Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX9041

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
329535 / HA RK 12-427
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Zaaknummer / rekestnummer: 329535 / HA RK 12-427

beslissing van 4 september 2012 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek in de zin van artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats]

verzoeker,

advocaat: mr. R.I. Takens.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Op 4 september 2012 is in de tegen verzoeker bij deze rechtbank aanhangige strafzaak, bekend onder parketnummer 16/600307-11, een zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken gehouden. Van de strafkamer maken mr. D.A.C. Koster (voorzitter), mr. A. Kuijer en mr. Z.J. Oosting (hierna ook gezamenlijk te noemen: de rechters) deel uit. Tijdens de zitting heeft verzoeker, bijgestaan door mr. R.I. Takens, deze rechters gewraakt. Van de zitting is een verkort proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt en bij de procesdeelnemers bekend is.

1.2. De rechters hebben niet in de wraking berust.

1.3. Het wrakingsverzoek is op 4 september 2012 in het openbaar behandeld. Daarbij waren verzoeker en zijn raadsman, en mrs. Koster en Oosting, mede namens mr. Kuijer, aanwezig. Voor het openbaar ministerie verschenen mrs. M.M. Janssen en H.M. Gorter, officieren van justitie, ter zitting.

1.4. Ter zitting van 4 september 2012 heeft mr. Takens namens verzoeker het wrakingsverzoek toegelicht. Namens de gewraakte rechters hebben mr. Koster en mr. Oosting ter zitting op het verzoek gereageerd en geconcludeerd tot afwijzing daarvan. Het openbaar ministerie heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid zich over het verzoek uit te laten.

1.5. Na voortgezet debat is bepaald dat de wrakingskamer aansluitend uitspraak zal doen. De uitspraak is die dag in aanwezigheid van partijen mondeling gedaan. Het navolgende is van deze uitspraak de schriftelijke uitwerking.

2. De feiten

2.1. Op 4 september 2012 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank de behandeling ter openbare terechtzitting van de strafzaak tegen verzoeker, die ter zitting van 12 juni 2012 was geschorst, voortgezet. De strafzaak tegen verzoeker wordt gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met die tegen de medeverdachte, mevrouw [medeverdachte], moeder van het overleden slachtoffer van het ten laste gelegde. Verzoeker bevindt zich in voorlopige hechtenis. De voorlopige hechtenis van mevrouw [medeverdachte] is eerder geschorst.

2.2. Naar aanleiding van de in of omstreeks april 2011 ontvangen CIE-informatie, inhoudende dat de genoemde medeverdachte tegen een vriendin, mevrouw [A], zou hebben verteld dat zij (d.i. deze medeverdachte) het slachtoffer voor zijn dood in de buik heeft geschopt, heeft mr. Takens namens verzoeker aangedrongen op, en bij herhaling verzocht om, het horen van de informant, althans van de zegsman van de informant en van de schakel(s) in de keten tussen de bron en de zegsman van de informant (ook wel aangeduid als ‘de tussenliggende schakels’). Op 8 december 2011 heeft de rechtbank het verzoek tot het doen horen van de zegsman van de informant door de rechter-commissaris toegewezen. Op 5 januari 2012 heeft de zaaksofficier de rechtbank verzocht deze beslissing te heroverwogen, omdat de veiligheid van de informant door het verhoor van deze zegsman in gevaar komt. De rechter-commissaris heeft, nadat nader onderzoek was verricht, geconcludeerd dat het horen van de zegsman gevaar oplevert voor de informant. Ter zitting van 20 april en 12 juni 2012 heeft de rechtbank de zaak opnieuw naar de rechter-commissaris verwezen voor het horen van genoemde zegsman. Op 10 juli en 3 september 2012 heeft de rechter-commissaris zich op het standpunt gesteld dat het horen van de zegsman van de informant waarschijnlijk zal leiden tot de onthulling van de identiteit van de informant en dat deze daardoor in levensgevaar kan komen te verkeren.

2.3. Ter zitting van 4 september 2012 heeft mr. Takens namens verzoeker de rechtbank verzocht om een proces-verbaal van meineed op te maken tegen de ter zitting gehoorde getuige [A]. De strafkamer heeft hierop beslist dat er op dat moment geen noodzaak bestond tot het opmaken van een proces-verbaal van meineed. Mr. Takens heeft vervolgens ter zitting het verzoek tot het horen van de zegsman van de informant herhaald. Hij heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op het bepaalde in artikel 288 Sv. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de zegsman is de strafkamer teruggekomen op de eerdere beslissing dat de zegsman als getuige dient te worden gehoord en heeft het verzoek tot het horen van de zegsman afgewezen. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de rechtbank daartoe overwogen dat het horen van deze getuige weliswaar in het belang van de verdediging is, maar dat de afweging van dit belang tegen dat van de veiligheid van de informant dient uit te vallen in het voordeel van de bescherming van de informant, ook al kent de wet het (dreigend levens-)gevaar voor anderen dan een getuige niet als expliciete grond voor het afzien van een getuige. Bij dit oordeel heeft de rechtbank de eerdere bevindingen van de rechter-commissaris betrokken en voorts meegewogen dat er inspanningen zijn gepleegd, zoals het horen van andere getuigen, om de verdediging in deze tegemoet te komen, zo vermeldt het zittingsproces-verbaal. Om dezelfde redenen heeft de rechtbank het eerder aangehouden verzoek tot het horen van de tussenschakels in de keten afgewezen.

3. De standpunten

3.1. Verzoeker meent dat de rechters dienen te worden vervangen door andere rechters, omdat er grond is te vrezen dat het hen in de gegeven omstandigheden aan de vereiste onpartijdigheid ontbreekt. Door de afwijzing van het verzoek om de zegsman van de informant als getuige te (doen) horen over de voor verzoeker ontlastende CIE-informatie wordt deze zodanig in zijn verdediging geschaad dat geen sprake meer is van een eerlijk proces. De afwijzing van het verzoek is voorts zo onbegrijpelijk dat de vrees dat het de rechtbank aan onpartijdigheid ontbreekt gerechtvaardigd is. Artikel 288 Sv biedt geen ruimte voor het - na eerdere herhaalde toewijzing van het verzoek - alsnog afzien van het horen van de getuige, omdat geen sprake is van een gegrond vermoeden dat de gezondheid of het welzijn van de getuige in gevaar wordt gebracht. De te horen getuige is immers de zegsman van de informant, níet de informant die gevaar zou lopen. Gezien de ernst van het ten laste gelegde en de door andere onderzoeksgegevens bevestigde juistheid van de CIE-informatie, weegt het belang van verzoeker om de zegsman (althans de tussenliggende schakels) te doen horen en te kunnen ondervragen zwaarder dan dat van de veiligheid van de informant, temeer omdat de schade aan het verdedigingsbelang niet door ander onderzoek is gecompenseerd en de informant kan worden beschermd óók als de verdediging wordt tegemoetgekomen, bijvoorbeeld door (eerst) alleen de tussenschakel(s) te horen. De beslissing van de rechtbank om de CIE-informatie niet te verifiëren, past volgens verzoeker in de achtereenvolgens genomen beslissingen, te weten: om de medeverdachte na ongeveer acht maanden uit voorlopige hechtenis te schorsen (terwijl verzoeker zelf preventief gedetineerd bleef) en om ter zitting van 4 september 2012 geen proces-verbaal van meineed tegen [A] op te maken. De gewraakte rechters hechten kennelijk op voorhand aan de - voor verzoeker ontlastende - CIE-informatie minder waarde dan aan de - voor hem belastende - verklaringen die medeverdachte [medeverdachte] en getuige [A] hebben afgelegd.

3.2. De rechters menen dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen, omdat van rechterlijke vooringenomenheid of vrees voor hun partijdigheid geen sprake is. De rechtbank is op de eerdere beslissing om de zegsman van de informant te horen eerst teruggekomen, nadat in het door de rechter-commissaris uitgezette en afgeronde onderzoekstraject de risico’s voor de veiligheid van de informant meermalen zijn getoetst en is komen vast te staan dat het horen van de zegsman voor de informant levensgevaarlijk, en daarom onverantwoord, zou zijn. Dat gevaar kleeft evenzeer aan het horen van de (andere) tussenschakels in de keten tussen de bron en de informant. Voor het overige verwijzen de gewraakte rechters naar de motivering van de beslissing. Ook de motivering van de (voorlopige) afwijzing van het verzoek om tegen getuige [A] een proces-verbaal van meineed op te maken, is kenbaar uit het proces-verbaal. Dat de voorlopige hechtenis van de medeverdachte eerder is geschorst, houdt geen oordeel in over de in het strafproces te beantwoorden bewijsvraag.

3.3. Het openbaar ministerie meent dat er geen grond bestaat voor wraking. Door het horen van zowel de zegsman van de informant als van de tussenliggende schakels zal de keten tussen de bron en de informant bloot komen te liggen, met levensgevaar voor de informant tot gevolg. Onder de gegeven omstandigheden is het begrijpelijk dat de rechtbank het verdedigingsbelang ten achter heeft gesteld bij de bescherming van de informant en is de beslissing om de zegsman niet te (doen) horen niet in strijd met de geest van artikel 288 Sv.

4. De beoordeling

4.1. Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 512 Sv. Daarin is bepaald dat op verzoek van de verdachte de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 EVRM, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden grond vormen te vrezen dat het de rechter in de gegeven omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter in de zin van artikel 512 Sv/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Omdat niet is gebleken van enige persoonlijke vooringenomenheid van de rechters jegens verzoeker, zal slechts onderzocht worden of verzoeker in objectieve zin reden heeft te vrezen dat het genoemde rechters aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.4. De wrakingskamer stelt vast dat, waar de strafkamer van de rechtbank eerder het verzoek van de verdediging om de zegsman van de informant te doen horen heeft ingewilligd, in dat stadium van het strafproces - ook in de visie van verzoeker - geen sprake was van enige vooringenomenheid bij de gewraakte rechters of van schijn van rechterlijke partijdigheid. De successievelijke schorsing van de voorlopige hechtenis van medeverdachte [medeverdachte] heeft (vóór en) in deze fase van het onderzoek plaatsgevonden, zodat hetgeen (de raadsman van) verzoeker ter toelichting op het wrakingsverzoek hieromtrent heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als een zelfstandige grondslag van dat verzoek. Kennelijk heeft verzoeker ook de beslissing van de rechtbank van 4 september 2012 om niet aanstonds proces-verbaal van meineed tegen getuige [A] op te maken niet zelfstandig aan het verzoek ten grondslag willen leggen. De wrakingskamer begrijpt het betoog van mr. Takens aldus dat beide genoemde, aan de afwijzing van het verzoek tot het horen van de zegsman voorafgegane beslissingen, niet op zichzelf als blijken van rechterlijke partijdigheid worden aangemerkt, doch dat hij - achteraf - beide eerdere beslissingen van de rechtbank heeft beschouwd als een reeks hem onwelgevallige beslissingen die is geculmineerd in de afwijzing van het verzoek om de zegsman te horen, maar dat uitsluitend deze laatste beslissing aanleiding en reden tot indiening van het wrakingsverzoek is geweest. De wrakingskamer zal daarom beoordelen of de beslissing van de rechtbank dat de zegsman niet als getuige dient te worden gehoord, en de daarvoor blijkens het proces-verbaal van de zitting van 4 september 2012 gegeven motivering, grond voor wraking vormen.

4.5. De beslissing van de strafkamer van 4 september 2012 om terug te komen op de eerdere toewijzing van het verzoek van de verdediging om de zegsman van de informant door de rechter-commissaris te doen horen, en om alsnog dat verzoek af te wijzen, is aan te merken als een procesbeslissing. Verzoeker keert zich tegen die beslissing omdat hij van mening is dat hij in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad, indien de beschikbare CIE-informatie niet op waarde kan worden geschat. De wrakingskamer oordeelt dat een als negatief ervaren procesbeslissing, naar vaste jurisprudentie leert, in het algemeen geen grond vormt voor toewijzing van een wrakingsverzoek, tenzij die beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat het de rechters aan de vereiste onpartijdigheid ontbreekt objectief gerechtvaardigd is. Beoordeeld zal daarom worden of de bedoelde beslissing zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring kan bestaan dan dat zij voortvloeit uit rechterlijke vooringenomenheid.

4.6. Namens verzoeker is betoogd dat de rechtbank de litigieuze beslissing heeft gebaseerd op een verkeerde - want (te) extensieve - uitleg van het bepaalde in artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Sv. en dat deze beslissing daarom onjuist is en dermate onbegrijpelijk dat deze moet zijn voortgevloeid uit rechterlijke vooringenomenheid. De wrakingskamer verwerpt dit betoog. Of de beslissing in het licht van artikel 288 Sv juist of onjuist is, is in deze wrakingsprocedure niet aan de orde. Dat kan eventueel aan de appelrechter worden voorgelegd. De beslissing is niet zozeer onbegrijpelijk dat deze redelijkerwijs alleen uit rechterlijke vooringenomenheid kan zijn voortgekomen. Blijkens het zittingsproces-verbaal heeft de rechtbank de beslissing uitvoerig gemotiveerd, is onder ogen gezien dat de wet dreigend levensgevaar voor een ander dan de te horen getuige niet uitdrukkelijk noemt als grond om van verhoor alsnog af te zien, is acht geslagen op hetgeen het EVRM bepaalt, en heeft een belangenafweging plaatsgevonden tussen het verdedigingsbelang en dat van bescherming van de informant. Dat de strafkamer daarbij gewicht heeft toegekend aan de risico’s voor de informant komt de wrakingskamer niet zonder meer onbegrijpelijk voor. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de rechtbank, alvorens ‘om’ te gaan, niet over één nacht ijs is gegaan. Blijkens het zittingsproces-verbaal en de daaraan gehechte stukken heeft de rechter-commissaris uitvoerig onderzoek gedaan naar het gevaar dat de informant loopt in het geval de zegsman zou worden gehoord. De rechtbank heeft de door de rechter-commissaris getrokken conclusie, ‘dat het horen van de zegsman van de informant met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot onthulling van de identiteit van de informant zal leiden en dat bij onthulling van de identiteit van de informant er een zeer grote kans bestaat dat de informant in levensgevaar komt te verkeren’ overgenomen en deze omstandigheid van ‘groot gewicht’ geoordeeld. Deze wrakingsprocedure leent zich er niet voor om de belangenafweging die de rechtbank heeft gemaakt over te doen.

4.7. Op grond hiervan wordt het verzoek afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek tot wraking van de rechters af;

5.2. draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker en zijn raadsman, aan de rechters, aan de Officier van Justitie, alsmede aan de voorzitter van de sector strafrecht en de president van deze rechtbank;

5.3. bepaalt dat de strafzaak tegen verzoeker dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap (voorzitter), mr. A.C. van den Boogaard en mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2012, in aanwezigheid van de griffier.