Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX9556

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-10-2012
Datum publicatie
09-10-2012
Zaaknummer
16/601040-11 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:9658, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte, die vorig jaar na een politieachtervolging op een 'filefuik' inreed waarbij een slachtoffer overleed, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en tien jaar ontzegging van de rijbevoegdheid. De rechtbank veroordeelt de man voor diefstal, poging tot doodslag op zes agenten, het veroorzaken van een dodelijk ongeval door roekeloos rijgedrag en rijden zonder rijbewijs.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 107
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 132
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2012/99 met annotatie van C.J. van Eekelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601040-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te district [district] (Suriname)

gedetineerd te Penitentiaire Inrichting Utrecht,

Huis van Bewaring locatie Nieuwegein

raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 24 en 25 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander diesel heeft gestolen, waarna hij geweld heeft gepleegd tegen zes verbalisanten door met zijn auto tegen de politievoertuigen van de desbetreffende verbalisanten aan te rijden dan wel deze voertuigen af te snijden en geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] door met hoge snelheid op zijn auto in te rijden waardoor [slachtoffer] is overleden;

Feit 2 primair: opzettelijk [slachtoffer] heeft gedood, door met hoge snelheid in te rijden op de auto waarin die [slachtoffer] zat;

Feit 2 subsidiair: roekeloos, zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig met zijn auto heeft gereden waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij de inzittende van de auto waar hij tegenaan is gereden, [slachtoffer], is overleden;

Feit 3 primair: heeft geprobeerd zes verbalisanten te doden dan wel aan hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met zeer hoge snelheid tegen de politievoertuigen van de desbetreffende verbalisanten aan te rijden dan wel deze voertuigen af te snijden;

Feit 3 subsidiair: zes verbalisanten heeft bedreigd met de dood dan wel met zware mishandeling, door met zeer hoge snelheid tegen de politievoertuigen van de desbetreffende verbalisanten aan te rijden dan wel deze voertuigen af te snijden;

Feit 4: in een auto heeft gereden zonder dat hij over een rijbewijs beschikte.

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

3.2 De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.2.1 Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie in de onderhavige zaak dermate onbehoorlijk heeft gehandeld, dat hij op grond van het zogenaamde Karman-criterium niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vervolgingsrecht. De raadsman baseert zich hierbij -kort gezegd- op de volgende punten, die de rechtbank in vier categorieën heeft gerangschikt:

1. De beslissing om alleen verdachte te vervolgen en af te zien van de vervolging van de verbalisanten, is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het kan niet zo zijn dat daar waar aanvankelijk vele verdachten waren, er maar één wordt vervolgd. Zulks geldt te meer, daar in het onderzoek door de rijksrecherche is vastgesteld dat de verbalisanten op disproportionele wijze hebben gehandeld door de file te creëren waarop verdachte is ingereden.

2. Verdachte is in zijn belangen geschaad door de wijze waarop is omgegaan met de positie van de betrokken verbalisanten. De verbalisanten hebben tijdens de ‘debriefing’ mogelijkheid gehad tot overleg, waardoor zij hun verklaringen op elkaar hebben kunnen afstemmen. Hierdoor zijn feiten verdraaid in de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal. Daarnaast is verdachte tekort gedaan in zijn recht de verbalisanten als getuigen te horen, doordat het openbaar ministerie hen de dag voorafgaand aan hun verhoor bij de rechter-commissaris heeft aangemerkt als verdachte. Ten gevolge daarvan werd de verbalisanten de mogelijkheid geboden om tijdens het verhoor een beroep te doen op hun verschoningsrecht van welke mogelijkheid zij gebruikt hebben gemaakt. Anders dan gebruikelijk is bij verdachten, hebben de verbalisanten voorafgaande aan hun verhoren de gelegenheid gehad om het dossier te lezen.

3. De scheiding der machten is in het geding, nu de staatssecretaris van veiligheid en justitie Fred Teeven zich in de media heeft uitgelaten over deze zaak. Dit kan leiden tot beïnvloeding van de rechterlijke macht door de politiek.

4. Er was geen sprake van een ‘prio 1-situatie’, welke situatie een rechtvaardiging zou moeten vormen voor de achtervolging. Evenmin was sprake van een ambtsinstructie, op grond waarvan het creëren van een file als middel om verdachte aan te houden was toegestaan, noch waren de desbetreffende verbalisanten daartoe opgeleid en geoefend. De achtervolging en het creëren van de daaropvolgende file waren dan ook disproportioneel en in strijd met de subsidiariteit.

3.2.2 Het oordeel van de rechtbank

Gelet op het bepaalde in artikel 359a Wetboek van Strafvordering kan de rechtbank bepalen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Bij de toetsing daarvan dient rekening te worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (het zogenaamde ‘Zwolsman-criterium’) kan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, namelijk indien ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Ingevolge het door de verdediging aangehaalde arrest inzake Karman kan -bij uitzondering- ook indien geen verwijtbaarheid bestaat en verdachte niet daadwerkelijk in zijn belangen is getroffen, plaats zijn voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarvan is sprake, indien ernstige schending is vastgesteld van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt. De Hoge Raad heeft in latere rechtspraak benadrukt dat toetsing aan het ‘Zwolsman-criterium’ voorop staat en een situatie als in het ‘Karman-arrest’ slechts aan de orde is bij ‘handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces en met name met de verhouding openbaar ministerie en rechter, waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt’.

De rechtbank zal het verweer van de verdediging dan ook in dat licht beschouwen.

Voordat de rechtbank overgaat tot beoordeling van het verweer, zal de rechtbank kort de feitelijke toedracht van de zaak (zoals hierna uitgebreid onder 4.3 weergegeven) beschrijven. Verdachte heeft bij een tankstation langs de A2 brandstof getankt zonder te betalen en is in zijn auto weggereden, waarna hij is achtervolgd door aanvankelijk de pomphouder en later meerdere politieauto’s. De politieauto’s hebben stoptekens gegeven aan verdachte en hebben geprobeerd hem te laten stoppen door zijn auto in te sluiten, maar dat heeft er niet toe geleid dat verdachte is gestopt. Hierop heeft de politie een file gecreëerd op de A2 ter hoogte van de afslag Vinkeveen. Verdachte is met zijn auto met hoge snelheid op de file gebotst, waardoor een bestuurder van een auto in die file - de heer [slachtoffer] - is komen te overlijden.

Ad 1.

Iedere vervolging van een verdachte in een strafzaak dient te voldoen aan de beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel. In de onderhavige strafzaak hebben verschillende betrokkenen een rol gespeeld. Tot die betrokkenen behoren verdachte, de verbalisanten die aan de achtervolging van verdachte hebben deelgenomen en de verbalisanten die een rol hebben gespeeld in het creëren van de file. Gelet op de feitelijke toedracht van de zaak, is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte op de desbetreffende dag van een heel andere orde waren dan hetgeen de verbalisanten in reactie daarop hebben gedaan. Van gelijke gevallen is dan ook geen sprake. Dat het openbaar ministerie verdachte vervolgens wel en de verbalisanten niet verder vervolgt, levert derhalve geen schending van het gelijkheidsbeginsel op.

Ad 2.

De omstandigheden zoals onder 2 vermeld, leiden niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De ‘debriefing’ en het als verdachte aanmerken van de verbalisanten een dag voor hun verhoor als getuige, leveren geen verzuim op in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Deze omstandigheden vallen immers niet onder het voorbereidende onderzoek van de strafzaak tegen verdachte. De ‘debriefing’ waaraan verbalisanten hebben deelgenomen had een onderdeel kunnen vormen van het voorbereidend onderzoek, indien deze bijeenkomst tot doel had gehad of ertoe heeft geleid dat de inhoud van de processen-verbaal van bevindingen en de overige door de verbalisanten af te leggen verklaringen, op elkaar zijn afgestemd of feiten zijn verdraaid. De rechtbank is echter van oordeel dat daarvoor geen aanwijzingen bestaan. ‘Debriefing’ is een gebruikelijke gang van zaken na een gebeurtenis als de onderhavige, om in algemene zin het verloop van zaken te bespreken om daaruit lessen te kunnen trekken en om betrokkenen de gelegenheid te bieden emoties met elkaar te delen. Niet gebleken is dat de ‘debriefing’ in dit geval een ander doel had. Tussen de bevindingen en verklaringen van de verbalisanten bestaan bovendien wezenlijke verschillen, hetgeen kan worden gezien als een contra-indicatie voor afstemming en verdraaiing van feiten. Voor zover verbalisanten wel op de hoogte waren van elkaars ervaringen als gevolg van de ‘debriefing’ of het lezen van het dossier, is niet gebleken dat zij hiervan doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte gebruik hebben gemaakt bij het opstellen van hun processen-verbaal.

Ad 3.

De raadsman heeft aangevoerd dat met uitspraken van de heer Teeven over deze zaak de scheiding der machten in het geding is, omdat het oordeel van de rechter door deze uitlatingen zou kunnen worden beïnvloed. Het verweer wordt verworpen. Dat de heer Teeven uitlatingen over deze zaak heeft gedaan, betekent niet dat de verhouding tussen openbaar ministerie en rechter in het geding is noch dat het wettelijk systeem daardoor in de kern wordt geraakt.

Ad 4.

De achtervolging van verdachte, de pogingen zijn auto met behulp van verschillende politievoertuigen in te sluiten en ten slotte het creëren van de file hadden als doel verdachte aan te houden en vormen de opsporingsmiddelen die zijn ingezet naar aanleiding van de brandstofdiefstal en de gedragingen van verdachte die daarop volgden. Bij de beoordeling van deze strafzaak is de vraag aan de orde of bij de inzet van deze middelen sprake is geweest van normschendingen en als daarvan sprake is of deze moeten worden opgevat als een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering, op de wijze als hiervoor weergegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt. Daarom slaagt het beroep op het ‘Karman-criterium’ niet.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de achtervolging van verdachte en de gecreëerde file die daarop volgde, inbreuken hebben gevormd op de fundamentele rechten en vrijheden van verdachte. Dergelijke inbreuken kunnen worden gerechtvaardigd door het feit dat deze een strafvorderlijk doel dienen. In dat geval moeten de inbreuken wel de toets aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit kunnen doorstaan.

De rechtbank constateert op grond van het dossier dat verdachte op heterdaad is betrapt op de diefstal van diesel en dat de pomphouder verdachte vervolgens bijna ononderbroken in het vizier heeft gehouden, waarna de opdracht om verdachte te lokaliseren en aan te houden aan één politie-eenheid is uitgegeven. De melding dat verdachte het stopteken van deze opvallende politie-eenheid negeerde en zijn snelheid juist verhoogde, vormde aanleiding voor de achtervolging van verdachte en de inzet van meer politie-eenheden die met zwaailichten en geluidssignalen verdachte probeerden tot stoppen te manen. Daartoe hebben politie-eenheden de auto van verdachte al rijdende proberen in te sluiten. Verdachte liet blijken dat hij zich niet tot stoppen liet dwingen en reed met hoge tot zeer hoge snelheden voort en botste met zijn auto tegen verschillende politieauto’s aan. Omdat verdachte zich bleef onttrekken aan zijn aanhouding, werden nog meer eenheden ingezet. Over de wijze van achtervolgen door politievoertuigen hebben verschillende burgergetuigen verklaard dat dit er rustig, gecontroleerd en professioneel uitzag. De verbalisanten hebben uiteengezet dat de achtervolging zelf geen gevaar vormde voor de medeweggebruikers, zulks gelet op de brede weg, het heldere weer en het feit dat er op die zaterdagochtend weinig verkeer op de weg was.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de politie in redelijkheid heeft kunnen komen tot de inzet van het middel van achtervolging. Op grond van artikel 2 van de Politiewet mag de politie in het kader van de handhaving van de rechtsorde het nodige doen om verdachte aan te houden. Wat betreft de toepassing van geweld gelden de restricties die in artikel 8 van de Politiewet zijn gesteld. Gelet op het feit dat sprake was van een heterdaadsituatie, dat de verdachte zich bleef onttrekken aan zijn aanhouding en vervolgens met zijn rijgedrag een gevaar vormde voor zijn medeweggebruikers en gelet op het feit dat de politie de achtervolging en de pogingen tot insluiting van verdachte beheerst uitvoerde zodat geen concreet gevaar is ontstaan voor medeweggebruikers, is de geweldstoepassing binnen het kader van artikel 8 van de Politiewet gebleven. Onder de specifieke omstandigheden van dit geval is bij de inzet van het opsporingsmiddel achtervolging voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Ook voor wat betreft het creëren van de file, dient de vraag te worden beantwoord of de politie in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot de inzet van dit middel. Stond dit middel, dat per definitie een groot gevaarzettend karakter in zich draagt voor niet alleen verdachte zelf maar ook voor medeweggebruikers, in redelijke verhouding tot het doel waarmee dit werd ingezet, namelijk om verdachte aan te houden? Was in het licht van die verhouding sprake van een redelijk en gematigd middel? De rechtbank is van oordeel dat het middel van de filevorming gelet op de strafbare feiten waarvan verdachte werd verdacht te gevaarzettend was en om die reden geen rechtvaardiging vormde voor het beoogde doel. Bij het ontstaan van een file bestaat naar algemene ervaringsregels een verhoogd risico op ongevallen. Daar komt bij dat bij het bewust creëren van een file onzeker is hoe een verdachte, die op de vlucht is voor de politie, zal reageren. Dit levert een extra gevaarzettend element op. Afgezet tegen de strafbare feiten waarvan verdachte op dat moment werd verdacht, acht de rechtbank het niet gerechtvaardigd om een dergelijk risicovol middel in te zetten. Het grote risico dat het creëren van een file met zich brengt heeft zich in deze zaak helaas ook daadwerkelijk geopenbaard door het dodelijke verkeersongeval dat heeft plaatsgevonden.

In het dossier is geen eenduidigheid ontstaan over de vraag op welk moment de oproep tot het creëren van een file is gedaan, met name of deze is gedaan voordat verdachte één of meer politieauto’s had geramd of daarna. Echter, ook indien ten tijde van de oproep tot een file bekend was dat verdachte politievoertuigen ramde of had geramd, zou dit naar het oordeel van de rechtbank evenmin een rechtvaardiging vormen voor de inzet van dit middel.

De vraag die eveneens beantwoord dient te worden is of het middel op juiste wijze is ingezet en geen andere middelen voor handen waren om het beoogde doel te bereiken. Ook deze vraag dient naar het oordeel van de rechtbank ontkennend te worden beantwoord. De wijze waarop de file is gecreëerd, heeft bijgedragen aan de gevaarzetting die ervan uitging. De file is gecreëerd op vrij korte afstand van de plek waar de achtervolging zich op dat moment bevond, zodat vanaf dat moment de mogelijkheden om verdachte op andere wijze te laten stoppen dan wel hem een andere richting op te begeleiden, beperkt waren. Verkeersdeskundige bij Rijkswaterstaat, de heer [A], heeft verklaard dat de wijze van het creëren van de file in de gegeven omstandigheden extra gevaarzettend is geweest. Er was immers sprake van een lage verkeersintensiteit en een grote snelheidsterugval op een locatie en tijd waarop die niet te verwachten was. Het signaleringssysteem van de matrixborden is niet in staat om de weggebruikers adequaat en tijdig te waarschuwen voor dergelijke opstoppingen, aldus de deskundige.

Er was bovendien een ander middel dat aangewend had kunnen worden om het beoogde doel te bereiken, te weten de inzet van een helikopter en extra eenheden uit het district Amsterdam. Nu de inzet van de resultaten van de inzet van deze twee alternatieve middelen niet is afgewacht, maar direct is overgegaan tot de inzet van het uiterste middel, het creëren van een file, is daarmee evenmin gehandeld in overeenstemming met het beginsel van subsidiariteit.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de politie niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot filevorming om verdachte aan te houden. De rechtbank ziet het voorgaande als een vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Het voorschrift van artikel 8 van de Politiewet is geschonden waardoor de veiligheid van verdachte en de medeweggebruikers in het geding is gekomen. Door de schending van het voorschrift is een (levens-)gevaarlijke situatie ontstaan voor alle weggebruikers, met ernstige, onherstelbare gevolgen. Alhoewel verdachte zelf een belangrijk aandeel heeft gehad in het ontstaan van de gevaarlijke situatie, heeft het handelen van de politie ook voor hem nadeel opgeleverd.

Met het voorgaande komt de rechtbank echter nog niet tot de vaststelling dat met het creëren van de file een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde is gemaakt dat niet ontvankelijkheid verklaring van het openbaar ministerie op zijn plaats is. Daarvoor is allereerst van belang dat de regelgeving op het punt betreffende het creëren van een file met als doel een verdachte aan te houden niet helder was. Er bestonden ten tijde van het gebeuren in de politieregio Utrecht geen specifieke protocollen, aanwijzingen of anderszins regels ten aanzien van het creëren van een file. In de hectiek van het moment hebben de verbalisanten en de meldkamermedewerkers binnen een kort tijdbestek een afweging moeten maken. Uit de vastlegging van de communicatie tussen de meldkamer en de verbalisanten tijdens de achtervolging en hetgeen de verbalisanten daarover hebben gerelateerd, blijkt niet dat de politie niet te goeder trouw heeft gehandeld. Niet is gebleken dat doelbewust of met grove verontachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

De rechtbank ziet derhalve geen grond om tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het openbaar ministerie over te gaan.

Hierna zal de rechtbank ingaan op de vraag of het nadeel dat door het vormverzuim is veroorzaakt een aanleiding vormt voor bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering.

3.3 Redenen voor schorsing der vervolging

De rechtbank stelt vast dat er geen redenen zijn om de vervolging te schorsen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, alsmede op de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 24 september 2012.

Voor wat betreft feit 2 kan volgens de officier van justitie het primair ten laste gelegde feit, doodslag, wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte heeft een potentieel dodelijke situatie geschapen nog voordat hij op de file inreed. Hij is zonder rijbewijs zijn auto ingestapt, was op dat moment onder invloed van cannabis, hij heeft diverse stopsignalen van de politie genegeerd, is doorgereden ondanks insluiting door de politie, hij is ten minste zes keer ingereden op politieauto’s en heeft politieauto’s afgesneden, hij heeft daarbij veel te hard gereden en hij heeft matrixborden genegeerd. De rapporten van de deskundigen laten zien dat verdachte niet alleen de twee matrixborden van 50, maar ook die van 70 had moeten kunnen zien en dat hij zich aldus op de file heeft moeten kunnen voorbereiden. Hij werd niet zodanig ingesloten door vrachtwagens, dat hem het zicht op de borden werd ontnomen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het rijgedrag voorafgaand aan het ongeval meespeelt bij de beantwoording van de vraag of van voorwaardelijk opzet sprake is en het was dit rijgedrag van verdachte dat tot het fatale gevolg heeft geleid, aldus de officier van justitie. Dat gevolg was ook ingetreden indien de file niet door de politie was gecreëerd, maar ten gevolge van een andere oorzaak was ontstaan. Verdachte heeft aldus willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een medeweggebruiker dood zou rijden.

Voor wat betreft feit 3 kan volgens de officier van justitie eveneens het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte heeft risicovol gehandeld door meerdere keren op politieauto’s in te rijden. Alhoewel het erop lijkt dat hij primair wilde vluchten voor de politie, heeft hij met zijn risicovolle handelen voorwaardelijk opzet gehad op de dood van de agenten. Hij heeft de aanmerkelijke kans hierop bewust aanvaard. De aanmerkelijkheid van die kans volgt uit de hoge snelheid waarmee de aanrijdingen plaatsvonden en het feit dat er meerdere auto’s rondom verdachte reden. De bewuste aanvaarding leidt de officier van justitie af uit het feit dat sprake is geweest van diverse aanrijdingen met politieauto’s.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1. Verdachte heeft weliswaar bij een benzinestation getankt zonder te betalen, maar daarmee is nog geen sprake van diefstal. Verdachte had de brandstof ten tijde van het wegnemen rechtmatig onder zich. Hooguit zou sprake kunnen zijn van verduistering. Dat is echter niet ten laste gelegd. Voor zover de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van diefstal komt, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van diefstal gevolgd van geweld met het in artikel 312 Wetboek van Strafrecht omschreven oogmerk. Immers, het rijgedrag van verdachte, dat door de officier van justitie is omschreven als geweld, ligt daartoe te ver van de diefstal verwijderd. Er was geen sprake van geweld om bij ontdekking op heterdaad de vlucht mogelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren.

Voor wat betreft feit 2, primair ten laste gelegd als doodslag, heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat de file voor verdachte totaal onverwacht kwam. Verdachte reed op een rustig moment van de dag op een zeer brede snelweg. Diverse getuigen verklaren dat het verkeer plotseling tot stilstand kwam. Voor verdachte gold dit des te meer, daar hij tot kort voor de file werd ingesloten door politieauto’s, wat zijn zicht beperkte op wat zich verderop afspeelde. Het tijdig kunnen zien van een en ander, is belangrijk voor de beantwoording van de vraag of opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer] kan worden aangenomen, aldus de raadsman.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat ervan moet worden uitgegaan dat verdachte kort voor de botsing heeft gereden met een snelheid van 99 km/h. Dit betreft de ondergrens van de door de deskundige van het NFI berekende snelheid en als uitvloeisel van de onschuldpresumptie moet worden uitgegaan van het voor verdachte meest gunstige scenario. Deze snelheid valt binnen de maximum toelaatbare snelheid, zodat niet kan worden aangenomen dat de snelheid dusdanig hoog was dat daaruit opzet op de dood kan worden afgeleid.

De deskundige van het NFI heeft daarnaast aan de hand van technisch bewijs niet kunnen concluderen of verdachte heeft geremd of niet. Verdachte heeft verklaard dat hij dit wel heeft gedaan, maar dat hij de file gewoon niet tijdig heeft gezien. [verbalisant 1] heeft bevestigd dat verdachte heeft geremd. Hij heeft verklaard dat hij de remlichten van verdachte zag oplichten. Volgens de raadsman vormt alleen al dit gegeven een rechtvaardiging voor vrijspraak van opzet op de dood. Daarbij komt dat verdachte heeft verklaard dat hij op het laatste moment geprobeerd heeft uit te wijken, hetgeen door verschillende getuigen wordt bevestigd. Dit wijst er eveneens op dat verdachte een aanrijding heeft willen voorkomen.

Ten aanzien van de vraag of verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed was van cannabinoïden, heeft de raadsman aangevoerd dat in het rapport van het NFI wordt vermeld dat bij regelmatige gebruikers een bepaalde gewenning optreedt. Verdachte rookt met enige regelmaat cannabis. Er kan daarom ook niet worden vastgesteld dat de rijvaardigheid van verdachte door mogelijk gebruik van cannabinoïden negatief was beïnvloed.

Met betrekking tot feit 3, primair ten laste gelegd als poging doodslag, heeft de raadsman aangevoerd dat de handelingen van verdachte moeten worden gezien als een reactie op het rijgedrag van de verbalisanten. Op de foto’s van aangever [aangever], zoals getoond op de terechtzitting van 24 september 2012, is te zien dat verdachte door het onopvallende politievoertuig, de grijze Opel Astra, van de weg wordt gedrukt. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat verschillende verbalisanten hebben verklaard dat zij tijdens de insluiting hun snelheid hebben geminderd door het gaspedaal op te lichten. Indien iemand voor je op deze wijze zijn snelheid mindert, is het moeilijk om daarop te anticiperen. Bij het oplichten van het gaspedaal zijn immers geen remlichten zichtbaar. Het aanrijden door verdachte tegen de achterzijde van de desbetreffende politieauto’s, is dan ook zonder opzet gebeurd.

Voor wat betreft feit 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Consequenties vormverzuim voor het bewijs

Gelet op het bepaalde in artikel 359a, eerste lid en onder b, Wetboek van Strafvordering, kan een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek leiden tot bewijsuitsluiting.

Bewijsuitsluiting op die grond kan volgens de Hoge Raad uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal betreft dat door het verzuim is verkregen, en indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

In de onderhavige zaak is met het creëren van de file, waarover de rechtbank heeft geoordeeld dat dit in strijd was met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, geen bewijsmateriaal verkregen. De file was bedoeld als een middel om verdachte te kunnen aanhouden. Er is dus geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs, zodat het geconstateerde verzuim ook niet tot bewijsuitsluiting kan leiden.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank hierna verder ingaan op het bewijs.

Feiten en omstandigheden

Het tanken zonder te betalen

De heer [aangever] heeft als exploitant van het Shell tankstation te [vestigingspaats], gelegen aan de autosnelweg A2, aangifte gedaan van diefstal van diesel op 22 oktober 2011. Hij heeft verklaard dat zijn manager hem de desbetreffende dag omstreeks 09:30 uur wees op een personenauto van het merk Ford Focus, waarvan het kenteken er vreemd uitzag. De bestuurder van de Ford Focus stond op dat moment te tanken. Nadat hij de bestuurder op zijn vreemde kenteken had aangesproken, stapte deze in zijn auto en reed snel weg.

Beeldmateriaal van het tankstation laat zien dat de Ford Focus het kenteken [kenteken] had.

Later onderzoek aan de Ford Focus wijst uit dat de kentekenplaten op deze personenauto over een andere kentekenplaat waren vastgemaakt. Na verwijdering van de buitenste kentekenplaten kwamen kentekenplaten met kenteken [kenteken] tevoorschijn.

Een uitdraai van de RDW d.d. 22 oktober 2011 laat zien dat het kenteken [kenteken] op naam stond van [verdachte], geboren op [1964].

De bestuurder van de Ford Focus had bij het tankstation getankt voor een bedrag van

€ 56,63 aan V-Power diesel.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij na het tanken bij het tankstation is weggegaan zonder te betalen. Voorts heeft hij verklaard dat op dat moment niet in staat was om voor de brandstof te betalen.

De achtervolging

Van de diefstal van de brandstof heeft de heer [aangever] een melding gedaan bij 112.

Vervolgens is de KLPD ingeseind waarbij ook het kenteken is doorgegeven.

[aangever] is daarop zelf in zijn auto gestapt en is de A2 opgereden, achter de weggereden personenauto aan. Ter hoogte van Zaltbommel zag hij de Ford Focus voor zich rijden en heeft hij hem verder gevolgd.

[aangever] heeft verder verklaard dat hij vanaf het moment dat hij de Ford Focus voor zich zag rijden, contact hield met 112. Ter hoogte van Nieuwegein zag hij dat een eerste politieauto de snelweg op kwam. Hij zag dat deze politieauto achter de personenauto van het merk Ford Focus ging aanrijden. Even later zag hij meerdere politieauto’s. Hij zag, terwijl hij achter de Ford Focus aanreed, dat de bestuurder probeerde de politieauto’s van de weg af te drukken. De bestuurder maakte veel bewegingen naar links en naar rechts. Hij ging steeds roekelozer rijden, aldus [aangever].

De zoon van verdachte die bij verdachte in de auto zat op de bijrijdersstoel, [getuige 1], heeft verklaard dat hij zag dat de medewerker van het Shell tankstation op een gegeven moment achter hen aanreed in een BMW. Hij dacht dat zijn vader dit ook zag, omdat zijn vader meermalen in de achteruitkijkspiegel keek. Zijn vader ging van rijbanen wisselen, zo heeft [getuige 1] verklaard. Hij denkt dat zijn vader dit deed met de bedoeling om de BMW af te schudden. Toen de politie achter hen aanreed, versnelde zijn vader. Hij had een snelheid van 140 à 150 kilometer per uur, aldus [getuige 1]. Hij heeft gezien dat meerdere politieauto’s met een ‘Stop Politie’ bord voor en achter hen reden. Ook heeft hij gezien dat zijn vader meerdere politieauto’s heeft geramd. Hij dacht dat zijn vader dit met opzet deed.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij zich als bestuurder samen met verbalisant [verbalisant 3] in het opvallende politievoertuig met oproepnummer 60:40 bevond. Ter hoogte van Nieuwegein heeft hij op de A2 ingevoegd en is hij achter de Ford Focus met kenteken [kenteken] aan gaan rijden. Hij heeft daarop het ‘Stop Politie’ signaal aan de voorzijde van het voertuig aangezet, maar hij zag dat de bestuurder van de Ford Focus daar niet op reageerde. Hij zag op een gegeven moment dat de toegestane snelheid 100 kilometer per uur was, doch dat de snelheidsmeter van het dienstvoertuig een snelheid aangaf van 160 kilometer per uur. Vervolgens zag hij dat vanaf de oprit Maarssen diverse opvallende politieauto’s de A2 opreden en dat er ook een opvallende politiemotor bij de achtervolging aansloot. De snelheidsmeter gaf op dat moment weer 160 kilometer per uur aan. Aangezien de afstand met de Ford Focus gelijk bleef, ging hij ervan uit dat de Ford Focus ook met deze snelheid reed.

Nadat zich een aantal opvallende politieauto’s en één opvallende politiemotor bij hen hadden aangesloten, zag hij dat ze werden gepasseerd door een grijze Opel Astra. Hij zag dat dit ook een politievoertuig betrof, aangezien deze auto het stopbord aanhad op de hoedenplank. Deze auto ging voor de Ford rijden. Collega’s in het opvallende dienstvoertuig met oproepnummer 18:90 gingen op dat moment rechts van de Ford Focus rijden. Zelf bleven zij erachter, aldus [verbalisant 2]. Daarop zag hij dat de bestuurder van de Ford Focus ineens abrupt naar rechts ging en vervolgens tegen het opvallende voertuig van de 18:90 aanbotste. De snelheidsmeter liet op dat moment een snelheid zien van 140 kilometer per uur. Nadat de Opel Astra even naar achteren was gezakt, zag hij dat de Opel de Ford Focus wederom rechts passeerde. Hij zag toen dat de bestuurder van de Ford Focus scherp naar rechts stuurde en de Opel de weg afsneed. Toen de Ford Focus zijn auto passeerde, schrok hij van de houding van de bestuurder. Hij had krampachtig het stuur vast en had alleen maar oog voor de weg.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat hij vervolgens zelf voor de Ford Focus is gaan rijden en voelde hij dat de Ford tegen hun achterkant aanbotste. Hij zag dat ze op dat moment circa 140 kilometer per uur reden. Hij had op dat moment het gevoel dat de bestuurder van de Ford Focus er alles aan zou doen om te ontkomen. In zijn aangifte heeft [verbalisant 2] over de aanrijding tegen zijn voertuig verklaard dat hij in zijn binnenspiegel zag dat de Ford Focus met vaart op hen af kwam rijden. Vervolgens voelde hij dat de Ford Focus tegen hun auto aanzat, waardoor een stuurcorrectie noodzakelijk was om een aanrijding met collega’s dan wel andere weggebruikers te voorkomen.

Verbalisant [verbalisant 3], de bijzitter van [verbalisant 2], heeft in zijn aangifte bevestigd dat zij op een gegeven moment werden geramd door de Ford Focus. Hij voelde daarbij een voorwaartse druk in zijn lichaam. Het was een heftige klap.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft als getuige verklaard dat hij samen met verbalisant [verbalisant 4] in het opvallende dienstvoertuig zat met oproepnummer 18:90. Hij was de chauffeur. Hij heeft verklaard dat zijn voertuig tweemaal door de Ford Focus is geramd. In zijn aangifte heeft hij hierover verklaard dat de Ford Focus op een gegeven moment achter zijn voertuig kwam te rijden. Hij zag toen in zijn binnenspiegel dat de bestuurder van de Ford Focus plotseling zijn snelheid verhoogde en hem toen snel naderde. De Ford Focus is vervolgens vol tegen zijn dienstvoertuig aangereden. Hij kwam recht op hem afgereden en deed geen poging naar links of rechts te gaan, dan wel om te remmen, aldus [verbalisant 1]. Zijn snelheid bedroeg op dat moment 120 kilometer per uur. Toen hij even later rechts naast de Ford Focus reed, zag hij dat de bestuurder in zijn richting keek en direct daarna een forse stuurbeweging maakte in zijn richting. Hij zag dat hij op dat moment 140 kilometer per uur reed. Daarna zag en voelde hij dat de Ford hem aan de zijkant met een harde klap raakte. Hij voelde dat zijn voertuig daarna korte tijd hevig slingerde en hij moest een forse stuur- en remcorrectie uitvoeren om een ongeval te voorkomen.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft het voorgaande in zijn aangifte in grote lijnen bevestigd. Hij heeft daaraan toegevoegd, dat de twee aanrijdingen van de Ford met de politieauto waarin verbalisant [verbalisant 1] en hij zich bevonden niet noodzakelijk waren, aangezien links van de Ford Focus in beide gevallen een berm was zonder vangrail, hetgeen de bestuurder van de Ford vrije ruimte gaf om uit te wijken.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij tijdens de achtervolging in het onopvallende politievoertuig reed, de grijze Opel Astra. Toen hij voor de Ford Focus kwam rijden had hij zijn transparantbord ‘Stop politie’ al aanstaan. Tijdens de achtervolging is hij meerdere keren geramd, dan wel aangereden, aldus aangever. Hij zag in zijn binnenspiegel dat dit werd gedaan door de Ford Focus. Bij de eerste aanrijding zag hij op zijn snelheidsmeter dat hij een snelheid had van ongeveer 160 kilometer per uur. Verdachte had volgens hem geen aanleiding om op dat moment tegen de politieauto aan te rijden, want deze had niet geremd. Er was op dat moment ook ruimte voor de Ford Focus om naar links of rechts uit te wijken. De laatste aanrijding gebeurde met een groot snelheidsverschil. De Ford Focus reed op dat moment achter hem en zag kennelijk kans zijn snelheid te verhogen. Verbalisant [verbalisant 5] heeft verklaard dat hij corrigerende stuurbewegingen moest maken om een aanrijding tussen zijn voertuig en de overige weggebruikers te voorkomen.

Verbalisant [verbalisant 6] heeft als getuige verklaard dat zij samen met [verbalisant 5] in het onopvallende dienstvoertuig zat. Zij heeft bevestigd dat de auto waarin zij zat vier keer is geramd, waarvan de laatste keer het hardst. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat de afstand die zij hielden ten opzichte van de Ford Focus steeds groot genoeg was.

Op basis van de gegevens van het Automatisch Volg Systeem (AVL) waarmee de opvallende politieauto’s zijn uitgerust, is de gemiddelde snelheid van de achtervolgende politieauto’s in kaart gebracht. Op het traject tussen hectometerpaal 55,0 (ter hoogte van Maarssen) en 50,0 (nabij afrit Breukelen) bedroeg deze snelheid gemiddeld ongeveer 138 kilometer per uur. Op het traject tussen hectometerpaal 50,0 en 46,3 was de gemiddelde snelheid ongeveer 150 kilometer per uur en op het traject tussen hectometerpaal 46,3 en 42,7 (waar het ongeval plaatshad) was die gemiddelde snelheid ongeveer 136 kilometer per uur. De toegestane maximum snelheid op deze trajecten was normaal gesproken 100 kilometer per uur.

Verschillende zogenoemde burgergetuigen hebben de achtervolging vanaf een afstand waargenomen. Zij hebben hierover ook verklaringen afgelegd.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij de desbetreffende dag op de A2 richting Amsterdam reed, toen een aantal politieauto’s met zwaailichten hem passeerde. De politieauto’s hadden als het ware een ‘U’ gevormd rondom een donkerkleurige personenauto. Toen deze auto’s hem net gepasseerd waren, zag hij dat de donkere personenauto naar rechts stuurde. In zijn optiek was dit een bewuste actie. Hij zag dat de donkere auto toen ook de politieauto die naast hem reed, raakte. Zowel de politieauto, als de donkere auto begonnen toen te slingeren, aldus getuige [getuige 2]. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft hij bevestigd dat hij zag dat de vluchtauto, de Ford Focus, de politieauto raakte. Het rijgedrag van de bestuurder van de Ford Focus op dat moment zou hij willen typeren als wild. Het was een bewuste actie van hem om uit de fuik te komen. De getuige kon dit goed waarnemen.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat het rijgedrag van de politie tijdens de achtervolging eruit zag als rustig en gecontroleerd. In het midden tussen de politieauto’s in, reden twee personenauto’s, een lichte auto en een donkere Ford Focus. Zij zag dat de Ford Focus probeerde om de lichte auto te duwen.

Getuige [getuige 4] noemde het rijgedrag van de blauwe auto absurd. Hij ging van links naar rechts over de snelweg. Dit ging met hoge snelheid.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de bestuurder was van de Ford Focus en dat hij zag dat er politieauto’s achter hem aanreden. Ook zag hij dat deze auto’s hun ‘Stop Politie’ bord aan hadden staan. Hij wilde echter niet op de snelweg stoppen.

De file en het ongeval

Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment via de portofoon hoorde dat er een file gecreëerd zou worden. Hij zag vervolgens matrixborden boven de weg knipperen en remlichten van auto’s voor hem aangaan. Hij zag dat de file ontstond. Alle politieauto’s reden op dat moment achter de Ford Focus. Vervolgens zag hij dat de Ford Focus achterop een personenauto van het merk Volkswagen reed die stilstond in de file.

De bestuurder van de Volkswagen is ter plaatse overleden. Het letsel tengevolge waarvan het slachtoffer is overleden, past bij hoog energetisch trauma zoals een aanrijding. Het slachtoffer bleek te zijn: [slachtoffer].

In het proces-verbaal van de ritreconstructie staat vermeld dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de A2 ter hoogte van hectometerpaal 42.7, welk gebied deel uitmaakt van de gemeente De Ronde Venen.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft verklaard dat hij de file opeens zag. Na het bericht over de portofoon dat de file gecreëerd zou worden, kwam dit heel abrupt en onverwachts voor hem. Het voertuig waarin hij zat moest hard remmen om een aanrijding te voorkomen.

Verbalisant [verbalisant 7] heeft verklaard dat hij zag dat het voertuig dat vóór de Ford Focus reed, een paar honderd meter voor de file scherp naar rechts reed en op de rechter vluchtstrook stopte. Hij had niet de indruk dat dit politievoertuig de vluchtstrook wilde blokkeren maar dat het meer een paniekreactie was om zelf een aanrijding met de file te voorkomen. Ook zag verbalisant [verbalisant 7] dat het politievoertuig dat links van de Ford Focus reed naar links uitweek en stopte op de linker vluchtstrook, overigens zonder deze vluchtstrook te blokkeren. Hij dacht dat de bestuurder van de Ford de linker vluchtstrook zou kiezen om de file te ontwijken, omdat hij een rijbeweging maakte naar links. Kort hierop zag hij echter dat de bestuurder van de Ford scherp naar rechts stuurde en de file inreed.

Verbalisant [verbalisant 4] heeft ook verklaard dat hij zag dat de Ford Focus op het allerlaatste moment voordat hij de file inreed kleine stuurbewegingen maakte van links naar rechts.

Burgergetuige [getuige 5] heeft verklaard dat het echt zo’n file was van eerst nog rijden en dan ineens stoppen. Toen hij naar de Ford Focus keek dacht hij dat de bestuurder van die auto dat nooit meer zou kunnen beremmen. Hij zag de Ford Focus vervolgens ook een slingerbeweging maken naar links, vermoedelijk met de bedoeling een uitweg te zoeken, maar direct daarna zag hij dat de Ford een slingerbeweging maakte naar rechts en vol op de file inreed.

Bijrijder [getuige 1], zoon van verdachte, heeft over dat laatste moment voorafgaand aan het ongeval verklaard dat hij de file pas op ongeveer 100 meter voor de klap heeft gezien. Toen was hun snelheid dusdanig dat zijn vader onmogelijk zou kunnen remmen om een aanrijding te voorkomen, aldus [getuige 1].

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij erg gefocust was op de weg. Dit had ermee te maken dat hij maar met één oog kan zien waardoor hij met een beperkt gezichtsveld reed. Ook reed er steeds een auto voor hem. Toen deze uitweek, zag hij geheel onverwachts de file. Hij heeft gesmeekt en gebeden dat zijn auto tot stilstand zou komen, maar hij is niettemin op een auto in de file gebotst.

Technisch onderzoek

Forensisch technisch onderzoek met betrekking tot de vraag of de bestuurder van de Ford Focus de matrixborden heeft kunnen zien, heeft het volgende uitgewezen.

Voorafgaand aan het ongeval knipperden op drie portalen de matrixborden. De signalen op de matrixborden van alle drie portalen zijn om 09:55:35 uur in werking getreden. Ter hoogte van hectometerpaal 44.1 knipperden de matrixborden op 70, ter hoogte van hectometerpaal 43.5 knipperden de matrixborden op 50 en ter hoogte van hectometerpaal 42.7, alwaar het ongeval heeft plaatsgevonden, knipperden de matrixborden eveneens op 50. De afstand tussen het portaal met de matrixborden met de aanduiding 70 en de eerste rij matrixborden met de aanduiding 50 bedroeg 657,3 meter. De afstand tussen de twee portalen met matrixborden waarop de aanduiding 50 stond aangegeven bedroeg ongeveer 814,5 meter. Verder is het uitgangspunt dat de borden leesbaar zijn geweest vanaf een afstand van 200 meter.

Onderzoek heeft uitgewezen dat het ongeval heeft plaatsgevonden om 09:57:33 uur. Berekend is dat de bestuurder van de Ford om 09:56:38 uur op een afstand van 300 meter voor de matrixborden met 70 reed en om 09:56:58 op een afstand van 300 meter voor de eerste matrixborden met 50, indien hij met een snelheid heeft gereden van 116 kilometer per uur. Bij een snelheid van 138 kilometer per uur was dat respectievelijk om 09:56:46 uur en om 09:57:04 uur en bij een snelheid van 166 kilometer per uur was dat om respectievelijk 09:56:58 uur en 09:57:09 uur.

Voor wat betreft de aanrijdsnelheid van de Ford Focus ten tijde van het ongeval is deskundige ir. Spek van het NFI op basis van de berekeningswijze van de politie tot een interval gekomen van 99 tot 164 kilometer per uur en op basis van een alternatieve berekening tot een snelheid van 118 tot 166 kilometer per uur.

Rijbewijs

Raadpleging van het register voor afgifte van rijbewijzen heeft laten zien dat er geen rijbewijs is afgegeven voor [verdachte], geboren op [1964]. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij niet over een rijbewijs beschikt.

Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 1

Om tot een bewezenverklaring van diefstal te komen, dient de verdachte het goed te hebben weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening. Dit oogmerk moet op het moment van wegneming aanwezig zijn geweest. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat van dit oogmerk geen sprake was. Hij had diesel getankt en was van plan een betalingsregeling te treffen met de pomphouder omdat hij op dat moment niet de beschikking had over contant geld of een bankpas. Vanwege de wijze waarop hij door de pomphouder werd aangesproken, is hij echter weggereden zonder een betalingsregeling af te spreken, aldus verdachte. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. Vastgesteld kan worden dat verdachte reed met een auto waarop gestolen kentekenplaten waren bevestigd. Deze omstandigheid duidt erop dat verdachte op voorhand de intentie had de benzine weg te nemen zonder te betalen. Door de valse kentekenplaten zou verdachte immers moeilijk te traceren te zijn. De rechtbank acht dan ook diefstal van de diesel bewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat de diefstal in vereniging is gepleegd. Verdachte zat weliswaar tezamen met zijn zoon [getuige 1] in de auto op het moment dat hij tankte zonder te betalen, maar er is geen bewijsmiddel waaruit kan worden afgeleid dat de zoon aan de diefstal een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Het enkele feit dat op de tape waarmee de gestolen kentekenplaten aan de auto waren bevestigd vingerafdrukken zijn gevonden van deze zoon, leidt niet tot het bewijs dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij ook de zoon opzet had op het wederrechtelijk wegnemen van de diesel.

Dan is de vraag aan de orde of verdachte met de verkeersmanoeuvres die hij na de diefstal heeft gepleegd opzettelijk geweld heeft toegepast jegens de verbalisanten en jegens [slachtoffer] én daarbij het oogmerk heeft gehad om de vlucht mogelijk te maken dan wel het bezit van de gestolen diesel te verzekeren.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte met opzet de politievoertuigen heeft geramd, en aldus jegens de verbalisanten opzettelijk geweld heeft toegepast in de zin van artikel 312, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Voor de overwegingen waarop de rechtbank dit oordeel grondt, wordt verwezen naar de overwegingen over feit 3 primair. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of verdachte daarbij het oogmerk heeft gehad om bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken dan wel het bezit van de gestolen diesel te verzekeren.

Ten tijde van het plegen van dit geweld was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een heterdaadsituatie. Pomphouder [aangever], die heeft gesignaleerd dat verdachte diesel heeft getankt zonder te betalen, is direct achter verdachte aangereden en ziet hem korte tijd later rijden op de snelweg A2. [aangever] heeft daarbij steeds contact gehouden de meldkamer. Op zijn aanwijzingen komt de politie vervolgens ook achter de auto van verdachte te rijden en wordt de achtervolging ingezet. Aldus is sprake van vrijwel ononderbroken opsporingsactiviteiten die meteen na de ontdekking van het feit zijn ingezet, zodat naar het oordeel van de rechtbank kan worden gesproken van een situatie van betrapping op heterdaad in de zin van artikel 128 Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank heeft op basis van de bewijsmiddelen niet kunnen vaststellen dat verdachte met dit verkeersgedrag het oogmerk had om het bezit van de gestolen diesel veilig te stellen. Daarvan zal verdachte worden vrijgesproken. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte het geweld heeft gepleegd met het oogmerk om zichzelf de vlucht mogelijk te maken. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de verkeersmanoeuvres die verdachte heeft verricht, kan het niet anders zijn dan dat hij het oogmerk had te ontkomen aan de politie. Zowel zijn bijzitter [getuige 1] als een aantal verbalisanten hebben waargenomen dat hij versnelde op het moment dat hij werd achtervolgd. Daarnaast negeerde hij stoptekens, terwijl hij die volgens zijn eigen verklaring wel heeft gezien. Ook ramde hij de auto’s van de verbalisanten en sneed hij deze af zoals in de bewijsmiddelen weergegeven, hetgeen erop duidt dat hij probeerde deze voertuigen af te schudden. Verdachte was, met andere woorden, alleen maar bezig om uit handen van de politie te blijven.

Het inrijden op de file en het daarmee gepaard gaande dodelijke ongeval is direct gevolgd op de achtervolging. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte dit ongeval opzettelijk (ook niet in voorwaardelijke zin) heeft veroorzaakt. De rechtbank verwijst daartoe naar de overwegingen die hierna over feit 2 primair zijn opgenomen. Nu het inrijden op de auto waarin [slachtoffer] zat op zichzelf gezien niet is aan te merken als opzettelijk toegepast geweld kan ook niet worden geconcludeerd dat dit is toegepast met het oogmerk om de vlucht mogelijk te maken. Verdachte wordt van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken.

Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit, op de wijze als hierna onder bewezenverklaring vermeld.

Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 2

Primair

Primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met hoge snelheid op de auto in te rijden waar voornoemd slachtoffer in zat.

De rechtbank stelt vast dat er geen bewijs is dat verdachte bewust op de auto van het slachtoffer is ingereden met het oogmerk om die persoon om het leven te brengen. Met die constatering is vervolgens de vraag aan de orde of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer].

De Hoge Raad heeft overwogen dat zich in het verkeer situaties kunnen voordoen waarbij moet worden aangenomen dat een verdachte die door zeer gevaarlijk rijgedrag een ongeval met dodelijke afloop heeft veroorzaakt, het slachtoffer van dat ongeval opzettelijk van het leven heeft beroofd in de zin van artikel 287 Wetboek van Strafrecht. Zo’n geval kan zich voordoen indien moet worden aangenomen dat de verdachte zich aan de aanmerkelijke kans dat andere verkeersdeelnemers door zijn gedraging het leven zullen verliezen, willens en wetens heeft blootgesteld, met dien verstande dat hij de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen.

Ten aanzien van het begrip ‘de aanmerkelijke kans’ heeft de Hoge Raad overwogen dat het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. De vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

De rechtbank is van oordeel dat de handelingen zoals in de onderhavige zaak verricht, een aanmerkelijke kans op de dood opleveren. Het met een snelheid van ten minste 99 kilometer per uur op een stilstaande, dan wel langzaam rijdende auto inrijden, heeft onmiskenbaar zulke gevolgen. De kans dat bij een dergelijke botsing een inzittende van de aangereden auto het leven laat, is naar algemene ervaringsregels zonder meer aanmerkelijk te noemen.

De vraag waar het in deze zaak om draait is of verdachte zich bewust is geweest van die kans. Heeft hij de aanmerkelijke kans dat een ander door zijn gedrag het leven zou laten desbewust aanvaard en op de koop toegenomen? De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Voor dit oordeel acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang.

Verdachte werd tijdens de achtervolging op de snelweg omringd door politieauto’s, die afwisselend achter, naast en voor hem reden. Er werd gereden met hoge snelheden op het traject van de laatste twaalf kilometer vóór de plaats van het ongeval. Volgens de AVL-gegevens reden de achtervolgende politieauto’s – en naar redelijkerwijs aan te nemen is ook de auto van verdachte – tussen de 136 en 150 kilometer per uur op dat traject.

Op het moment dat de file is ontstaan, is de signalering op drie portalen van de matrixborden aangegaan. Daarop werd met knipperende signalen een lagere maximum snelheid aangegeven (respectievelijk 70 en 50 kilometer per uur). De rechtbank stelt vast dat verdachte de signalen op de matrixborden heeft kunnen zien, gelet op de omstandigheid dat de matrixborden in werking waren getreden in ieder geval een minuut voordat verdachte ze passeerde. Het dossier bevat echter geen bewijsmiddelen waaruit af te leiden is dat verdachte de signaleringen ook daadwerkelijk heeft gezien en dus -ondanks dat hij zich bewust was van de verlaagde maximum toegestane snelheid op de matrixborden- zijn snelheid niet heeft geminderd. Verdachte heeft zelf altijd ontkend de matrixborden te hebben gezien. Zijn zoon heeft evenmin een verklaring afgelegd waaruit is af te leiden dat verdachte de matrixborden heeft gezien. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte krampachtig zijn stuur vasthield en alleen maar oog had voor de weg.

Nu niet vastgesteld kan worden dat verdachte de signaleringen op de matrixborden heeft gezien, acht de rechtbank het geenszins onaannemelijk dat de file onverwacht voor verdachte is opgedoemd. Er was sprake van een brede snelweg en het was een zaterdagochtend met weinig verkeer op de weg. Het ontstaan van een file is in die omstandigheden in het algemeen onverwacht te noemen. Daarbij komt dat de file is ontstaan net voorbij de afslag Vinkeveen (bezien vanuit het zuiden). Niet ver voor de plaats van het ongeval loopt de snelweg in een bocht omhoog waardoor het zicht op het gedeelte van de snelweg achter de helling (tijdelijk) ontnomen wordt.

Een aantal medeweggebruikers heeft ook verklaard dat het verkeer ineens stilstond en dat ze hard moesten remmen om tijdig tot stilstand te komen. Zelfs voor een aantal verbalisanten, die wisten van de aanstaande file omdat ze daarvan via de portofoon op de hoogte waren gesteld, kwam de file toch erg plotseling waardoor hard geremd moest worden om een aanrijding te voorkomen.

Gelet op de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 2] en [verbalisant 7] zijn de politieauto’s de auto van verdachte op korte afstand blijven achtervolgen tot kort voor de file. Pas op een paar honderd meter voor de file is wat meer afstand genomen van de Ford Focus.

Al deze omstandigheden tezamen brengen de rechtbank tot het oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte zich tijdig bewust is geweest van de veranderde verkeerssituatie voor hem. Nu niet vastgesteld kan worden dat de verkeerssituatie waarmee verdachte werd geconfronteerd door hem tijdig is opgemerkt, is geen sprake van bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat hij door zijn rijgedrag een dodelijk ongeval zou veroorzaken. Voor het aannemen van dergelijk voorwaardelijk opzet zou naar het oordeel van de rechtbank in deze omstandigheden nodig zijn dat verdachte zich tijdig bewust was van het langzaam rijdende verkeer en desalniettemin zijn rijgedrag (hoge snelheid, slingerend rijden) niet heeft aangepast. De omstandigheid dat verdachte voorafgaand aan het ongeval zeer gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond en levensgevaarlijke manoeuvres heeft uitgehaald jegens de verbalisanten, leidt niet tot een ander oordeel. Dat zijn omstandigheden die een rol kunnen spelen in beantwoording van de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er echter ook omstandigheden in deze zaak -zoals hiervoor weergegeven- die juist een contra-indicatie vormen voor het aannemen van voorwaardelijk opzet.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verdachte -zoals hierna te overwegen- roekeloos heeft gereden en dat het dodelijk ongeval aan zijn schuld is te wijten. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde concludeert de rechtbank echter dat opzet op de dood van [slachtoffer] niet bewezen kan worden, ook geen opzet in voorwaardelijke zin.

Subsidiair

Subsidiair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich als bestuurder van een motorrijtuig zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

Op grond van vaste jurisprudentie gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld om het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin .

Vastgesteld kan worden dat het dodelijke ongeval heeft plaatsgevonden en dat verdachte degene is geweest die op de auto van slachtoffer [slachtoffer] is ingereden. Alhoewel de rechtbank niet tot het oordeel is gekomen dat verdachte dit met opzet heeft gedaan, acht zij hiervoor wel schuld in de zin van roekeloos rijgedrag aanwezig. De rechtbank acht de volgende gedragingen van verdachte daarvoor doorslaggevend.

Verdachte was op de snelweg op de vlucht voor de politie en heeft onaanvaardbare risico’s genomen, kennelijk uitsluitend met het doel om te ontkomen aan de achtervolgende verbalisanten. Een aanwijzing daarvoor ziet de rechtbank in de aanrijdingen tussen verdachtes auto en de politieauto’s, die verdachte -naar de rechtbank bewezen acht- opzettelijk heeft veroorzaakt. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen over feit 3 is overwogen.

De matrixborden boven de weg hebben op enig moment maximaal toegestane snelheden van 70 respectievelijk 50 kilometer per uur uitgestraald. Technisch onderzoek heeft uitgewezen dat de matrixborden boven de weg al in werking waren op het moment dat verdachte deze naderde. Verdachte heeft de signaleringen dus kunnen zien en hij had ze ook móeten zien, zodat hij zijn rijgedrag daarop had kunnen aanpassen. Verdachte heeft echter verklaard dat hij enkel lette op de weg direct voor hem en op de verbalisanten zodat hij de matrixborden niet heeft gezien.

Verdachte heeft de maximaal toegestane snelheid in ernstige mate overschreden. Dat kan worden vastgesteld aan de hand van de resultaten van het technisch onderzoek van de politie en het rapport van deskundige ir. Spek van het NFI. De matrixborden in de aanloop naar de file gaven de op dat moment geldende maximum toegestane snelheden aan van 70, respectievelijk 50 kilometer per uur. Verdachte moet op dat traject van ongeveer 1.500 meter gemiddeld ongeveer 136 kilometer per uur hebben gereden gelet op de AVL-gegevens van de achtervolgende politieauto’s. Daarmee heeft hij in de laatste minuten voor het ongeval de op dat moment geldende maximaal toegestane snelheid met tussen de 66 en 86 kilometer per uur overschreden. Dat verdachte nauwelijks heeft geanticipeerd op hetgeen in het verkeer gebeurde, blijkt uit de snelheid waarmee verdachte uiteindelijk op de auto van [slachtoffer] is gebotst. Volgens de meest conservatieve berekeningen was die snelheid ten minste 99 kilometer per uur, maar ir. Spek acht een minimale snelheid van 118 kilometer per uur meer in de rede liggen.

Verdachte heeft roekeloos rijgedrag vertoond door met een -gezien de situatie ter plaatse- veel te hoge snelheid te rijden en uitsluitend bezig te zijn geweest met zijn vlucht voor de politie. Door dit rijgedrag heeft hij niet geanticipeerd op de verkeerssituatie die voor hem was ontstaan en waarvoor hij werd gewaarschuwd via de signaleringen op de matrixborden. Het oordeel dat zijn rijgedrag kan worden aangemerkt als roekeloos, wordt versterkt door het feit dat verdachte niet over een rijbewijs beschikte.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte ten tijde van het ongeval verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, namelijk dat hij zodanig onder invloed was van cannabinoïden, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

In de onderhavige zaak heeft het NFI de dag van het ongeval een bloedmonster van verdachte ontvangen en daarin 0,035 mg/l van een stof genaamd cannabinoïden aangetroffen. Als toelichting op dit resultaat is aangegeven dat internationaal consensus bestaat over de concentratie waarboven nadelige effecten op de rijvaardigheid beginnen op te treden. Die grensconcentratie ligt bij 0,0035 mg/l. Op grond van de concentratie cannabinoiden in het bloed van [verdachte] is door het NFI geconcludeerd dat ten tijde van de bloedafname zijn rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig beïnvloed was. Het NFI heeft tevens aangegeven, dat bij de inschatting van de effecten van de aangetoonde stoffen op de rijvaardigheid is uitgegaan van een gemiddeld individu en een niet-gewende gebruiker.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij al jaren gewoon is om op zeer regelmatige basis cannabis te gebruiken. Dit acht de rechtbank niet zodanig onaannemelijk dat met de mogelijke gevolgen hiervan geen rekening hoeft te worden gehouden. Zonder nader onderzoek kan op grond van voorgaande bevindingen dan ook niet worden vastgesteld in hoeverre de aangetroffen concentratie cannabinoïden invloed heeft gehad op het rijgedrag van verdachte. Gelet op een recent arrest van de Hoge Raad kan op basis van de onderzoeksresultaten van het NFI weliswaar een vermoeden worden aangenomen dat verdachte niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht, maar dit betreft een weerlegbaar vermoeden. Nu concreet verweer is gevoerd op dit punt en de rechtbank niet over nader onderzoek beschikt dat hierover uitsluitsel biedt, kan de rechtbank niet zonder redelijke twijfel bewezen achten dat verdachte door de aangetroffen concentratie cannabinoïden niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

Het voorgaande doet echter niet af aan bewezenverklaring van de hoogste gradatie van schuld aan de dodelijke aanrijding, te weten roekeloosheid.

Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2 zoals subsidiair ten laste gelegd.

Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 3

Primair

Onder 3 is als primair feit poging doodslag op de verbalisanten ten laste gelegd.

Tijdens de achtervolging op 22 oktober 2011 heeft verdachte levensgevaarlijk rijgedrag vertoond jegens de verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 1], [verbalisant 6] en [verbalisant 5]. Op basis van de verklaringen van de verbalisanten en burgergetuigen, alsmede op basis van de verklaring van zijn eigen zoon en bijzitter [getuige 1], kan worden vastgesteld dat verdachte met zeer hoge snelheid reed en dat hij onderwijl forse stuurbewegingen maakte naar elk van de voertuigen waar deze verbalisanten in zaten. Daarbij werden deze voertuigen meermalen flink geraakt.

De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat hij dit met opzet deed. De verklaring van [getuige 1], inhoudende dat hij dacht dat zijn vader dit met opzet deed, vindt bevestiging in de verklaringen van medeweggebruikers. Gezien is dat verdachte de politieauto’s raakte en dat dit eruit zag als een bewuste actie. Ook kan het opzet van verdachte worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van zijn verrichtingen. Hij heeft zijn handelwijze meermalen herhaald. Door de gefocuste en krampachtige wijze waarop verdachte achter zijn stuur zat, bestond bij de verbalisanten bovendien de indruk dat hij tot het uiterste zou gaan om te ontkomen; een indruk die verdachte ter terechtzitting heeft bevestigd door te verklaren dat hij niet van plan was tijdens de achtervolging op de snelweg te stoppen omdat hij de politie niet vertrouwde. Ook was de blik van verdachte duidelijk op verbalisant [verbalisant 1] gericht, alvorens hij de zijwaartse stuurbewegingen maakte richting zijn politievoertuig.

De verklaring van verdachte dat het juist de politievoertuigen waren die hem ramden en dat daarin verbalisanten zaten met getrokken wapens, acht de rechtbank niet aannemelijk. Voor beide stellingen bevindt zich geen steunbewijs in het dossier. Door burgergetuigen is verklaard dat verdachte absurd en wild rijgedrag vertoonde, terwijl het rijgedrag van de politie er rustig en gecontroleerd uitzag.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemd rijgedrag naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Bij een aanrijding met hoge snelheden -in dit geval worden snelheden genoemd van 120, 140 en 160 kilometer per uur- bestaat een aanmerkelijke kans dat één van de bestuurders de macht over het stuur verliest. Indien dat gebeurt, is op zijn minst een aanmerkelijke kans aanwezig dat bij een dergelijke aanrijding dodelijke slachtoffers vallen. Verdachte heeft deze kans bewust aanvaard. Ook na de eerste aanrijding is hij met hoge snelheid blijven rijden en heeft hij de manoeuvres jegens de verbalisanten meermalen herhaald. Dat er geen ernstige ongelukken met de verbalisanten zijn gebeurd, is te danken aan de goede rijvaardigheid van de verbalisanten en hun vermogen adequaat te reageren op het rijgedrag van verdachte.

Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, is de rechtbank dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 3 ten laste gelegde feit op de wijze als hierna onder bewezenverklaring vermeld.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 22 oktober 2011 te Bruchem en/of in het arrondissement Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen V-power diesel voor een bedrag van 56.63 euro, toebehorende aan een Shell tankstation, gelegen aan de autosnelweg A2, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen

- [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (politieambtenaren);

- [verbalisant 4] en [verbalisant 1] (politieambtenaren);

- [verbalisant 6] en [verbalisant 5] (politieambtenaren);

gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de

vlucht mogelijk te maken,

welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte als bestuurder van een personenauto

- met zeer hoge snelheid tegen de achterzijde van de auto van die [verbalisant 2] en [verbalisant 3] is aangereden;

- met zeer hoge snelheid tegen de achterzijde van de auto van die [verbalisant 4] en [verbalisant 1] is aangereden;

- met zeer hoge snelheid onverwachts heeft gestuurd in de richting van de auto van die [verbalisant 4] en [verbalisant 1] en daarbij die auto heeft geraakt;

- met zeer hoge snelheid de auto van die [verbalisant 6] en [verbalisant 5] heeft afgesneden;

- met zeer hoge snelheid meerdere malen tegen de achterzijde van de auto van die [verbalisant 6] en [verbalisant 5] is aangereden;

2.

Subsidiair

op 22 oktober 2011 te gemeente De Ronde Venen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmee rijdende over de snelweg A2,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos,

- terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs; en

- na een achtervolging op de snelweg door meerdere politieauto’s waarbij meerdere aanrijdingen hadden plaatsgevonden tussen de auto waarin verdachte reed en een aantal van de politievoertuigen; en

- met in ernstige mate overschrijding van de op dat moment ter plaatse geldende maximumsnelheid; en

de door hem bestuurde personenauto niet tot stilstand te brengen binnen de

afstand waarover de weg vrij was, waardoor verdachte hard is ingereden op een aldaar langzaam rijdende, dan wel stilstaande auto, waardoor de inzittende van die auto, te weten [slachtoffer], is komen te overlijden;

terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

3.

Primair

op 22 oktober 2011 in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

- [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (politieambtenaren);

- [verbalisant 4] en [verbalisant 1] (politieambtenaren);

- [verbalisant 6] en [verbalisant 5] (politieambtenaren);

van het leven te beroven, met dat opzet, als bestuurder van een personenauto

tijdens een achtervolging van hem, verdachte, door onder meer voornoemde

politieambtenaren,

- met zeer hoge snelheid tegen de achterzijde van de auto van die [verbalisant 2] en [verbalisant 3] is aangereden;

- met zeer hoge snelheid tegen de achterzijde van de auto van die [verbalisant 4] en [verbalisant 1] is aangereden;

- met zeer hoge snelheid onverwachts heeft gestuurd in de richting van de auto van die [verbalisant 4] en [verbalisant 1] en daarbij die auto heeft geraakt;

- met zeer hoge snelheid de auto van die [verbalisant 6] en [verbalisant 5] heeft afgesneden;

- met zeer hoge snelheid meerdere malen tegen de achterzijde van de auto van die [verbalisant 6] en [verbalisant 5] is aangereden;

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4.

op 22 oktober 2011, te Bruchem en in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, heeft gereden op de weg, de snelweg A2, zonder dat aan hem

door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van

motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

Feit 2 subsidiair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overtreden

Feit 3 primair: poging tot doodslag, meermalen gepleegd

Feit 4: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Bij de stukken van het dossier bevindt zich een pro justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 24 augustus 2012. Hierin wordt -kort gezegd- vermeld dat verdachte zijn medewerking heeft geweigerd aan het multidisciplinaire onderzoek. De observaties tijdens het verblijf in het Pieter Baan Centrum hebben evenmin voldoende materiaal opgeleverd om tot een diagnose te komen. Over een eventuele gebrekkige ontwikkeling dan wel ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het ten laste gelegde kunnen daarom geen uitspraken worden gedaan.

Gelet op het voorgaande is niet gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, zodat hij volledig strafbaar is voor zijn daden.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien (10) jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie geëiste straf te hoog is, ook als toegekomen wordt aan een bewezenverklaring van doodslag in het verkeer. De eis staat in zijn visie niet in verhouding tot straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Voorts heeft hij zich verzet tegen het standpunt van de officier van justitie dat verdachte lang gestraft moet worden, omdat door de weigerachtige houding van verdachte medewerking te verlenen aan persoonlijkheidsonderzoeken, geen diagnose is gesteld, noch een behandeling is geadviseerd. Nu niet via de weg van een behandeling zal worden gewerkt aan het verkleinen van de kans op recidive, dient de maatschappij langer tegen verdachte beschermd te worden, aldus de officier van justitie. De raadsman is van mening dat deze wijze van redeneren alleen gevolgd kan worden ingeval van ernstige geweldsdelicten van andere orde, alsmede in geval van zedendelicten, waarbij sprake is van een groot recidivegevaar. Daarvan is in dit geval geen sprake. Indien de officier wenst te voorkomen dat verdachte opnieuw als bestuurder van een motorrijtuig zal deelnemen aan het verkeer, zijn daartoe andere methoden beschikbaar, aldus de raadsman.

Voorts dient volgens de raadsman meer rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte op dit moment. Hij heeft zelf aan het ongeval ook de nodige klachten overgehouden, waaronder zijn rolstoelafhankelijkheid. Zijn situatie is gedurende zijn verblijf in de penitentiaire inrichting in Nieuwegein dusdanig achteruit gegaan, dat geconcludeerd kan worden dat de medische zorg daar ontoereikend is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Consequenties vormverzuim voor de straf

Gelet op het bepaalde in artikel 359a, eerste lid en onder a, Wetboek van Strafvordering, kan de rechtbank in geval van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek bepalen dat de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd.

De rechtbank is van oordeel dat het creëren van de file teneinde verdachte aan te houden een ernstig vormverzuim is. Door de politie is een gevaarzettend middel ingezet, dat tot ernstige gevolgen heeft geleid. De ernst bestaat met name daarin dat door het creëren van de file het leven van de medeweggebruikers, waaronder dat van [slachtoffer] en van verdachte, ernstig in gevaar is gebracht. Zij hebben hierdoor een groot nadeel ondervonden.

Door de wijze waarop verdachte naar de file toe is geleid, heeft ook hij nadeel ondervonden. De achtervolgende politieauto’s, die zowel achter, naast als voor hem reden, hebben verdachtes auto pas in een laat stadium ‘los’ gelaten. Dit heeft de mogelijkheden van verdachte om te anticiperen en vervolgens te reageren op de file beperkt. Gelet echter op de hoge mate van eigen schuld van verdachte in het ontstaan van de aanrijding ziet de rechtbank geen aanleiding verdachte te compenseren voor het nadeel dat het vormverzuim hem heeft opgeleverd. De rechtbank zal daarom niet overgaan tot strafverlaging op deze grond. De rechtbank volstaat dan ook met constatering van het vormverzuim.

Overwegingen met betrekking tot de op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten.

De ernst van zijn handelen is bovenal gelegen in het nietsontziende rijgedrag van verdachte. Met zijn rijgedrag heeft hij er blijk van gegeven dat hij koste wat kost wilde ontkomen aan de politie. Hij heeft zich daarbij weinig gelegen laten liggen aan de verkeersveiligheid van zijn medeweggebruikers. Meerdere politievoertuigen hebben hem ‘Stop Politie’ borden getoond, optische en geluidssignalen laten zien en horen en hebben hem geprobeerd in te sluiten om hem aldus vaart te laten minderen. Verdachte heeft daaraan geen gehoor gegeven. Daarentegen heeft hij over een lengte van 25,4 kilometer gedurende circa 9 minuten geprobeerd aan de politie te ontkomen. Daarbij heeft hij met snelheden van 120 tot 160 kilometer per uur drie politieauto’s geramd, waarvan sommige meerdere keren. Het leven van in totaal zes verbalisanten heeft hij daarmee in gevaar gebracht. Deze verbalisanten hebben daadwerkelijk gevreesd voor hun leven.

Toen uiteindelijk de file over de volledige breedte van de snelweg stond, heeft hij daar niet tijdig op gereageerd doordat hij roekeloos met veel te hoge snelheden bezig was om de politie van zich af te schudden. De daardoor ontstane aanrijding had een dodelijk slachtoffer tot gevolg. Een jonge man, die zijn leven nog voor zich had, is overleden, enkel omdat verdachte wilde ontkomen aan de politie en geen oog had voor het overige verkeer. Daarmee heeft verdachte de familie van het slachtoffer onherstelbaar leed aangedaan. Uit de slachtofferverklaring van de nabestaanden blijkt dat het voor hen onverteerbaar is dat verdachte elke verantwoordelijkheid voor het ongeval buiten zichzelf legt, de schuld daarvoor aan de politie geeft en geen enkel teken van medeleven heeft getoond.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat het ondoordachte en roekeloze handelen tot zo’n fataal gevolg heeft geleid. Voorts weegt de rechtbank in zijn nadeel dat hij op geen enkel moment heeft stilgestaan bij de gevolgen van zijn daden voor de andere weggebruikers. Hij was enkel bezig om zijn eigen hachje te redden. Ook achteraf toont hij geen enkele reflectie op hetgeen hij heeft gedaan en wijst hij slechts op de rol die de politie in het geheel heeft gespeeld.

Juridisch vertaald heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal gevolgd van geweld jegens de hem achtervolgende verbalisanten, heeft hij zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op verbalisanten en heeft hij zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij de inzittende van het voertuig waartegen hij aan is gereden om het leven is gekomen. Dit alles heeft hij gedaan zonder dat hij over een rijbewijs beschikte.

Voor voornoemde feiten volstaat naar het oordeel van de rechtbank geen andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS . Op basis van deze oriëntatiepunten geldt voor het veroorzaken van een dodelijk ongeval door roekeloos rijgedrag in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank heeft bij de strafoplegging de strafverzwarende omstandigheid in aanmerking genomen dat verdachte vlak voor het dodelijk ongeval de maximum snelheid in ernstige mate heeft overschreden. Deze strafverzwarende omstandigheid is neergelegd in artikel 175, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Voorts hebben de gevaarzettende manoeuvres van verdachte jegens de verbalisanten strafwaardig handelen opgeleverd zowel in het kader van de diefstal met geweld als in de vorm van poging doodslag, meermalen gepleegd.

Naast een langdurige gevangenisstraf is naar het oordeel van de rechtbank ook het opleggen van een zeer langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid aan de orde met name omdat verdachte zijn auto als geweldsinstrument heeft ingezet jegens de verbalisanten en voor de overige weggebruikers zeer gevaarzettend rijgedrag heeft getoond. Daarbij komt dat hij nooit een rijbewijs heeft gehaald en uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat verdachte reeds veelvuldig is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten en rijden zonder rijbewijs. Hij heeft ook langdurige gevangenisstraffen uitgezeten. In het reclasseringsrapport dat omtrent verdachte is opgemaakt wordt ten aanzien van het delictgedrag van verdachte vermeld dat de kans op recidive hoog is.

Er zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die strafverlagend kunnen werken. Tijdens de persoonlijkheidsonderzoeken heeft verdachte weinig tot geen inzicht gegeven in zijn denken, emoties en handelen. In het reclasseringsrapport wordt weliswaar vermeld dat verdachte problemen heeft op meerdere leefgebieden, maar voor hulp, met name als het om gedragsbeïnvloeding gaat, staat verdachte volgens het rapport niet open. Hij is ervan overtuigd dat hij geen problemen op psychisch vlak heeft. Probleemsituaties worden door hem ontkend of geëxternaliseerd, zo ook de situaties die tot eerder delictgedrag hebben geleid. Ten aanzien van de onderhavige zaak heeft hij ontwijkende antwoorden gegeven. De schuld van het dodelijke ongeval schuift hij op de politie af. Verdachte neemt derhalve geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden.

Alles overziende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en de maximaal op te leggen ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien jaar passend en geboden.

Deze uitkomst valt lager uit dan de straf die de officier van justitie heeft geëist. Een belangrijke reden hiervoor is, dat zij andere uitgangspunten hanteert. Anders dan de rechtbank is de officier van justitie uitgegaan van een bewezenverklaring van feit 2 primair, te weten doodslag. Nu de rechtbank dit niet bewezen acht, maar verdachte veroordeelt voor het veroorzaken van een dodelijk ongeval door roekeloos rijgedrag in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, valt de straf lager uit dan de straf die door de officier van justitie is gevorderd. In het verlengde hiervan zal de rechtbank het feit dat verdachte is ingereden op de auto van [slachtoffer] niet opvatten als een onderdeel van het geweld dat verdachte heeft toegepast om na de diefstal van de diesel te kunnen ontvluchten. Dat heeft de officier van justitie bij het formuleren van haar eis wel gedaan. Voorts heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van het onderdeel dat hij onder invloed was van cannabinoïden waardoor de rijvaardigheid zou zijn verminderd, omdat de rechtbank van oordeel is dat daarvoor in het dossier niet voldoende objectieve gegevens voorhanden zijn. Tenslotte heeft de rechtbank het feit dat verdachte niet wilde meewerken met de rapportage in het PBC niet als strafverzwarend argument overgenomen.

Gelet op de strafoplegging voor de diefstal met geweld, het roekeloos rijgedrag en de pogingen tot doodslag, ziet de rechtbank aanleiding om voor het rijden zonder rijbewijs, dat geen misdrijf maar een overtreding vormt, geen separate straf of maatregel op te leggen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partijen [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 1] vorderen elk afzonderlijk een schadevergoeding van € 2.658,-- voor feit 3.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.000,-- voor iedere benadeelde partij een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, ter zake van immateriële schade. Zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van die schade.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade acht de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De gevorderde materiële schade betreft de kosten van rechtsbijstand. Ten aanzien van deze proceskosten heeft de Hoge Raad bepaald dat door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in artikel 592a Wetboek van Strafvordering in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge het bepaalde in artikel 361, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering in het vonnis dient te worden opgenomen.

De rechtbank ziet aanleiding deze proceskosten te halveren tot een bedrag van € 579,--, gelet op het feit dat de raadsvrouw van de benadeelde partijen in zes gelijksoortige zaken een vordering van dezelfde strekking heeft ingediend. Voornoemd bedrag komt de rechtbank onder die omstandigheid redelijk voor. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verdachte de proceskosten tot aan voormeld bedrag voor elk van de genoemde benadeelde partijen dient te voldoen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [verbalisant 6] vordert een schadevergoeding van € 3.715,-- voor feit 3.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.516,20 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 16,20 ter zake van materiële schade en € 1.500,-- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De overige gevorderde materiële schade betreft de kosten van rechtsbijstand. Ten aanzien van deze proceskosten heeft de Hoge Raad bepaald dat door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in artikel 592a Wetboek van Strafvordering in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge het bepaalde in artikel 361, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering in het vonnis dient te worden opgenomen.

De rechtbank ziet aanleiding deze proceskosten te halveren tot een bedrag van € 579,--, gelet op het feit dat de raadsvrouw van de benadeelde partij in zes gelijksoortige zaken een vordering van dezelfde strekking heeft ingediend. Voornoemd bedrag komt de rechtbank onder die omstandigheid redelijk voor. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verdachte de proceskosten tot aan voormeld bedrag voor elk van de genoemde benadeelde partijen dient te voldoen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [verbalisant 5] vordert een schadevergoeding van € 3.658,-- voor feit 3.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.500,-- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De gevorderde materiële schade betreft de kosten van rechtsbijstand. Ten aanzien van deze proceskosten heeft de Hoge Raad bepaald dat door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn te rekenen tot de proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in artikel 592a Wetboek van Strafvordering in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven, die ingevolge het bepaalde in artikel 361, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering in het vonnis dient te worden opgenomen.

De rechtbank ziet aanleiding deze proceskosten te halveren tot een bedrag van € 579,--, gelet op het feit dat de raadsvrouw van de benadeelde partij in zes gelijksoortige zaken een vordering van dezelfde strekking heeft ingediend. Voornoemd bedrag komt de rechtbank onder die omstandigheid redelijk voor. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verdachte de proceskosten tot aan voormeld bedrag voor elk van de genoemde benadeelde partijen dient te voldoen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 62, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175, 177, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken;

Feit 2 subsidiair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overtreden

Feit 3 primair: poging tot doodslag, meermalen gepleegd

Feit 4: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Ten aanzien van feit 1, 2 subsidiair en 3 primair:

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes (6) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Ten aanzien van feit 4:

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Ten aanzien van feit 3 primair:

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van tien (10) jaren;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 2] van € 1.000,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van die schade op 22 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt tot een bedrag van

€ 579,--;

- verklaart de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand, voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 2], € 1.000,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 3] van € 1.000,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van die schade op 22 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt tot een bedrag van

€ 579,--;

- verklaart de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand, voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 3], € 1.000,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 4] van € 1.000,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van die schade op 22 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt tot een bedrag van

€ 579,--;

- verklaart de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand, voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 4], € 1.000,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 1] van € 1.000,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van die schade op 22 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt tot een bedrag van

€ 579,--;

- verklaart de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand, voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 1], € 1.000,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 6] van € 1.516,20, waarvan € 16,20 ter zake van materiële schade en € 1.500,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van die schade tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt tot een bedrag van

€ 579,--;

- verklaart de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand, voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 6], € 1.516,20 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 5] van € 1.500,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van die schade op 22 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt tot een bedrag van

€ 579,--;

- verklaart de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand, voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [verbalisant 5], € 1.500,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 oktober 2012.