al dan niet inclusief een (poging tot) kluiskraak. Daarnaast is gebleken dat men tijdens de inbraak kennelijk gebruik maakte van personen die buiten op de uitkijk stonden om de medeverdachten die in het pand met de inbraak bezig waren tijdig te kunnen waarschuwen indien de politie en/of beveiliging ter plaatse zou komen. Voor de communicatie onderling werd daarbij onder andere gebruik gemaakt van portofoons terwijl de mobiele telefoons dan kennelijk waren uitgeschakeld.

Beeldherkenning

In het onderzoek 09Doega11 bevinden zich in de meeste deelonderzoeken processen-verbaal van herkenning van een of meer verdachten die werden herkend van (foto’s van) camerabeelden gemaakt op de plaats delict. In de ‘Aanvulling op het Einddossier’ zijn processen-verbaal van bevindingen opgenomen met daarin een nadere toelichting door de betreffende verbalisanten op de totstandkoming van de herkenningen. Over de herkenningen en de omstandigheden waaronder de herkenningen tot stand zijn gekomen en de wijze waarop processen-verbaal zijn opgemaakt is bij de rechter-commissaris voorts de teamleider van het onderzoek 09Doega11, [getuige 1], als getuige gehoord.

De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de gedane herkenningen gemotiveerd betwist.

De rechtbank overweegt voor wat betreft de betrouwbaarheid van de herkenningen in dit onderzoek als volgt.

De herkenningen betreffen (gezichts)herkenningen van een voor de desbetreffende getuige (in casu: telkens een verbalisant van politie) bekend gezicht. De desbetreffende verbalisanten hebben bij de gedane herkenningen steeds aangegeven dat ze de desbetreffende verdachte uit hoofde van hun werk bij de politie al kenden vóórdat ze de foto’s/bewegende beelden zagen. Ook is aangegeven hoe lang en hoe ze de herkende verdachte kenden.

De rechtbank merkt op dat in het algemeen een bekende herkennen makkelijker is dan een herinnering aan een gezicht verwoorden of een onbekende herkennen. De strenge eisen die aan een (foto)Oslo-confrontatie worden gesteld hoeven dan ook niet in gelijke mate te worden gesteld aan een herkenning van een bekende. Dat neemt echter niet weg dat ook bij herkennen fouten gemaakt kunnen worden en dat zorgvuldig gekeken dient te worden hoe en onder welke omstandigheden een herkenning tot stand is gekomen.

De rechtbank merkt allereerst op dat de waarneming en opslag van informatie in het geheugen in positieve zin wordt beïnvloed door de taak van de waarnemer en datgene wat voor hem/haar interessant is. In casu is die taak telkens de handhaving van de openbare orde en de opsporing, meer in het bijzonder in een of meer specifieke wijk(en) van de stad Utrecht, wijken waar de desbetreffende verdachten woonachtig zijn. In het onderhavige onderzoek worden diverse verdachten bovendien (veelal) door meerdere verbalisanten herkend, zodat deze herkenningen elkaar ook ondersteunen. De herkenningen zijn allemaal gedaan op basis van beelden die aan het dossier zijn toegevoegd.

De rechtbank waardeert het bewijsmiddel ‘proces-verbaal bevindingen, betreffende een beeldherkenning’, voor zover gedaan door een verbalisant die relateert dat hij/zij verdachte ‘kent’ en op beelden herkent, in beginsel dan ook als betrouwbaar. Daar waar door de verdediging een concreet en specifiek verweer ten aanzien van een herkenning is gevoerd zal de rechtbank daar bij het desbetreffende feit nader op in gaan.

Hierna zal de rechtbank, in het kader van hetgeen hierboven is overwogen, de bewijsmiddelen weergeven en nader motiveren waarom zij tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten komt.

Feit 1: 09Hoofddorp

Voorverkenning en herkenning verdachte

Op donderdag 24 november 2011 te 17.45 uur wordt op de Keizer Karelweg in Amstelveen een personenauto van het merk Skoda met kenteken [kenteken] staande gehouden. In de auto zitten vier personen: persoon 1, persoon 2, persoon 3 en verdachte. Ze verklaarden dat ze iemand op gingen halen van Schiphol, ze wisten geen vluchtnummer en aankomsttijd. Tijdens de staandehouding zag de politie in het voertuig een paar handschoenen, zwarte sportschoenen en een zwarte jas liggen.

Nog geen twee uur later (19.43 uur respectievelijk 19.44 uur) komen dezelfde vier personen in twee groepjes van twee de supermarkt Dirk van den Broek te Hoofddorp binnen.

De personen 1, 2 en 3 worden elk door meerdere verbalisanten herkend. Persoon 4 wordt door meerdere verbalisanten herkend als zijnde [verdachte], verdachte. Op de camerabeelden is te zien dat de vier personen elkaar ontmoeten in een gangpad en hier met elkaar staan te praten. Te zien is dat om 19.53 uur persoon 3 en verdachte samen de supermarkt Dirk van den Broek verlaten en dat om 19.56 uur persoon 1 en persoon 2 samen de supermarkt Dirk van den Broek verlaten. Voorts is te zien dat om 20.03 uur persoon 1 en persoon 2 bij de achteringang van het magazijn staan en naar binnen kijken door de geopende deur. Te zien is dat om 20.14 uur persoon 1 en persoon 2 via de achteringang het magazijn van de supermarkt betreden, waarna persoon 1 de deur van de meterkast opent en naar binnen gaat. Te zien is dat persoon 2 blijft wachten tot persoon 1 weer naar buiten komt. Te zien is dat persoon 1 na enige tijd weer naar buiten komt en dat persoon 1 en persoon 2 via de achteringang het magazijn weer verlaten.

[verbalisant 1] herkent de persoon door hem aangeduid als dader 4 als zijnde verdachte. De rechtbank constateert dat de foto’s en beelden op grond waarvan de herkenning is gedaan , scherp zijn en dat verdachte met onverhuld gezicht volledig in beeld is. [verbalisant 1] verklaart dat hij verdachte in het verleden meerdere malen heeft aangesproken, gecontroleerd dan wel aangehouden en dat hij hem op de beelden herkent aan zijn postuur, lichaamshouding en gelaat. Verdachte is ook door meerdere andere verbalisanten ([verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] ) herkend op het beeldmateriaal. De rechtbank acht deze herkenningen betrouwbaar, mede gelet op de samenhang met de andere bewijsmiddelen.

Bezien in verband met de bovenomschreven modus operandi en het feit dat er in de nacht van 26 op 27 november 2011 een inbraak in bovengenoemde supermarkt heeft plaatsgevonden, is de rechtbank op basis van de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden van oordeel dat door verdachte op 24 november 2011 samen met drie andere personen een voorverkenning in de supermarkt Dirk van den Broek is gedaan voor een later te plegen inbraak.

Insluiting, inbraak

Op camerabeelden is te zien dat op 26 november 2011 om 19.33 uur dezelfde persoon 1 en persoon 2 als van de voorverkenning samen met een ander, persoon 5, via de achteringang het magazijn van de supermarkt Dirk van den Broek te Hoofddorp betreden. Op de beelden is te zien dat persoon 1 zich laat insluiten in de meterkast en dat persoon 2 samen met persoon 5, de meterkast kennelijk op slot doet en dat beide personen via de achteringang van het magazijn weer vertrekken.

Uit de aangifte en het onderzoek op de plaats delict is gebleken dat zich in de supermarkt een meterkast bevindt en dat deze meterkast van buitenaf is af te sluiten met een schuif aan de bovenzijde.

Voorts is op de beelden te zien dat persoon 2 en persoon 5 de achteringang van het magazijn betreden en dat persoon 2 een breekijzer onder zijn jas heeft. Te zien is dat persoon 2 en persoon 5 in het magazijn kennelijk worden betrapt door een personeelslid van de supermarkt en dan, na even met het personeelslid gepraat te hebben, vervolgens om 19.41 uur de achteringang van het magazijn verlaten.

Vervolgens is op camerabeelden te zien dat op 27 november 2011 om 00.13 uur een man (persoon 1) de meterkast uitkomt en het magazijn in loopt. Om 2.01 uur opent hij een deur van de achteringang van het magazijn. Te zien is dat om 4.15 uur drie personen in de richting van de achteringang van het magazijn lopen. Zij trekken onderweg daar naar toe handschoenen aan en zetten bivakmutsen op. Tenslotte is op de beelden te zien dat vanaf de achteringang van het magazijn vier personen met een aantal zakken met vermoedelijk daarin de buit weglopen richting de openbare weg.

Op 27 november 2011 deed [aangever 1] namens Dirk van den Broek aangifte van inbraak in de winkel Dirk van den Broek aan de Markenburg 97 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer. Aangever heeft verklaard dat op 26 november 2011 omstreeks 20.45 uur alles in en aan het pand intact en afgesloten was. Het alarm werd geactiveerd en op

27 november 2011 omstreeks 07.15 uur werd ontdekt dat er was ingebroken. Aangever kwam in de winkel en zag een grote ravage. Aan de buitenzijde van het pand was geen braakschade. Aangever vertelt vervolgens wat hij op de veilig gestelde videobeelden heeft gezien. Dit komt overeen met de hierboven vermelde beschrijving van die beelden.

Op zondag 27 november 2011 omstreeks 00.13 uur is een melding binnengekomen van storing in het alarm. Op dat moment is op de videobeelden te zien dat de man die zich had laten insluiten in de meterkast, de meterkast uitkomt. Te zien is dat hij met een soort portofoon door de winkel loopt. Aangever zag dat er in de meterkast een kabel van een telefooncentrale die alarmmeldingen doorgeeft was doorgeknipt. Aangever zag ook dat sirenes van de muur en het plafond waren afgeslagen. Aangever heeft geconstateerd dat alle sigaretten, scheermesjes en batterijen waren weggenomen uit een afgesloten kast, mogelijk geopend met een sleutel. Hij zag dat de deur naar het kaskantoor opengebroken was. Dit is ook op videobeelden te zien. In het kaskantoor was een kast opengebroken, waarin de sleutels lagen van de sigarettenautomaat. Ook is geprobeerd met een sleutel de grote kluis te openen. Er is een camera vernield in het kaskantoor, de kast waar de recorders staan is opengebroken en een computerkast, versterker, terminal en twee routers zijn weggenomen. Een bijlage met de weggenomen goederen is opgenomen in het dossier.

Uit het proces-verbaal van vaststellen identiteit gebruiker telecommunicatie is gebleken dat de aansluiting met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: *7768) voornamelijk gebruikt werd door verdachte. Dit blijkt uit het volgende:

- Uit een tapgesprek blijkt dat de gebruiker van *7768 bij pizzeria [pizzaria] werkt. Verdachte heeft in een eerder verhoor d.d. 31 maart 2011 en ter terechtzitting d.d. 21 september 2012 verklaard, dat hij bij pizzeria [pizzaria] werkt(e).

- De gebruiker van *7768 heeft op 4 december 2011 een sms bericht verzonden dat hij ondertekent met “xx [voornaam verdachte]” .

- Verbalisant [verbalisant 6] relateert in een proces-verbaal van bevindingen dat zij veelvuldig belast is geweest met het beluisteren van de tapgesprekken onder lijn TA09 met nummer *7768. Zij verklaart dat in een groot aantal in haar proces-verbaal met nummer genoemde tapgesprekken de gebruiker [verdachte] of [medeverdachte 1] werd genoemd .

- Tijdens de zoeking op 14 februari 2012 in de woning van verdachte op het adres [adres] te [woonplaats] zijn verschillende telefoons aangetroffen, waaronder een telefoon van het merk Nokia met het IMEI-nummer [IMEI-nummer]. Het telefoonnummer *7768 is in deze telefoon gebruikt .

- De verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant 6] herkennen de stem van de vaste gebruiker van *7768 als de stem van een en dezelfde persoon, bij hen bekend als [verdachte] .

Op 24 november 2011 omstreeks 17.49 uur straalt het nummer *7768 een paallocatie aan in Oude Meer. Dit is in overeenstemming met het tijdstip waarop en de locatie waar verdachte als inzittende van een auto is staande gehouden door de politie. Vervolgens straalt dat nummer diezelfde dag om 18.49 uur en om 19.29 uur paallocaties aan in Hoofddorp

De rechtbank is van oordeel dat bovenstaande feiten erop wijzen dat het telefoonnummer *7768 behoort bij verdachte en dat hij dit nummer reeds op 24 november 2011 in gebruik had. De aanwezigheid van verdachtes telefoon in de buurt van de betreffende paallocaties ondersteunen bovendien de beeldherkenningen.

Op vrijdag 25 november 2011 belt verdachte om 23.03 uur naar een telefoonnummer eindigend op 0017, dat wordt toegeschreven aan persoon 2 . Verdachte zegt tegen *0017 dat hij “die ander” heeft gesproken en dat die niet meer mee wil gaan. *0017 zegt dat hij dat weet en dat het sowieso voor vandaag niet doorgaat. Verdachte zegt daarop dat hij morgen belt . Op 26 november 2011 om 13.20 uur belt verdachte weer naar *0017. *0017 zegt dat hij met “die ander” heeft gesproken en dat die voor 100 procent vandaag niet wil gaan.

Op 26 november 2011 tussen 23.07 uur en 23.29 heeft het telefoonnummer van verdachte, dat zich op dat moment in Utrecht bevindt, vijf maal telefonisch contact met een telefoonnummer eindigend op 3762 (hierna: *3762), dat zich op dat moment in Hoofddorp op de Hannie Schaftstraat bevindt, zijnde in de buurt van de plaats delict. Dit nummer wordt toegeschreven aan persoon 3. Op 27 november 2011 om 0.44 uur heeft het nummer van verdachte nog een keer contact met nummer *3762, dat zich in Hoofddorp bevindt. Vervolgens heeft het nummer van verdachte, dat zich op dat moment nog steeds in Utrecht bevindt, om 1.08 uur telefonisch contact met het nummer eindigend op *5489, dat zich eveneens in Hoofddorp bevindt en wordt toegeschreven aan persoon 5. Om 2.18 uur heeft het nummer van verdachte wederom telefonisch contact met *5489. Dat laatste nummer is op dat moment terug in Utrecht. In de periode 27 november 2011 van 1.08 uur tot 6.19 uur straalt de telefoon van verdachte geen paallocatie aan om vervolgens om 6.19 uur weer in Utrecht aan te stralen op een paallocatie aan de Yokohamadreef. Op diezelfde paallocatie straalt ook *5489 om 6.17 uur aan, na eerder enige uren uit de lucht te zijn geweest.

De auto van verdachte heeft in die nacht om 2.20 uur een overtreding begaan op de A12 Utrecht, richting Den Haag/Amsterdam/’s-Hertogenbosch. Dit ligt op de route van Utrecht naar Hoofddorp.

Naar het oordeel van de rechtbank duiden bovenvermelde bewijsmiddelen erop dat verdachte, behalve bij de voorverkenning, ook bij de feitelijke uitvoering van de inbraak betrokken is geweest en wel zodanig dat van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeplegers kan worden gesproken. Verdachte heeft immers in de nacht van de inbraak verschillende malen telefonisch contact met persoon 3 die ook bij de voorverkenning betrokken was en die zich op dat moment op de plaats delict bevindt en heeft ook diezelfde nacht eenmaal telefonisch contact met persoon 5 op het moment dat deze zich op de plaats delict bevindt. Daarnaast heeft hij in de periode gelegen tussen de voorverkenning en de inbraak telefonisch contact met persoon 2 die eveneens bij de voorverkenning betrokken was en voert met hem een gesprek dat naar het oordeel van de rechtbank gaat over het tijdstip waarop de inbraak zal worden uitgevoerd. Hoewel de telefoon van verdachte in de nacht van de inbraak geen paallocatie in Hoofddorp aanstraalt (zijn telefoon straalt op dat moment helemaal geen paallocaties aan) is wel aannemelijk dat hij die nacht vanuit Utrecht naar de plaats delict is gegaan, gezien de verkeersovertreding die met zijn auto is gemaakt op de route Utrecht-Hoofddorp. Daarnaast straalt zijn telefoon ongeveer gelijktijdig met die van persoon 5 aan op dezelfde mastlocatie in Utrecht, nadat beide telefoons daarvoor enige uren uit de lucht zijn geweest.

Verdachte heeft bij de politieverhoren en tijdens de terechtzitting van 21 september 2012 de gelegenheid gehad om uitleg te geven op vragen over de bovengenoemde bevindingen en verbanden die op zijn betrokkenheid wijzen, maar hij heeft ervoor gekozen om zich te beroepen op zijn zwijgrecht, hoewel naar het oordeel van de rechtbank die bevindingen en verbanden om een uitleg schreeuwen. Onder deze omstandigheden werkt zijn zwijgen tegen hem in die zin, dat verdachte geen enkele andere verklaring heeft gegeven dan de aannemelijke conclusie die de rechtbank uit de feiten en omstandigheden trekt.

Op grond van bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuldig is aan het medeplegen van de inbraak.

Feit 2: 09Hoogvliet

Op 16 december 2011 deed [aangever 2], namens Kruidvat, aangifte van inbraak in het Kruidvat, gelegen aan de Binnenban 20 28 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam.

Zij heeft verklaard dat zij op 14 december 2011 de winkel omstreeks 17.45 uur heeft afgesloten. Op 15 december 2011 kwam zij omstreeks 5.55 uur bij de winkel om deze te openen. Zij zag dat het licht in de winkel aan was en toen zij de deur opende hoorde zij het alarm niet ‘tikken’. Ze zag dat de alarmbel op de grond lag, terwijl deze normaal aan het plafond aan de voorzijde van de winkel zit. Deze was kennelijk van het plafond geslagen. Ze zag dat de deur tussen het magazijn en de winkel open stond. Zij liep om het pand en zag dat de magazijndeur aan de achterzijde van het pand helemaal open stond. Hierop heeft zij de politie gebeld. Zij zag dat de twee kliko’s wegwaren en dat de inhoud ervan op straat lag. Binnen zag zij dat de daders vermoedelijk binnen waren gekomen via de kelder. De kelder zit onder het magazijn. Het viel aangeefster op dat er een steen was verwijderd, vermoedelijk om vanaf de gang met boxen zicht te krijgen op het magazijn. In het magazijn staat een stalen kooi met sigaretten en dure toiletartikelen. Aangeefster zag dat deze kooi was opengebroken en dat er veel goederen waren verdwenen. Verder zag aangeefster dat men geprobeerd had twee kluizen open te slijpen. Enkel de stalen wand was opengeslepen. Aangeefster zag dat in de winkel onder andere parfum, sigaretten en scheermesjes weggenomen waren en dat er een ravage was. De totale waarde van de gestolen goederen is € 20.992,35.

Uit onderzoek aan het alarmsysteem bleek dat de blauwe telefoonkabel van KPN welke het Kruidvat van het alarm voorziet, was doorgeknipt.

Het onderzoek 09Doega11, zoals hierboven omschreven, was al in volle gang ten tijde van de inbraak in het Kruidvat te Hoogvliet in de nacht van 14 op 15 december 2011. De modus operandi was bekend bij het onderzoeksteam.

Er worden telefoons getapt en op 14 december 2011 vindt er een gesprek plaats tussen verdachte (de gebruiker van nummer [telefoonnummer 1], zoals vastgesteld hierboven onder het kopje 09Hoofddorp, pagina 7 van dit vonnis) en de gebruiker van nummer [telefoonnummer 2] (verder te noemen: *0778). De gebruiker van *0778 zegt dat hij iets ‘kankerbelangrijk’ en ‘kankermooi’ heeft. Verdachte vraagt of het iets ‘van boven’ is, waarop *0778 zegt dat het ‘van binnenuit’ is en dat het bij ‘rotje’ is, ongeveer 40 kilometer’.

Het in het kader van het onderzoek getapte telefoonnummer [telefoonnummer 3] (verder te noemen: *0017) straalt op 14 december 2011 vanaf 22.42 uur aan op een mastlocatie te Hoogvliet. Nummer *0017 straalt tot 15 december 8.03 uur in Hoogvliet aan, waarna het nummer zich verplaatst naar Utrecht.

Naar aanleiding van deze gegevens is er onderzoek gedaan naar bedrijfsinbraken te Hoogvliet en is gebleken dat in het Kruidvat te Hoogvliet in de nacht van 14 op 15 december 2011 is ingebroken.

Uit nader onderzoek is gebleken dat het nummer van gebruiker [telefoonnummer 4] (verder te noemen: *5489) zich tezamen met het nummer *0017 verplaatst in de richting van Hoogvliet, alwaar het toestel op 14 december 2011 te 22.18 uur die dag voor het eerst in een mast aanstraalt. Vervolgens gaat de gebruiker van *5489 op 15 december 2011 te 8.32 uur, wederom tegelijk met de gebruiker van *0017, vanuit Hoogvliet terug naar Utrecht.

Het eveneens getapte nummer van verdachte straalt van 14 december 2011 te 20.34 uur tot 15 december 2011 om 6.02 uur geen mast aan. Om 6.02 uur straalt dit nummer weer een mast aan, namelijk op een locatie in Hoogvliet.

Uit diverse tapgesprekken welke plaatsvonden vanaf 11 december 2011 tot en met 14 december 2011 blijkt dat de gebruiker van *0017 contact opneemt met *5489 en bespreekt dat hij gebeld is over morgen. Hierbij wordt gezegd dat zondag te opvallend is. Op 13 december 2011 belt *0017 naar verdachte en zegt dat ze morgen gaan naar de plek waar ze eerst maandag heen zouden gaan. Op 14 december 2011 wordt er in de loop van de ochtend en het begin van de middag gebeld tussen verdachte, *0017 en *5489. In deze gesprekken gaat het over vervoer regelen. Tot ongeveer 21.00 uur vinden er gesprekken plaats waarin de gebruikers van deze nummers afspraken maken om elkaar te treffen waarna hun telefoons diverse mastlocaties aanstralen waaruit blijkt dat ze zich verplaatsen in de richting van Hoogvliet.

De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte en de gebruikers van *0017 en *5489 naar Hoogvliet zijn gegaan en zich op 14 december 2011 van 22.18 uur tot 15 december 2011 7.54 uur hebben opgehouden in Hoogvliet, bij een paallocatie zeer dicht bij de plaats alwaar het Kruidvat gevestigd is.

Op 15 december 2011 om 10.00 uur stralen de drie genoemde telefoonnummers weer een mast in Utrecht aan. Om 10.54 uur vindt er vervolgens een gesprek plaats tussen *5489 en verdachte [verdachte]. *5489 geeft daarin aan verdachte opdrachten om spulletjes in de tas te doen. Verdachte zegt dat hij politie zag en een stukje is gaan lopen en de spullen niet in de tas heeft kunnen doen.

De rechtbank stelt op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen vast dat drie personen, waaronder verdachte, telefonisch contact hebben gehad met elkaar vóór de inbraak en ná de inbraak en in de buurt van het Kruidvat zijn geweest gedurende tijdstippen waarop de winkel voor het gewone publiek gesloten is. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte tezamen met anderen de diefstal met braak heeft gepleegd, temeer nu verdachte geen uitleg heeft willen geven die een ander licht op de zaak zou kunnen werpen.

Feit 3: Criminele organisatie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 3 heeft begaan en heeft hierbij gelet op het volgende.

Naar vaste rechtspraak is een criminele organisatie een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, welke tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Samenwerkingsverband en structuur

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de misdrijven die binnen het onderzoek 09Doega11 zijn onderzocht, gepleegd door een groep van kennelijk goed op elkaar ingespeelde personen die in wisselende samenstellingen deelnemen aan het plegen van die misdrijven. Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een samenwerkingsverband.

De rechtbank verwijst hiervoor allereerst naar hetgeen hierboven onder het kopje “modus operandi” is opgemerkt. Uit de modus operandi blijkt immers dat de inbraken en de pogingen daartoe telkens in nauwe samenwerking tussen de verschillende daarbij betrokken deelnemers worden voorbereid en uitgevoerd. Enkele van deze deelnemers zijn betrokken bij een groot aantal van de door het samenwerkingsverband gepleegde misdrijven en vormen aldus de harde kern. Daarnaast zijn er deelnemers die bij één of enkele misdrijven, gepleegd door dit samenwerkingsverband, betrokken zijn. Gezien het feit dat bij meerdere van deze misdrijven een of meer dezelfde deelnemers betrokken zijn, kan gesteld worden dat het samenwerkingsverband een zekere structuur heeft. Uit het onderzoek blijkt ook dat indien deelnemers aan de uitvoering van een (poging)inbraak zijn verhinderd (09Doetje), er een beroep op anderen gedaan kan worden die de taken dan overnemen.

Zekere duurzaamheid.

Blijkens de respectieve zaaksdossiers dateert het eerste in bedoelde samenwerkingsverband gepleegde feit van medio augustus 2011, en het laatste van begin februari 2012. Het samenwerkingsverband is derhalve ongeveer een half jaar actief geweest, waarmee naar het oordeel van de rechtbank eveneens is voldaan aan het vereiste dat sprake is van een zekere duurzaamheid.

Oogmerk

Dat het oogmerk van het samenwerkingsverband het plegen van diefstallen door middel van braak/verbreking/insluiping is behoeft geen betoog, nu aan dat oogmerk blijkens de respectieve zaaksdossiers veelvuldig uitvoering is gegeven. Voor wat betreft het verwijt dat er tevens sprake was van het oogmerk tot het plegen van het misdrijf van witwassen, merkt de rechtbank het volgende op. Bij meerdere voltooide inbraken is (een aanzienlijke) buit gemaakt. Bij geen van de in het onderzoek 09Doega11 betrokken verdachten is echter enige traceerbare buit aangetroffen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het niet anders kan dan dat de door (de leden van) het samenwerkingsverband gemaakte buit door (een of meerderen van) hen is witgewassen.

Deelname

Volgens bestendige rechtspraak is van deelneming aan een criminele organisatie sprake indien een persoon behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel in de criminele activiteiten daarvan heeft, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het doel van het samenwerkingsverband. Vereist is bovendien dat de deelnemer in zijn algemeenheid weet dat het samenwerkingsverband het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit het feit dat een persoon aantoonbaar betrokken is bij één of meerdere door de organisatie gepleegde misdrijven -die zich kenmerken door een hoge mate van coördinatie en samenwerking bij de uitvoering- voort, dat deze persoon als deelnemer aan de organisatie kan worden aangemerkt. Hij heeft dan immers actief aan de verwezenlijking van het doel van de organisatie bijgedragen. Uit die actieve bijdrage vloeit eveneens voort dat hij op de hoogte is van het oogmerk van de organisatie, temeer nu ten aanzien van elk van de verdachten die deelneming aan de criminele organisatie wordt verweten de betrokkenheid bij méérdere gepleegde feiten bewezen is verklaard.

Voor verdachte geldt dat de rechtbank ten aanzien van hem wettig en overtuigend bewezen acht dat hij heeft deelgenomen aan twee binnen het criminele samenwerkingsverband gepleegde misdrijven. Derhalve heeft hij samen met anderen deelgenomen aan een criminele organisatie. Gelet op voornoemde data waarbinnen het samenwerkingsverband actief is geweest, komt de rechtbank ten aanzien van verdachte tot een bewezenverklaring van de hem ten laste gelegde periode.

In de verfeitelijking van de ten laste gelegde deelname aan de criminele organisatie staan de namen genoemd van andere deelnemers aan die organisatie. De rechtbank zal die namen in de bewezenverklaring overnemen voor zover de rechtbank thans ten aanzien van die andere deelnemer(s) één of meerdere binnen het verband van de organisatie gepleegde misdrijven bewezen acht. Daartoe verwijst de rechtbank tevens naar het in de zaken van deze verdachte(n) heden gewezen vonnis.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

(deelonderzoek 09Hoofddorp)

in de periode van 26 november 2011 tot en met 27 november 2011 te Hoofddorp, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in supermarkt Dirk van den Broek (gelegen aan de Markenburg 97) heeft weggenomen sigaretten en scheermesjes en batterijen en een geldbedrag (ongeveer 9300,- euro) en een versterker en twee routers, toebehorende aan supermarktketen Dirk van den Broek, waarbij verdachte en/of zijn mededaders de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en een valse sleutel (te weten het openbreken van de deur naar het kaskantoor van die supermarkt en braak op een kast in dat kaskantoor en het met een uit dat kaskantoor weggenomen sleutel openen van de automaat met sigaretten);

2.

(deelonderzoek 09Hoogvliet)

in de periode van 14 december 2011 tot en met 15 december 2011 te Hoogvliet tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een Kruidvatwinkel (gevestigd aan de Binnenban 20 28) heeft weggenomen een grote hoeveelheid sigaretten/rookwaar en toiletartikelen en geurartikelen en andere

winkelgoederen (met een totale waarde van ongeveer 21.000 euro), toebehorende aan "Kruidvat", waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door braak, door:

- de toegangsdeur naar de opslagruimte in de kelder van voornoemde (Kruidvatwinkel) te verbreken en

- vervolgens de (beveiligings/alarm)kabel door te knippen en

- vervolgens een stalen kooi met daarin sigaretten en dure toiletartikelen open te breken;

3.

in of omstreeks de periode van 15 augustus 2011 tot en met 14 februari 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door hem, verdachte, en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het plegen van diefstallen door middel van braak/verbreking/insluiping in supermarkten;

- witwassen van (grote) hoeveelheden geld en/of goederen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of een valse sleutel;

Ten aanzien van feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Ten aanzien van feit 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt om vrijspraak.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van twee zeer brutale inbraken in winkels waarbij veel schade is toegebracht en voor een groot bedrag aan goederen is buitgemaakt. De inbraken zijn op geraffineerde en professionele manier uitgevoerd. Verdachte heeft daarmee te kennen gegeven geen enkel respect voor het eigendom van anderen te hebben en zijn eigen materiële wensen boven de belangen van anderen te stellen. Feiten, zoals door verdachte gepleegd, hebben een grote impact op de getroffen eigenaren en het personeel van de winkels en brengen gevoelens van onveiligheid teweeg in de samenleving. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk. Daarnaast heeft verdachte deel uitgemaakt van een criminele organisatie.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door verdachte gepleegde feiten een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, uit oogpunt van genoegdoening aan de slachtoffers en de samenleving, alsook uit oogpunt van generale en speciale preventie.

In de persoon van de verdachte heeft de rechtbank, ondanks zijn nog relatief jonge leeftijd, geen reden voor matiging van de straf gevonden. Verdachte is in het recente verleden reeds veroordeeld voor misdrijven (een bedreiging en een autokraak). Verdachte heeft dus een strafblad en liep zelfs nog in een proeftijd van een deels voorwaardelijke veroordeling waarin hij begeleiding van de jeugdreclassering kreeg. Dat hij desondanks heeft gerecidiveerd werkt niet in zijn voordeel. Hetzelfde geldt voor het feit dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor hetgeen hij heeft gedaan. Hij heeft een berekenende proceshouding aangenomen.

Verdachte heeft geen fulltime dagbesteding en heeft, blijkens zijn houding ter zitting, te kennen gegeven niet echt open te staan voor begeleiding vanuit de reclassering. De rechtbank acht het dan ook niet opportuun en zonde van de daarmee gemoeide gemeenschapsgelden om verdachte desondanks een verplicht reclasseringstoezicht op te leggen, temeer nu eerdere begeleiding niet als resultaat heeft gehad dat recidive achterwege is gebleven. Ook acht de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel met algemene voorwaarden niet aan de orde, gelet op het feit dat een eerdere voorwaardelijke straf verdachte er niet van heeft weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegende acht de rechtbank een straf zoals in het dictum van dit vonnis vermeld gerechtvaardigd en geboden. Deze straf is in overeenstemming met straffen die in soortgelijke zaken en onder vergelijkbare omstandigheden worden opgelegd en wijkt om die reden af van de eis van de officier van justitie.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen goederen verbeurd zullen worden verklaard. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen goederen terug kunnen naar verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de in de bijlage II genoemde in beslag genomen voorwerpen moeten worden verbeurdverklaard, nu de bewezen verklaarde feiten zijn begaan en voorbereid met behulp van deze dan wel soortgelijke voorwerpen. De rechtbank merkt daarbij het volgende op. Het is op basis van het dossier niet mogelijk om met betrekking tot elk onder verdachte in beslag genomen voorwerp concreet te bepalen of het dat specifieke voorwerp is geweest met behulp waarvan het bewezen verklaarde feit is begaan of voorbereid. Gelet evenwel op de vergelijkbare aard van de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, afgezet tegen de wijze waarop de bewezen verklaarde feiten zijn voorbereid en uitgevoerd -waarbij communicatiemiddelen een belangrijke rol hebben gespeeld-, is de rechtbank van oordeel dat de verbeurdverklaring ten aanzien van alle in beslag genomen voorwerpen heeft te gelden.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 20 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van 24 augustus 2010 ten uitvoer zal worden gelegd en zal worden omgezet in een gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en komt derhalve niet toe aan de bespreking van een eventuele tenuitvoerlegging.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. Tot omzetting van de werkstraf in een gevangenisstraf zal de rechtbank niet overgaan, nu daarvoor de wettelijke grondslag ontbreekt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 33, 33a, 140, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of een valse sleutel;

Ten aanzien van feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Ten aanzien van feit 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 5 (bijlage II);

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van de kinderrechter d.d. 24 augustus 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/710943-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 20 uren werkstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en

mr. M.A.E. Somsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 oktober 2012.