Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX9060

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
16-711317-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging zware mishandeling. Mishandeling bewezen verklaard. Verwerping beroep op noodweer exces. Veroordeling tot werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16-711317-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman: mr. M.G. van Westrenen, advocaat te Hilversum.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 30 mei 2011 te Utrecht

Feit 1 primair:

heeft geprobeerd om [aangever 1] opzettelijk zwaar te mishandelen;

Feit 1 subsidiair:

[aangever 1], voornoemd, heeft mishandeld;

Feit 2:

die [aangever 1] heeft bedreigd met de dood, althans met zware mishandeling.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken omdat hij geen opzet heeft gehad om [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Daarnaast dient verdachte volgens de verdediging van feit 2 te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

[aangever 1] zag op 30 mei 2011 dat een man zijn woning aan [adres] te Utrecht binnenliep. De man viel [aangever 1] in de woonkamer aan waardoor [aangever 1] achterover op de bank viel. De man pakte [aangever 1] van achteren vast in een wurggreep. Daarbij voelde [aangever 1] de arm van de man om zijn nek .

Op 9 juni 2011 heeft geneeskundige A. de Jong bij [aangever 1], voornoemd, een blauwe plek op de linker oogkas waargenomen .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 30 mei 2011 de woning van [aangever 1] aan [adres] in Utrecht is binnengelopen. Verdachte raakte daar in een worsteling met [aangever 1] waardoor zij beiden op een bank terecht kwamen. Vervolgens hield verdachte [aangever 1] vast met een arm om diens nek. [aangever 1] beet toen in de vingers van verdachte waarna verdachte [aangever 1] met een vuist in het gezicht heeft gestompt .

4.3.2. De vrijspraken

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank concludeert op grond van hetgeen in 4.3.1 is opgenomen dat verdachte eenmaal met gebalde vuist in het gezicht van [aangever 1] heeft geslagen en [aangever 1] in een nekklem heeft vastgehouden. De overige onderdelen van het onder 1 tenlastegelegde acht de rechtbank niet bewezen omdat daarvoor geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn dan de verklaring van aangever [aangever 1]. Het eenmalig met gebalde vuist slaan van [aangever 1] en hem in een nekklem vasthouden brengt, naar het oordeel van de rechtbank, niet met zich dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

[aangever 1] heeft verklaard dat verdachte heeft geroepen: “Je moet mijn moeder met rust laten, kankerhomo’s” en “Dit is nog niet alles, je bent nog niet van mij af”. Verdachte heeft steeds ontkend dat hij deze woorden tegen [aangever 1] heeft gezegd. Volgens verdachte is hij naar [aangever 1] toe gegaan om met hem over een incident te praten dat eerder die dag tussen [aangever 1] en zijn buurvrouw, de moeder van verdachte, had plaatsgevonden. Zijn komst in de woning van [aangever 1] had niets met de seksuele geaardheid van [aangever 1] te maken.

Naast de aangifte bevat het dossier geen aanknopingspunten dat verdachte voormelde geciteerde woorden tegen [aangever 1] heeft gezegd. Nu het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de opgave van enkel één getuige, zal de rechtbank verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit vrijspreken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 subsidiair

op 30 mei 2011 te Utrecht opzettelijk mishandelend

- [aangever 1] met gebalde vuist in het gezicht heeft gestompt en

- die [aangever 1] in een nekklem heeft vastgepakt,

waardoor voornoemde [aangever 1] letsel heeft bekomen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

1 subsidiair: Mishandeling.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1 primair en 1 subsidiair betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte uit noodweerexces heeft gehandeld, omdat toen verdachte door aangever in zijn vingers werd gebeten dit leidde tot een hevige gemoedsbeweging.

Verdachte heeft [aangever 1] in zijn woning opgezocht om te praten over een incident tussen [aangever 1] en de moeder van verdachte dat eerder op die dag had plaatsgevonden. De voordeur van [aangever 1] stond open en verdachte is zonder toestemming van [aangever 1] diens woning binnengegaan. Volgens [aangever 1] kwam verdachte recht op hem aflopen met een boze blik in de ogen. Verdachte en [aangever 1] zijn met elkaar in een worsteling geraakt waarbij zij op een bank terecht kwamen. Vervolgens hield verdachte [aangever 1] vast in een nekklem waarna [aangever 1] hem in de vingers beet. Verdachte heeft [aangever 1] in een reactie hierop een vuistslag in zijn gezicht gegeven.

De gedragingen van verdachte voordat hij door [aangever 1] in zijn vingers werd gebeten staan in de weg aan het slagen van het beroep op noodweerexces. Het initiatief om een confrontatie aan te gaan lag bij verdachte. Door onverwacht de woning van [aangever 1] binnen te gaan en hem voorts in zijn eigen woning in een nekklem vast te houden heeft verdachte zich willens en wetens in een situatie gebracht waarin een agressieve reactie van aangever, in dit geval een beet in de vingers van verdachte, te verwachten viel.

Het verweer wordt verworpen.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen 4 weken voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 3 jaren en een werkstraf van 120 uren.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd voor een eenvoudige mishandeling, ook niet indien de rechtbank de onder 2 ten laste gelegde bedreiging eveneens bewezen acht. Daarnaast heeft hij erop gewezen dat bij de straftoemeting rekening dient te worden gehouden met de volgende omstandigheden. Verdachte heeft geen strafblad en draagt de zorg voor zijn vijf kinderen. Hij heeft [aangever 1] opgezocht vanwege diens pesterijen jegens de moeder van verdachte en niet vanwege diens seksuele geaardheid. Voorts dient volgens de raadsman bij de strafoplegging aansluiting te worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. De raadsman heeft ten slotte gesteld dat, indien de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, een standaard proeftijd van 2 jaren in plaats van de door de officier van justitie gevorderde 3 jaren moet worden opgelegd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een buurman van zijn moeder. Deze buurman heeft aan deze mishandeling een blauwe plek op zijn linker oogkas en aan het zich verweren tegen deze mishandeling losse tanden overgehouden. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank tilt er zwaar aan dat verdachte aangever in zijn eigen woning heeft opgezocht en hem aldaar heeft mishandeld. Verdachte is zonder medeweten van aangever diens woning binnengegaan. Hiermee heeft verdachte grove inbreuk gemaakt op de privacy van het slachtoffer.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 juli 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld doch niet wegens mishandeling;

- een reclasseringsadvies (beknopt) betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland van 18 april 2012, opgemaakt door K. Lakeman, reclasseringswerker, onder meer inhoudende dat het recidiverisico laag is en dat geen toezicht op bijzondere voorwaarden en ook geen interventies of behandelingen geïndiceerd zijn.

De rechtbank acht, alles afwegende, een werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis passend en geboden. De rechtbank legt hiermee een lagere straf op dan de officier van justitie heeft gevorderd, aangezien de rechtbank verdachte, anders dan de officier van justitie, de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten niet bewezen acht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op voormelde persoonlijke omstandigheden, geen toegevoegde waarde heeft.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van €4.607,23 voor de feiten 1 primair, 1 subsidiair en 2.

De officier van justitie heeft toewijzing van deze vordering bepleit tot een bedrag van

€ 4.157,23. De kosten wegens een matras, een beveiligingscamera en een weekend elders dienen volgens de officier van justitie in mindering te worden gebracht.

De verdediging heeft betoogd dat de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze te ingewikkeld is.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 284,68 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, bestaande uit € 12,51 wegens kosten voor Oxazepam, € 22,17 wegens kosten voor mondvloeistof en interdentale borsteltjes, en € 250,- wegens immateriële schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

1 subsidiair: Mishandeling;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 284,68, waarvan € 34,68 ter zake van materiële schade en € 250,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 30 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 284,68 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Vanwersch, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 augustus 2012.

Mr. I.M. Vanwersch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.