Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX8648

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
16/655817-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor woninginbraken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655817-12; 16/600290-11 (tul); 21/001992-07 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd te HvB Wolvenplein te Utrecht,

raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: samen met een ander heeft ingebroken in een woning aan de [adres] te Utrecht;

Feit 1 subsidiair: een gouden slavenarmband en een gouden halsketting voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die armband en ketting door misdrijf verkregen goederen betroffen;

Feit 2: samen met een ander heeft ingebroken in woningen aan de [adres] te Utrecht, te weten huisnummers 562 en 570;

Feit 3: samen met een ander heeft geprobeerd in te breken in een woning en een winkel aan de [adres], te weten huisnummer 568 en een winkel in de centrale hal;

Feit 4: heeft ingebroken in een woning aan de [adres] te De Bilt;

Feit 5: heeft ingebroken in een woning aan de [adres] te De Bilt;

Feit 6: een auto heeft gestolen door middel van een valse sleutel.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat er sprake is van een inbraak in vereniging gepleegd. Ten aanzien van feit 2 en 3 heeft de officier van justitie betoogd dat sprake is van schakelbewijs, omdat er een zelfde werkwijze is gebruikt bij de (pogingen tot) inbraken op dezelfde dag en er een bloedspoor van verdachte is aangetroffen bij één van de plaatsen waar is ingebroken.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 4, feit 5 en feit 6 aangevoerd dat de schroevendraaier die bij verdachte is aangetroffen past bij de werktuigsporen die zijn aangetroffen op de plaatsen waar is ingebroken. Voorts heeft verdachte een telefoon ingeleverd bij [naam] die van de inbraak op de [adres] te De Bilt afkomstig is.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw gewezen op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] die zegt dat hij degene is die heeft ingebroken. Voorts zijn bij [medeverdachte 1] de sieraden aangetroffen. Het gereedschap dat verdachte bij zich had, was niet van hem.

Ten aanzien van feit 2 en feit 3 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte op bezoek was bij de heer [naam] en niet heeft ingebroken. De werktuigsporen passen niet bij het gereedschap dat bij verdachte is aangetroffen en voor het aangetroffen bloedspoor heeft verdachte een verklaring gegeven. De raadsvrouw heeft gewezen op het gegeven dat de [adres] een bejaardencomplex betreft waar veel mensen rondlopen.

Ten aanzien van feit 4, feit 5 en feit 6 heeft de raadsvrouw betoogd dat de feiten een maand voordat de werktuigen bij verdachte zijn aangetroffen, zijn gepleegd. De telefoon die verdachte bij [naam] heeft ingeleverd, heeft verdachte op de zwarte markt gekocht. Er is geen verband tussen verdachte en de onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, aldus de raadsvrouw.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Feit 1 primair

Het bewijs ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

[aangever 1] heeft aangifte gedaan van een inbraak in haar woning aan de [adres] te [woonplaats] op 14 mei 2012. Het slot is uit de garagedeur verwijderd en een ruit van de binnendeur is vernield. Er zijn een gouden slavenarmband en een gouden ketting weggenomen.

[verbalisant 1] zag op 14 mei 2012 omstreeks 13.05 uur een man vlakbij de oprit van de [adres] staan. Hij zag dat de man om zich heen keek en hem in de gaten hield. Hij zag dat de man de oprit opliep en hoorde hem meerdere keren roepen. Korte tijd later zag verbalisant [verbalisant 1] uit de achtergelegen straat een witte scooter rijden met twee mannen erop. Hij zag dat de bestuurder de man was die hij eerder bij de oprit van de woning had gezien.

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben de twee mannen op de witte snorfiets aangehouden. Deze mannen bleken te zijn medeverdachte [medeverdachte 1] en [verdachte], verdachte. Medeverdachte [medeverdachte 1] was de bestuurder en verdachte de bijrijder. Verbalisant [verbalisant 2] trof in de zak van verdachte een zilverkleurige bahco en twee schroevendraaiers aan. In de jaszakken trof hij tevens een paar handschoenen aan.

De schroevendraaiers worden veilig gesteld onder nummer AAEU6141NL en AAEU6139NL en de bahco wordt veilig gesteld onder nummer AAEU6140NL.

In de zakken van de jas van medeverdachte [medeverdachte 1] worden een goudkleurige ketting en een goudkleurige slavenarmband aangetroffen.

Aangeefster [aangever 1] herkent de aangetroffen sieraden als haar eigendom.

Nabij de geforceerde garagedeur zijn in de tuin twee takjes aangetroffen met een lengte van respectievelijk 8 centimeter en 25 centimeter, lichtkleurig en ontdaan van de schors en met een diameter van een paar millimeter. Beide takjes zijn veilig gesteld.

Om de steel van de schroevendraaier die bij verdachte is aangetroffen en veilig is gesteld onder nummer AAEU6141NL bevindt zich een meenemer van een slotcilinder. De ruimte tussen deze meenemer en de steel is opgevuld met een takje.

Uit een rapport van het NFI van 23 juli 2012 blijkt dat het veel waarschijnlijker is dat het takje vanaf de schroevendraaier afkomstig is van de takjes die zijn aangetroffen in de tuin dan dat het takje van de schroevendraaier afkomstig is van bewerkte delen van een willekeurige andere boom of struik.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte dat het gereedschap niet van hem is, ongeloofwaardig en in casu, niet relevant is. Verdachte had dit gereedschap in zijn zak op het moment dat hij werd aangehouden. Het takje dat zich in de schroevendraaier bevond, komt overeen met de takjes die aangetroffen zijn in de tuin van de woning waar is ingebroken. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer van de verdediging.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij achterop de scooter zat bij medeverdachte [medeverdachte 1], omdat hij van hem een lift kreeg, ongeloofwaardig is. De rechtbank verwerpt daarom ook dit verweer. Beide verdachten zijn door een verbalisant op de scooter gesignaleerd vlakbij de woning waar is ingebroken. De verbalisant zag medeverdachte [medeverdachte 1] vlak daarvoor op de oprit van deze woning staan. Kort na de inbraak zijn beide verdachten op de scooter aangehouden.

Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] de inbraak heeft gepleegd.

4.3.2. Feit 2 en feit 3

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

[aangever 2] heeft aangifte gedaan van een inbraak in haar woning aan de [adres] te Utrecht op 29 maart 2012 tussen 14.00 als ze haar woning verlaat en twee uur later als ze terugkomt. Het handvat van de deur lag op de grond en de deur was opengebroken. Uit de woning is een geldbedrag van 30 euro weggenomen.

Uit sporenonderzoek is gebleken dat de deur van de woning aan de [adres] te Utrecht is opengebroken door middel van de Bulgaarse methode.

[aangever 3] heeft aangifte gedaan van een inbraak in haar woning aan de [adres] te Utrecht op 29 maart 2012 tussen ongeveer 14.00 en 16.00 uur. Het hele slot in de voordeur was vernield.

Uit sporenonderzoek is gebleken dat de deur van de woning aan de [adres] te Utrecht is opengebroken door middel van de Bulgaarse methode.

Aangeefster [aangever 3] heeft verklaard dat er een glaasje met oorbellen is weggenomen.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 maart 2012 in het bejaardencomplex aan de [adres] aanwezig was.

Het bewijs ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

[aangever 4] heeft aangifte gedaan van een poging tot inbraak in haar woning aan de [adres] te Utrecht op 29 maart 2012 tussen circa 14.00 uur en 16.00 uur. Het hele slot in de voordeur was vernield.

Uit sporenonderzoek is gebleken dat de deur van de woning aan de [adres] te Utrecht is opengebroken door middel van de Bulgaarse methode. Aan de buitenzijde van de voordeur is ter hoogte van het slot een bloedspoor aangetroffen. Dit bloedspoor is veilig gesteld onder het nummer AADP0966NL.

Uit een vergelijkend DNA-onderzoek is met het bloedspoor een match verkregen met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het bloedspoor matcht met een willekeurig gekozen persoon is kleiner dan één op één miljard.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 maart 2012 in het bejaardencomplex aan de [adres] aanwezig was.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 en 3

De rechtbank is van oordeel dat verdachte degene is die de poging tot inbraak aan de [adres], ten laste gelegd onder feit 3, heeft gepleegd. Niet alleen heeft verdachte bekend dat hij die dag in het pand aanwezig was, maar ook is er een bloedspoor van verdachte aangetroffen ter hoogte van het slot op de buitenzijde van de voordeur. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij op de deur heeft geklopt en daar bloed heeft achtergelaten vanwege een verwonding aan zijn arm/hand niet aannemelijk en gaat hier dan ook aan voorbij. Gelet op de plaats van het bloedspoor en de wijze waarop het slot van de voordeur is verbroken, is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een daderspoor. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de poging tot inbraak aan de [adres] heeft gepleegd.

Bij de vraag of verdachte de inbraken die onder feit 2 ten laste zijn gelegd heeft begaan heeft de rechtbank de omstandigheid in aanmerking genomen, dat de feitelijke gang van zaken van de onder feit 2 ten laste gelegde inbraken, op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de poging tot inbraak die onder feit 3 ten laste is gelegd. Er is tevens sprake van soortgelijke feiten.

Aan de overtuiging dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, dragen naar het oordeel van de rechtbank de volgende omstandigheden bij. Er is sprake van meerdere (pogingen tot) inbraken in hetzelfde bejaardencomplex op dezelfde dag binnen een zelfde tijdspanne, te weten ongeveer tussen 14.00 uur en 16.00 uur. Bij deze (poging tot) inbraken is steeds dezelfde werkwijze, te weten de Bulgaarse methode, gebruikt. Voort bevinden de drie woningen waarvan het slot uit de voordeur is verwijderd zich erg dicht bij elkaar.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet alleen heeft gepoogd in te breken in de woning aan de [adres], maar tevens heeft ingebroken in de woningen aan de [adres] en de [adres].

Overige overwegingen ten aanzien van feit 2 en feit 3

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte deze feiten in vereniging met een ander heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank acht voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is die heeft gepoogd in te breken in de winkel in de centrale hal en overweegt daartoe het volgende.

In de aangifte, gedaan door [aangever 5], wordt gesproken over een poging tot inbraak in de periode van 28 maart 2012 tot en met 30 maart 2012. De rechtbank is van oordeel dat deze periode te lang is om te kunnen vaststellen dat het verdachte is geweest die deze poging tot inbraak heeft gepleegd.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van de poging tot inbraak in de winkel in de centrale hal van het bejaardencomplex aan de [adres].

4.3.3. Feit 4

Het bewijs ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

[benadeelde] heeft, mede namens [naam], aangifte gedaan van een inbraak in hun woning aan de [adres] te De Bilt op 15 april 2012. De deur aan de achterzijde van de woning was opengebroken en uit de woning zijn twee laptops, een mobiele telefoon, merk Nokia, type 6300 met imeinummer 356832020533960, met oplader, een portemonnee en een rijbewijs op naam van [naam] weggenomen.

De twee laptops die bij de inbraak zijn weggenomen zijn een Toshiba type c660-25U en een ASUS type F7E-7S026E. Ook is er bij de inbraak een Blackberry telefoon type Bold 9780 weggenomen. In de portemonnee zat een geldbedrag van 50 of 60 euro.

Uit sporenonderzoek is gebleken dat aan de achterzijde van de woning aan de [adres] te De Bilt het slot in de deur is geforceerd. In de sluitnaad van de deur zijn werktuigsporen aangetroffen. Deze werktuigsporen zijn veilig gesteld onder de nummers AAEO7790NL, AAEO77991NL, AAEO7792NL, AAEO7793NL, AAEO7794NL en AAEO7795NL.

Op 2 mei 2012 heeft verdachte een mobiele telefoon van het merk Nokia, type 6300, met imeinummer 356832020533960 ingeleverd bij [naam].

Uit vergelijkend werktuigsporenonderzoek blijkt dat de werktuigsporen met nummer AAEO7790NL zijn veroorzaakt met de schroevendraaier die op 14 mei 2012 bij de aanhouding van verdachte is aangetroffen en is veilig gesteld onder nummer AAEU6141NL.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bewijs het volgende. De werktuigsporen die bij de inbraak zijn veilig gesteld komen overeen met de schroevendraaier die bij verdachte is aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat dit bewijs in samenhang met het gegeven dat verdachte kort na de inbraak beschikte over de telefoon die bij de inbraak is weggenomen, de overtuiging oplevert dat verdachte degene is die de inbraak heeft gepleegd. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de telefoon op de zwarte markt heeft gekocht, gelet op de tijdspanne en in samenhang met de aangetroffen werktuigsporen, ongeloofwaardig.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de inbraak aan de [adres] heeft gepleegd.

4.3.4. Feit 5 en feit 6

Vrijspraak ten aanzien van feit 5 en feit 6

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen onder feit 5 en feit 6 ten laste is gelegd heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Uit werktuigsporenonderzoek is gebleken dat verdachte in het bezit was van de schroevendraaier waarmee de inbraak die onder feit 5 ten laste is gelegd, is gepleegd. Bij deze inbraak is een autosleutel weggenomen, waarmee vervolgens de auto van de aangever is gestolen. De rechtbank overweegt dat verdachte een maand na de inbraak in het bezit was van deze schroevendraaier, maar dat zich verder geen steunbewijs in het dossier bevindt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 5 en feit 6.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Primair

op 14 mei 2012 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen sieraden (te weten: onder meer een gouden slavenarmband en een gouden halsketting), toebehorende aan [aangever 1], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak,

immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader een slot uit een garagedeur van die woning verwijderd en geforceerd en een ruit van een binnendeur vernield;

2.

op meer tijdstippen op 29 maart 2012 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit woningen in een bejaardencomplex gelegen aan de [adres] (te weten woning met huisnummer 562 en woning met huisnummer 570) heeft weggenomen een geldbedrag en oorbellen, toebehorende aan [aangever 2] en [aangever 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

3.

op 29 maart 2012 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning in een bejaardencomplex gelegen aan de [adres], (te weten woning met huisnummer 568), weg te nemen geld/goederen, toebehorende aan [aangever 4] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, het slot van de toegangsdeur van die woning vernield, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4.

op 15 april 2012 te De Bilt, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen twee laptops merk Toshiba,

type c660-25U en merk ASUS type F7E-7S026E en een rijbewijs (op naam van

[naam]) en een mobiele smarttelefoon (merk Blackberry, type Bold 9780), toebehorende aan [benadeelde] en [naam], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, immers heeft hij, verdachte, met een breekvoorwerp een slot uit een achterdeur van die woning geforceerd en met een breekvoorwerp onder de locatie van het slot in de sluitnaad gewrikt.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 primair: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 2 en feit 4: telkens: Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 3: Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van de duur van het voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken en subsidiair verzocht een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere woninginbraken en een poging tot woninginbraak. Aan het plegen van woninginbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. De wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht kan leiden tot gevoelens van angst en onveiligheid. De rechtbank rekent dit verdachte aan..

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 juli 2012 waaruit blijkt dat verdachte vele malen is veroordeeld voor vermogensdelicten.

De rechtbank zal gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie rekening houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7. Het beslag

7.1. De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan of die tot het begaan van de misdrijven zijn bestemd en aan verdachte toebehoren of waarvan niet kan worden vastgesteld aan wie ze toebehoren.

7.2. De teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan [benadeelde], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

7.3. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8. De benadeelde partij

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dit bedrag te matigen, omdat de Asus laptop niet meer in de handel is en de dagwaarde van de Toshiba laptop lager ligt dan het bedrag dat is gevorderd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering af te wijzen, omdat zij van mening is dat het strafbare feit niet bewezen kan worden.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 1609,00 voor feit 4 ter zake van materiële schade, te weten twee laptops.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 649,-- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9. De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1. De vordering van de officier van justitie

Parketnummer 16/600290-11

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 4 weken gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 30 maart 2011 ten uitvoer zal worden gelegd.

Parketnummer 21/001992-07

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 3 maanden gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van het gerechtshof te Arnhem d.d. 5 juni 2008 ten uitvoer zal worden gelegd.

9.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vorderingen van de officier van justitie af te wijzen, omdat verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde. Ten aanzien van parketnummer 21/001992-07 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze lang geleden is opgelegd en het niet meer opportuun is deze ten uitvoer te leggen. Ten aanzien van parketnummer 16/600290-11 heeft de raadsvrouw subsidiair verzocht de proeftijd te verlengen.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt ten aanzien van beide vorderingen tot tenuitvoerlegging vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal zij de vorderingen tot tenuitvoerlegging toewijzen.

10. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 34c, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 5 en feit 6 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 primair: Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 2 en feit 4: telkens: Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 3: Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

de baco (goednummer PL0910-2012107646-641599), de schroevendraaiers (goednummer PL0910-2012107646-641605), de handschoenen (goednummer PL0910-2012107646-641596), de op 6 mei 2012 onder verdachte in beslag genomen goederen, te weten het ijzerdraad, de schroevendraaier, de verstelbare schroefsleutel, de mini maglight en de handschoenen en de op 21 juni 2012 onder verdachte in beslag genomen goederen, te weten drie schroevendraaiers en een bahco.

- gelast de teruggave aan [benadeelde] van het in beslag genomen voorwerp, te weten de mobiele telefoon, merk Nokia, type 6300;

- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

de simkaart (goednummer PL091A-2012107646-641775).

- gelast de teruggave aan verdachte van het op 21 juni 2012 bij de doorzoeking van de woning van de verdachte in beslag genomen geldkistje;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 649,--, ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 649,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 5 juni 2008 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 21/001992-07 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 30 maart 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600290-11 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Vanwersch, voorzitter, mr. J.R. Krol en

mr. T. Reichardt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 september 2012.

Mr. Reichardt is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.