Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX8632

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
16/655818-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een woninginbraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655818-12; 16/600155-09 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1972] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd te HvB Nieuwegein te Nieuwegein,

raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is behandeld op de terechtzittingen van 22 en 27 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: samen met een ander heeft ingebroken in een woning aan de [adres] te Utrecht;

Feit 1 subsidiair: medeplichtig is geweest aan de inbraak in een woning;

Feit 1 meer subsidiair: een gouden slavenarmband en een gouden halsketting voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die armband en ketting door misdrijf verkregen goederen betroffen;

Feit 2 en feit 3: samen met een ander heeft ingebroken in een woning aan de [adres] te Utrecht, huisnummers [nummer] en [nummer].

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank heeft vastgesteld dat feit 2 en feit 3 op de dagvaarding exact met elkaar overeenkomen. De rechtbank zal daarom de officier van justitie ten aanzien van feit 3 niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier van justitie voor het overige ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van hetgeen onder feit 2 en feit 3 is ten laste gelegd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van hetgeen onder feit 1 primair is ten laste gelegd en wijst daarbij op de bekennende verklaring van verdachte. De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 2 en feit 3.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs ten aanzien van feit 1 primair

Aangezien verdachte deze feiten heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende:

- de aangifte, gedaan door [aangever 1], d.d. 14 mei 2012;

- de bekennende verklaring van verdachte.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier slechts blijkt dat verdachte in het bejaardencomplex aan de [adres] was op het moment dat de inbraken werden gepleegd. Verdachte heeft echter een verklaring gegeven voor de reden dat hij in het bejaardencomplex was, welke verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige]. De rechtbank zal verdachte daarom van feit 2 vrijspreken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Primair

op 14 mei 2012 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen sieraden (te weten: onder meer een gouden slavenarmband en een gouden halsketting), toebehorende aan [aangever 1], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak,

immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader een slot uit een garagedeur van die woning verwijderd en geforceerd en een ruit van een binnendeur vernield.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd in het rapport d.d. 5 juli 2012.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Verdachte heeft hierbij geen rekening gehouden met de gevoelens van angst die hij hierdoor heeft veroorzaakt bij de bewoners van de woning. Ook heeft hij gezorgd voor schade en overlast. Verdachte heeft alleen rekening gehouden met zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiƫle documentatie d.d. 12 juli 2012, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen is veroordeeld voor vermogensdelicten;

- een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 5 juli 2012.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden passend en geboden is. De rechtbank zal een gedeelte daarvan, te weten 3 maanden, voorwaardelijk opleggen om begeleiding door de reclassering, een behandelverplichting, een leefstijltraining en urinecontroles mogelijk te maken. Tevens dient de voorwaardelijke straf om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt.

7. Het beslag

7.1. De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van deze voorwerpen.

7.2. De teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan [naam], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan [aangever 1], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

7.3. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank d.d. 11 juni 2009 ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat de maatschappij geen belang heeft bij een toewijzing van de vordering nu het een vonnis uit 2009 betreft.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 36b, 36c, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van feit 3;

- verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk in de vervolging;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Centrum Maliebaan;

* dat verdachte zich zo spoedig mogelijk meldt bij Centrum Maliebaan, Tolsteegsingel 2A te Utrecht. Hierna meldt hij zich gedurende door Centrum Maliebaan bepaalde perioden zo frequent als zij gedurende deze perioden nodig acht;

* dat verdachte deelneemt aan een leefstijltraining;

* dat verdachte meewerkt aan een behandeling bij een nader te bepalen ambulante instelling of behandelaar van de Forensische polikliniek van Centrum Maliebaan of soortgelijke ambulante forensische zorg;

* dat verdachte meewerkt aan urinecontroles;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen, te weten: het vest, merk Le Coq Sportif met in de capuchon in horizontale opening (goednummer PL0910-2012107646-641497), de handschoenen (goednummer PL0910-2012107646-641499);

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan [naam], te weten: de snorfiets Piaggio C25 (goednummer PL0910-2012107646-611912);

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan [aangever 1], te weten: de gouden slavenarmband (goednummer PL0910-2012107646-641487) en de gouden ketting (goednummer PL0910-2012107646-641490);

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan verdachte, te weten: de telefoon, merk Samsung, kleur zwart (goednummer PL091A-2012107646-641774);

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 11 juni 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600155-09 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Vanwersch, voorzitter, mr. J.R. Krol en

mr. T. Reichardt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 september 2012.

Mr. Reichardt is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.