Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX8556

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
16/600308-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van moord, doodslag of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dood tot gevolg hebbend op haar 3-jarig kind. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens mishandeling van hetzelfde kind en medeplichtigheid aan mishandeling van het kind door haar levenspartner tot zes maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600308-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Raadsvrouw mr. M. Grinwis-Veldman, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is behandeld op de zittingen van 8 juli 2011, 30 september 2011, 11 oktober 2011, 8 december 2011, 27 januari 2012, 20 april 2012 en 12 juni 2012 en vervolgens inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 4, 5, 6, 7 en 13 september 2012, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair:

samen met een ander op 27 maart 2011, of in de dagen daaraan voorafgaand - al dan niet met voorbedachten rade – [N], geboren op [2007] heeft gedood door – al dan niet met voorbedachten rade – met kracht geweld op de buik en/of het lichaam van [N] uit te oefenen, ten gevolge waarvan [N] is overleden;

feit 1 subsidiair:

medeplichtig is aan voornoemd feit, door [medeverdachte] opzettelijk de gelegenheid te geven geweld tegen haar kind, [N], te gebruiken, terwijl zij wist of had moeten weten van dit geweld;

feit 1 meer subsidiair

samen met een ander op 27 maart 2011, of in de dagen daaraan voorafgaand - al dan niet met voorbedachten rade - haar eigen kind, [N], zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door - al dan niet met voorbedachten rade – met kracht geweld op de buik en/of het lichaam van [N] uit te oefenen, ten gevolge waarvan [N] is overleden;

feit 1 meer subsidiair

medeplichtig is aan voornoemd feit, door [medeverdachte] opzettelijk de gelegenheid te geven haar kind, [N], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, terwijl zij wist of had moeten weten van dit geweld;

feit 1 meer subsidiair

samen met een ander op 27 maart 2011, of in de dagen daaraan voorafgaand - al dan niet met voorbedachten rade – haar eigen kind, [N], heeft mishandeld door - al dan niet met voorbedachten rade – met kracht geweld op de buik en/of het lichaam van [N] uit te oefenen, ten gevolge waarvan [N] is overleden;

feit 1 meer subsidiair

medeplichtig is aan voornoemd feit, door [medeverdachte] opzettelijk de gelegenheid te geven haar kind, [N], te mishandelen, terwijl zij wist of had moeten weten van dit geweld;

feit 1 meer subsidiair:

op 27 maart 2011, of in de dagen daaraan voorafgaand, haar eigen kind, [N] de Jong, geboren op [2007], opzettelijk in een hulploze toestand heeft gebracht en/of gelaten, ten gevolge waarvan [N] is overleden

feit 1 uiterst subsidiair

op 27 maart 2011, of in de dagen daaraan voorafgaand, grovelijk althans aanmerkelijk onvoorzichtig/onachtzaam of nalatig heeft gehandeld door [medeverdachte] in de gelegenheid te stellen [N] te mishandelen, terwijl zij wist of geweten moet hebben dat hij [N] eerder had mishandeld, waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [N] is overleden;

feit 2: samen met een ander in de periode van 1 januari 2010 tot en met 27 maart 2011 – al dan niet met voorbedachten rade - [N], geboren op [2007], haar eigen kind, heeft mishandeld door deze - al dan niet met voorbedachten rade – (met) kracht te stompen en/of slaan tegen en/of op diverse delen van zijn lichaam en/of hoofd, chemisch/thermisch/mechanisch botsend geweld toe te passen op het gezicht, met kracht bij de nek/hals heeft gepakt en/of geknepen, zuigzoenen op het lichaam heeft gegeven en/of gebeten, tegen een bankstel/meubelstuk heeft gegooid en een elleboog uit de kom heeft getrokken

en/of

medeplichtig is aan voornoemd feit door [medeverdachte] opzettelijk de gelegenheid te geven haar kind te mishandelen, terwijl zij wist of had moeten weten van dit geweld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht, op nader in het schriftelijke requisitoir beschreven gronden, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

Wel acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde daar waar het betreft de medeplichtigheid aan de zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend, van [N] (haar eigen kind) door [medeverdachte]. De officier van justitie acht hetgeen onder feit 1 meer subsidiair meer en anders ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen.

Voorts acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 ten laste gelegde, te weten medeplichtigheid aan de mishandeling van [N], haar eigen kind, door [medeverdachte] door het slaan/stompen tegen het lichaam (borst/buik/hoofd), door hem krachtig bij zijn nek te pakken en hem tegen een bankstel te gooien.

De officier van justitie acht ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [N] heeft mishandeld. Ook de medeplichtigheid aan de mishandeling van [N] door het drukken met een verhit voorwerp in het gezicht, het geven van zuigzoenen en het uit de kom trekken van een elleboog acht zij niet bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich, op nader in haar pleitnotities beschreven gronden, op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten. De standpunten die de verdediging daartoe naar voren heeft gebracht zullen hieronder worden besproken bij het feit waarop het betreffende standpunt betrekking heeft.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Overlijden [N]

Op 27 maart 2011 overleed [N] (hierna te noemen [N]), een jongetje van 3 jaar oud, in het UMC te Utrecht. Door de dienstdoende trauma-artsen, onder wie een kinderarts, kon de oorzaak van het overlijden niet worden vastgesteld, reden waarom geen verklaring van natuurlijk overlijden werd afgegeven. Door de schouwarts werd in het UMC de schouw gedaan. Daarbij werden afwijkende zaken aangetroffen. Volgens de schouwarts betrof dit onverklaard letsel. Door hem werd een verklaring van niet-natuurlijk overlijden afgegeven en werd een gerechtelijke sectie geadviseerd.

Op het lichaam van [N] werd op 28 maart 2011 bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) sectie verricht door de patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe. Daarnaast heeft drs. R.A.C. Bilo van het NFI de bevindingen naar aanleiding van de sectie bekeken en beoordeeld. Drs. Bilo is een forensisch arts die gespecialiseerd is in het beoordelen in hoeverre letsels bij kinderen mogelijkerwijs het gevolg zijn van kindermishandeling. Beide deskundigen hebben verslag van hun bevindingen uitgebracht en zijn ter zitting als deskundige gehoord.

Oorzaak overlijden [N]

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat uit de bevindingen van beide deskundigen volgt dat bij de sectie van [N] in en aan de buik letsels (diverse blauwe plekken op de (onder)buik, perforaties in de dunne darm, pancreasschade en bloedingen) zijn aangetroffen, welke het gevolg waren van de inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op de buik.

Ten gevolge van voornoemd geweld zijn bloedingen in de dunne darm opgetreden. Deze bloedingen hebben geleid tot verwekingen in de dunne darm, waarna perforaties zijn opgetreden in de delen van dunne darm die verzwakt waren door de aanwezigheid van de inwendige bloedingen. Als gevolg van de perforaties, is de inhoud van de darmen in de buikholte terecht gekomen en is een buikvliesontsteking opgetreden, gevolgd door de ontwikkeling van een bloedvergiftiging. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het overlijden van [N] op 27 maart 2011, en [N]s overlijden wordt daardoor volledig verklaard.

Oorzaak letsel [N]

Voormelde bij [N] aangetroffen letsels zijn volgens reeds genoemde deskundigen het gevolg van de inwerking van heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op de buik, zoals bijvoorbeeld door heftig slaan, duwen/drukken, stompen kan worden opgeleverd.

Dergelijk letsel komt niet voor bij normale ongevallen in en rond het huis, zoals het vallen met een fiets of het botsen tegen een tafelrand; dergelijke ongevallen leiden niet tot zulk ernstig letsel. Als dergelijk letsel het gevolg van een ongeluk zou zijn, dan zou de oorzaak zeer ernstig geweest moeten zijn, zoals bijvoorbeeld een verkeersongeval of een val van grote hoogte.

Uit het uitgebreide onderzoek dat in deze zaak is verricht, is op geen enkele wijze gebleken dat zich in de dagen voorafgaand aan het overlijden van [N] een dergelijk ernstig ongeval of een soortgelijk incident heeft voorgedaan. Niemand heeft hierover verklaard, ook verdachten niet.

Om die reden acht de rechtbank het, in aansluiting op genoemde deskundigen, uitgesloten dat de letsels het gevolg zijn geweest van een ongeluk/ongeval in de huiselijke sfeer.

De deskundigen sluiten, op basis van hun eigen onderzoek en bevindingen en het verrichte toxicologisch-/, neuropathologisch-/ en microbiologisch onderzoek andere oorzaken (ziekelijke aandoening en/of een medische reden) voor het overlijden en voor het ontstaan van de buikvliesontsteking, nadrukkelijk uit.

Een niet-accidentele toedracht (letsel als gevolg van menselijk handelen) achten de deskundigen dan ook zeer veel meer waarschijnlijk dan een accidentele toedracht (val of ongeval).

De rechtbank concludeert op grond van voorgaande feiten en omstandigheden dat [N] is overleden ten gevolge van heftig (op de buik uitgeoefend) geweld, toegebracht door menselijk handelen.

Tijdsverloop van toebrengen letsel tot het overlijden van [N]

Uit de bevindingen van de beide deskundigen blijkt dat er bij [N] waarschijnlijk sprake was van een indirecte perforatie van de darm. Dat betekent dat het uitgeoefende geweld niet meteen tot een perforatie van de darm heeft geleid.

De periode tussen het uitgeoefende geweld en het ontstaan van een bloeding in de darmwand kan volgens deskundigen enkele uren tot enkele dagen bedragen. Ook de tijd gelegen tussen de bloeding en het ontstaan van een perforatie in de dunne darm kan enige dagen bedragen. Voorts kan de periode tussen het ontstaan van de perforatie tot aan het moment dat er een zodanige schade in de buik (buikvliesontsteking, lucht in de buik etc.) ontstaat dat dit merkbaar is, ook uren tot dagen bedragen.

Dr. Bilo geeft dat aan dat aannemelijk is dat er op het moment dat [N] fors is gaan braken en zijn buik is gaan opzwellen – dat was op 26 maart 2011 -, al sprake was van een perforatie.

Op grond van bovenstaande bevindingen concludeert de rechtbank dat het totale tijdsverloop tussen het moment waarop het geweld op [N] werd uitgeoefend, en het moment waarop [N] als gevolg daarvan overleed kan variëren van enkele uren tot enkele dagen en zelfs tot meer dan een week.

Ondanks uitvoerig onderzoek en uitvoerige bevraging van deskundigen ter zitting heeft het forensisch onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting geen enkele aanwijzing opgeleverd omtrent de identiteit, de sekse of eigenschappen van degene of degenen die voormeld geweld op [N] heeft of hebben uitgeoefend.

Uit het dossier volgt wel dat [N] op dinsdag 22 maart 2011 bij verdachten terug in huis is gekomen nadat hij bij een zus van verdachte had gelogeerd. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat er vóór 22 maart 2011 iets is voor gevallen dat het door [N] opgelopen letsel zou kunnen verklaren. De rechtbank acht het derhalve onaannemelijk dat het geweld waaraan [N] uiteindelijk is overleden op hem is uitgeoefend vóór dinsdag 22 maart 2011.

Op basis van vorenstaande feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat de periode waarin de geweldshandeling, welke uiteindelijk heeft geleid tot het overlijden van [N], heeft plaatsgevonden, redelijkerwijs beperkt kan worden tot de periode gelegen tussen dinsdag 22 maart 2011 en zaterdagmiddag 26 maart 2011.

De rechtbank overweegt voorts dat uit het dossier blijkt dat in genoemde periode [N] overwegend thuis in de woning van verdachte, zijn moeder, verbleef. In die woning verbleven in die periode tevens, al dan niet gedurende de gehele periode of ononderbroken, verdachte [medeverdachte] (de partner van verdachte) en een persoon genaamd [X] (alias “[X]”). Uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] blijkt dat zij in de betreffende periode beiden op meerdere momenten niet alleen gezamenlijk maar ook alleen met [N] in de woning zijn geweest. Uit de verklaringen van [X] volgt dat hij in de dagen voorafgaand aan het overlijden van [N] in ieder geval één keer (waarschijnlijk van donderdag op vrijdag) en mogelijk twee keer, in de woning van verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] aanwezig is geweest en heeft geslapen terwijl [N] daar aanwezig was. [X] sliep op dezelfde verdieping als waar de slaapkamer van [N] gelegen was, terwijl de slaapkamer van verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] één verdieping lager was gelegen. [X] heeft verklaard dat hij bij die gelegenheid zelf ook in de slaapkamer van [N] is geweest, terwijl deze daar in bed lag. Verdachte en [medeverdachte] waren daar toen niet bij aanwezig.

De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden dat anderen dan de drie hiervoor genoemde personen in genoemde periode in de gelegenheid zouden zijn geweest het uiteindelijk noodlottige letsel aan [N] toe te brengen. Ook het dossier is met name toegespitst op de (mogelijke) rol die [medeverdachte] en verdachte bij het overlijden van [N] zouden hebben gehad. Zij zijn ook formeel als verdachten aangemerkt. Het openbaar ministerie heeft [X] niet als verdachte aangemerkt. Hierdoor - en vermoedelijk ook door diens onvindbaarheid sedert mei 2011- is over zijn achtergrond en eventuele wetenschap van feiten welke de dood van [N] zouden kunnen verklaren slechts in beperkte mate informatie aanwezig.

De rechtbank heeft bij haar beoordeling of bewezen kan worden geacht of verdachte het haar primair ten laste gelegde feit heeft begaan niet alleen de bewijsmiddelen tegen verdachte in ogenschouw genomen, maar ook die waaruit mogelijkerwijs de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte] en genoemde [X] bij het verdachte ten laste gelegde feit zou kunnen blijken. De bewijsmiddelen tegen deze personen zijn ook in hun onderlinge relatie bezien. Als belastend te duiden bewijs tegen de ene verdachte kan immers onder omstandigheden ook bijdragen aan het ontstaan van (redelijke) twijfel omtrent de schuld van een andere verdachte. Dit is temeer aan de orde als er, zoals in casu, geen aanwijzingen zijn dat de verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] en/of [X] zouden hebben samengewerkt of in enigerlei vorm tezamen zijn betrokken bij het geweld dat tot het overlijden van [N] heeft geleid.

De rechtbank constateert voorts dat er zich in het dossier geen getuigenverklaringen bevinden, waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het haar onder 1 ten laste gelegde feit rechtstreeks zou kunnen blijken. Zoals reeds opgemerkt, heeft ook het forensisch onderzoek niet dergelijk rechtstreeks bewijs opgeleverd. Het door de officier van justitie aangevoerde bewijs berust dan ook zo niet geheel, dan toch nagenoeg uitsluitend, op verklaringen van getuigen omtrent eerdere gedragingen van verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] jegens [N]. Mede gezien de tijdstippen waarop en de omstandigheden waaronder deze getuigenverklaringen zijn afgelegd, heeft de rechtbank deze verklaringen, ook door het horen van de betreffende getuigen ter zitting, zeer zorgvuldig bestudeerd en beoordeeld op onder meer betrouwbaarheid en consistentie. Hetzelfde geldt ten aanzien van bewijsmiddelen waaruit mogelijkerwijs de betrokkenheid van de medeverdachte [medeverdachte] en/of van [X] zou kunnen worden afgeleid. Dat heeft geleid tot de navolgende beschouwing en bevindingen.

Bewijsmiddelen en overige informatie betreffende verdachte [verdachte].

a. CIE informatie

Uit een door de politie opgemaakt proces-verbaal d.d. 1 april 2011 volgt dat in maart 2011, dus zeer kort na het overlijden van [N], als betrouwbaar aangemerkte CIE-informatie is ontvangen waarin –kort gezegd– werd aangeven dat verdachte [verdachte], kort na het overlijden van [N], in een telefoongesprek met [A] gezegd zou hebben dat zij ([verdachte]) [N] kort voor zijn overlijden in zijn buik had geschopt.

De rechtbank overweegt dat de juistheid van deze informatie op geen enkele manier is bevestigd. Dit ondanks het horen van een groot aantal getuigen door de politie en de rechter-commissaris, waarbij hun onder andere werd gevraagd of zij wetenschap hadden van een dergelijk gesprek. Verdachte en [A] hebben ook ter terechtzitting ontkend dat in een telefoongesprek tussen hen een dergelijke mededeling door [verdachte] zou zijn gedaan.

Nu niet is komen vast te staan dat de genoemde informatie op waarheid berust, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank zodanige twijfel omtrent het waarheidsgehalte van voornoemde informatie, dat deze niet in voor verdachte belastende zin bruikbaar kan worden geacht.

b. Getuigenverklaringen van [B]en [C]

Getuige [B] heeft op 30 augustus 2012 bij de rechter-commissaris verklaard dat [verdachte] in een telefoongesprek tegen haar gezegd zou hebben: “Ik heb hem vermoord ja … lekker.”. Hieraan ging een woordenwisseling tussen beide vrouwen vooraf waarbij men elkaar over en weer verwijten maakte met betrekking tot de opvoeding van kinderen en waarbij [B]i [verdachte] had uitgemaakt voor: “vieze vuile moordenaar”. [C], een zus van [B], heeft ter terechtzitting d.d. 4 september 2012 bevestigd dat [verdachte] een dergelijke uitspraak heeft gedaan.

De rechtbank acht het, gelet op vorenstaande verklaringen, aannemelijk dat een dergelijke of soortgelijke uitspraak door [verdachte] is gedaan.

De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de ruzie tijdens het gesprek en de context waarin een en ander heeft plaatsgevonden, aan de uitspraak van [verdachte] geen (vergaande) conclusies kunnen worden verbonden ten aanzien van de schuld of onschuld van verdachte met betrekking tot het overlijden van [N].

c. Verklaring van medeverdachte [medeverdachte]

Medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen: [medeverdachte]) heeft ter terechtzitting verklaard dat, voordat verdachte op zaterdag 26 maart 2011 de woning verliet, zij boven had geschreeuwd tegen [N]. Nadat zij de woning had verlaten, kwam [N] huilend naar beneden, wees hij naar zijn buik en zei hij “Mama gedaan”.

Deze verklaring heeft geen bevestiging uit andere bron gekregen. Evenmin is deze informatie echter uit onafhankelijke bron weersproken. Aangezien niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat [medeverdachte] deze verklaring slechts heeft afgelegd om zichzelf te ontlasten, is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring niet in voor verdachte belastende zin bruikbaar kan worden geacht.

d. Eigen verklaringen van verdachte [verdachte]

Het is de rechtbank opgevallen dat verdachte tijdens verhoren bij de politie telkens wisselend, en op onderdelen aantoonbaar onjuist, verklaard heeft over de gebeurtenissen in de dagen voorafgaande aan het overlijden van [N]. Zij leek daarbij haar relaas regelmatig aan te passen aan de hand van de haar verstrekte of haar bekend geworden onderzoeksinformatie. Wanneer zij ter terechtzitting met dergelijke inconsistenties werd geconfronteerd, en daardoor in het nauw werd gebracht, beriep zij zich vervolgens telkens op haar zwijgrecht.

e. Overige bewijsmiddelen

Uit het dossier blijkt dat de verdachte kort voor het overlijden van [N] onder grote druk stond, omdat zij enige dagen later naar de rechtbank moest in verband met een door de Raad voor de Kinderbescherming ingediend verzoek tot (hernieuwde) ondertoezichtstelling van [N]. Ook blijkt dat [verdachte] zich door de zorg voor [N] in haar vrijheid belemmerd voelde.

De rechtbank acht bij vonnis van heden bewezen dat verdachte [N] enige dagen voor zijn overlijden heeft mishandeld door hem letsel in het gezicht toe te brengen en voorts dat zij gedurende langere tijd onder meer door het verzinnen van verhalen over de oorzaken van letsel bij [N] zijn mishandeling door de medeverdachte [medeverdachte], haar partner, heeft afgedekt.

De rechtbank is op grond van in het bijzonder de hiervoor onder d. en e. genoemde feiten en omstandigheden van oordeel, dat het aan de rechtbank voorgelegde dossier vragen oproept omtrent betrokkenheid van [verdachte] bij de uiteindelijk fatale mishandeling van [N], of wetenschap daarvan. De rechtbank kan deze betrokkenheid echter niet buiten redelijke twijfel vaststellen

Bewijsmiddelen tegen medeverdachte [medeverdachte]

a. De getuigenverklaring van [X] (bijgenaamd “[X]”)

[X] heeft aanvankelijk op 11 mei 2011 en 19 mei 2011 – zakelijk weergegeven - verklaard dat hij de dagen voorafgaand aan het overlijden van [N] gedurende 1 of 2 nachten in de woning waar verdachte en medeverdachte [medeverdachte] woonden, had verbleven. Bij gelegenheid van die verhoren verklaarde hij niets over enig geweld dat door [medeverdachte] op [N] zou zijn uitgeoefend.

Op 20 juni 2011, ruim een maand later, meldde hij zich opnieuw bij de politie en verklaarde toen dat hij heeft gezien hoe [medeverdachte] [N] tot driemaal toe zou hebben mishandeld. [medeverdachte] zou, twee tot drie weken voor overlijden van [N], [N] hard in zijn buik gestompt hebben terwijl hij [N] met zijn linkerhand om zijn mondje ruggelings tegen zich aandrukte. Enkele dagen tot een week later zou [medeverdachte] [N] met zijn vuist op zijn hoofd geslagen hebben. Later, de derde keer, zou [medeverdachte] [N] eerst omhoog gegooid hebben en daarna tegen het bankstel.

De rechtbank heeft – evenals de verbalisanten die de verhoren afnamen - geconstateerd dat [X] tijdens zijn diverse verhoren warrig was, wisselend en tegenstrijdig verklaarde en niet in staat was data en tijdstippen correct te benoemen. Hij verklaart ook niet over mishandelingen van [N] in de week voorafgaand aan zijn overlijden. Het valt voorts op dat [X] na het afleggen van zijn laatste -voor verdachte belastende- verklaring op 20 juni 2011 spoorloos is verdwenen. Ondanks nationale en internationale signalering en inspanningen van de zijde van het Openbaar Ministerie en de politie is het tot op heden niet gelukt [X] te traceren.

Dit laatste brengt met zich dat er tot op heden zowel voor de verdediging als voor de rechtbank en de officier van justitie geen mogelijkheden zijn geweest om, ofwel bij de rechter-commissaris, dan wel ter terechtzitting, de door [X] afgelegde verklaringen op waarheid en/of betrouwbaarheid te toetsen.

De rechtbank is op basis van het bovenstaande van oordeel dat de betrouwbaarheid van de thans beschikbare door [X] afgelegde verklaringen dermate onzeker is, dat daaraan geen (vergaande) conclusies ten aanzien van de schuld of onschuld van [medeverdachte] kunnen worden verbonden.

b. De getuigenverklaring van [D]

Op 24 augustus 2011 krijgt de politie via een medewerker van het Centrum Maliebaan bericht dat een cliënt, [D], in de penitentiaire inrichting van een medegedetineerde, die er van werd verdacht een klein kind om het leven te hebben gebracht, details omtrent het misdrijf heeft gehoord. [D] heeft vervolgens op 16 september 2011 verklaard dat [medeverdachte] in de penitentiaire inrichting in Nieuwegein tegenover hem verklaard zou hebben dat hij, [medeverdachte], [N] uit het niets, per ongeluk een paar stompen had gegeven, waarna [N] een paar dagen later overleden was.

[D] heeft later, op 30 november 2011, bij de rechter-commissaris ontkend dat [medeverdachte] zoiets tegen hem gezegd zou hebben. Dit heeft [D] op 5 december 2011 onder ede bij de rechter-commissaris herhaald. Vervolgens is [D] ter terechtzitting op 8 december 2011 op deze laatste twee verklaringen teruggekomen en heeft hij zijn, in eerste instantie, bij de politie afgelegde verklaring herhaald.

De rechtbank overweegt dat [D] in een korte periode zeer wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over hetgeen [medeverdachte] tegen hem gezegd zou hebben, over hoe lang hij [medeverdachte] kent, over de stukken die hij wel of niet gezien zou hebben en de informatie die hij daaruit wel of niet zou hebben verkregen. Voorts kan [D] geen enkele specifieke informatie geven over hetgeen er gebeurd zou zijn, zoals waar [N] geslagen zou zijn, hoe vaak e.d.

Verder heeft getuige [E], die gelijktijdig met [medeverdachte] en [D] in dezelfde penitentiaire inrichting verbleef, verklaard dat hij samen met [D], voordat [D] zijn - voor [medeverdachte] - belastende verklaring had afgelegd, het dossier of delen daarvan heeft gelezen, waaronder de verklaring van [X]. Ook heeft getuige [E] aangegeven dat [D] hem had verteld dat hij [medeverdachte] niet mocht en voor de grap zou vertellen dat [medeverdachte] tegenover hem bekend had.

[D] heeft verder desgevraagd aangegeven dat hij ten tijde van zijn eerste melding bij de politie bezig was met het bewerkstelligen van een overplaatsing naar een andere penitentiaire inrichting. De verdediging heeft geopperd dat hierin ook een motief zou kunnen liggen voor [D] om valselijk belastend te verklaren over [medeverdachte]. Een in deze zaak afgelegde verklaring tegen [medeverdachte] zou [D] in dat verband immers extra goodwill bij justitie kunnen opleveren en aldus de door hem gewenste overplaatsing dichterbij kunnen brengen. Tijdens zijn verhoor ter terechtzitting heeft [D] deze twijfel omtrent de zuiverheid van zijn motieven naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen wegnemen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de betrouwbaarheid van de door [D] afgelegde verklaringen dermate onzeker is, dat daaraan geen (vergaande) conclusies ten aanzien van de schuld of onschuld van [medeverdachte] kunnen worden verbonden.

c. De getuigenverklaring van [F]

[F] heeft op 4 november 2011 verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] in de penitentiaire inrichting in Nieuwegein (P.I.) tegenover hem heeft verklaard dat hij, [medeverdachte], het kind (hierna te noemen: [N]) had geslagen. Bij de rechter-commissaris op 30 november 2011 verklaarde getuige vervolgens -zakelijk weergegeven- het navolgende.

[medeverdachte] heeft tegenover mij verklaard dat [N] niet wilde slapen. Zijn moeder (verdachte [verdachte]) was al een paar keer naar hem toe geweest. [medeverdachte] is vervolgens naar [N] toegegaan. [N] lag in bed en hij heeft toen zijn hand op de mond van [N] gelegd, zodat hij op zou houden met huilen, Hij heeft hem toen twee of drie stompen in zijn buik gegeven. Hij zei dat het niet zijn bedoeling was dat het kind zou overlijden. Vier dagen later is [N] overleden. Een aantal dagen voordat hij [N] had geslagen, zou [N] ziek zijn geweest. Zijn moeder was enkele dagen voor het slaan nog met [N] naar de dokter geweest. De ochtend na het slaan was [N] niet lekker. De moeder dacht dat [N] nog griep had en had daarom gewacht om naar de dokter te gaan. [N] was vier dagen lang aanhankelijk geweest, was niet lekker en speelde niet.

Op de terechtzitting van 8 december 2011 weigerde [F] een verklaring af te leggen omdat hij het niet eens was met het feit dat hij was overgeplaatst naar een gesloten inrichting.

Ten tijde van de zitting d.d. 20 april 2012 was [F] inmiddels vrijgekomen in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling en bevestigde hij zijn eerder bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring.

[F] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij, [F], binnen de P.I. bij een groepje hoorde dat er van overtuigd was dat [medeverdachte] verantwoordelijk was voor de dood van [N], dit speelde een week voordat hij het gesprek met [medeverdachte] had. Dit groepje wilde [medeverdachte] flink aanpakken.

De rechtbank overweegt dat uit het vorenstaande afgeleid kan worden dat [F] kennelijk enig belang had bij het afleggen van een verklaring omtrent [medeverdachte] en dat [F] kennelijk negatieve gevoelens en/of bedoelingen had ten aanzien van [medeverdachte], nog voordat [F] zijn, voor [medeverdachte] zeer belastende, verklaring, aflegde.

De rechtbank constateert daarnaast dat de gedetailleerde verklaring van [F] op een aantal punten wordt weersproken en/of niet wordt bevestigd.

Zo volgt uit het dossier niet dat [N] tot op de zaterdag (26 maart 2011) voor zijn overlijden ziek zou zijn geweest of anderszins bijzonder of afwijkend gedrag vertoonde. Integendeel, uit getuigenverklaringen blijkt dat [N] speelde, buiten voetbalde, patat at en snoepte. Het bezoek aan de huisarts op de vrijdag (25 maart 2011) voor zijn overlijden betrof alleen de plek op zijn wang en de huisarts zijn geen bijzonderheden omtrent het gedrag van [N] opgevallen. Hetgeen [F] heeft gezegd over de dagen voorafgaand aan het moment dat er geslagen of gestompt zou zijn, kan niet juist zijn. Uit het dossier blijkt dat [N] in de periode van 17 tot en met 22 maart 2011 bij de zus van verdachte verbleef en toen niet ziek was. [medeverdachte] heeft in die dagen geen contact gehad met [N]. Ook blijkt uit het medische dossier dat verdachte in die periode niet met [N] bij de dokter is geweest.

Voorts heeft de rechtbank geconstateerd dat er in de periode voorafgaande aan de eerste verklaring van [F] zowel binnen als buiten de P.I. veel werd gesproken over de onderhavige zaak en dat daarbij de wildste geruchten de ronde deden. Op basis van getuigenverklaringen acht de rechtbank daarbij tevens aannemelijk dat (delen van) het dossier van [medeverdachte] in het bezit van derden was/waren en/of door derden, ook binnen de P.I., was/waren ingezien, waaronder mogelijk ook de reeds eerder door [X] afgelegde verklaring tegen [medeverdachte], welke verklaring op enkele punten overeenkomsten vertoont met de door [F] afgelegde verklaring. Ook bevond zich in dat dossier medische informatie omtrent (de oorzaken van) het letsel van [N]. Derhalve kan niet worden gezegd dat [F] de in zijn verklaring gegeven beschrijving omtrent de toedracht van het overlijden van [N], welke op zich zou kunnen passen bij de (forensisch-) medische bevindingen, slechts kan hebben vernomen van [medeverdachte] zelf.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat ook de betrouwbaarheid van de door [F] afgelegde verklaringen dermate onzeker is, dat daaraan geen (vergaande) conclusies ten aanzien van de schuld of onschuld van [medeverdachte] kunnen worden verbonden.

d. Overige bewijsmiddelen

Het dossier bevat meerdere verklaringen dat medeverdachte [medeverdachte] verdachte mishandelde. De rechtbank acht bij vonnis van heden ook tevens bewezen dat [medeverdachte] [N] vanaf het moment dat hij bij verdachte introk zodanig hardhandig bejegende dat dit tot letsel bij [N] leidde en mitsdien als mishandeling moet worden gekwalificeerd. De rechtbank constateert echter tevens dat (behalve [X]) niemand van de zeer vele gehoorde getuigen, en ook verdachte zelf niet, heeft verklaard dat zij ooit hebben waargenomen dat verdachte [N] zou hebben geslagen of geschopt. De beschreven gewelddadige handelingen van [medeverdachte] in het verleden ten aanzien van [N] en verdachte roepen zonder twijfel ernstige bedenkingen op, maar zijn, nu voldoende betrouwbaar ander bewijs terzake ontbreekt, op zichzelf onvoldoende redengevend voor het bewijs dat [medeverdachte] ook de hem onder 1 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Bewijsmiddelen en overige informatie betreffende [X] (alias “[X]”)

Uit de verklaringen van verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] volgt dat [X] regelmatig in hun woning verbleef en daar ook bleef slapen. Dit was ook het geval in de dagen voorafgaand aan het overlijden van [N].

Uit de reeds hiervoor genoemde verklaringen van [X] volgt dat hij in de dagen voorafgaand aan het overlijden van [N] in ieder geval één keer (waarschijnlijk van donderdag op vrijdag) en mogelijk twee keer, in de woning van verdachten aanwezig is geweest en heeft geslapen terwijl [N] daar aanwezig was.

[X] sliep op dezelfde verdieping als waar de slaapkamer van [N] gelegen was, terwijl de slaapkamer van verdachte en haar medeverdachte één verdieping lager was gelegen. [X] is blijkens zijn eigen verklaring van 19 mei 2011 bij die gelegenheid zelf ook in de slaapkamer van [N] geweest om hem een kusje te geven, terwijl deze daar in bed lag. Verdachte en [medeverdachte] zouden niet daarbij zijn geweest. Hoewel uit de verklaringen van verdachte, haar medeverdachte [medeverdachte] en [X] niet kan worden afgeleid dat [X] los van voorgaande ontmoeting in de slaapkamer op enig moment alleen met [N] in de woning aanwezig is geweest en verdachten op het moment, of de momenten, dat [X] in die periode in hun woning verbleef, niets bijzonders hebben gezien, gehoord of opgemerkt voor wat betreft [N], is de rechtbank van oordeel dat op basis van het aan de rechtbank voorgelegde dossier (enige) betrokkenheid van [X] bij de uiteindelijk fatale mishandeling van [N], of wetenschap daarvan, niet volledig kan worden uitgesloten.

Eindoordeel

De rechtbank overweegt dat het op basis van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal aannemelijk is dat verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte] [N] in de dagen voorafgaand aan zijn overlijden heeft of hebben mishandeld waarbij aan [N] het uiteindelijke fatale letsel werd toegebracht, dan wel dat één van hen of beiden wetenschap had(den) van de mishandeling van [N] door de ander. Ook kan niet uitgesloten worden dat [X] verantwoordelijk kan zijn voor het toebrengen van het fatale letsel.

De rechtbank overweegt terzake echter tevens dat de kans reëel moet worden geacht dat slechts één persoon het letsel aan [N] heeft toegebracht en dat deze persoon dat ook gedaan kan hebben zonder dat daar een ander of anderen bij waren. Uit de bewijsmiddelen in het dossier volgt dat de andere in de woning aanwezige personen, mede ook gezien de aard en het beloop van het letsel, niet van het toebrengen van het letsel op de hoogte hoeven te zijn geweest. De rechtbank herhaalt in dit verband nog eens dat uit het onderzoek is gebleken dat zowel verdachte als [medeverdachte], op één of meer momenten in de periode van 22 tot en met 26 maart 2011 (de periode waarin het letsel hoogstwaarschijnlijk is toegebracht), alleen met [N] in de woning zijn geweest en dat [X] in ieder geval op één moment buiten aanwezigheid van verdachte en [medeverdachte] bij [N] in zijn slaapkamer is geweest.

Zoals uit het hiervoor overwogene blijkt heeft het uitvoerige forensisch-medisch onderzoek geen aanwijzingen opgeleverd omtrent de persoon die het letsel aan [N] heeft toegebracht. Er zijn ook geen getuigenverklaringen waaruit de directe betrokkenheid van verdachte, [medeverdachte] of [X] bij de dood van [N] zou kunnen worden afgeleid. De getuigenverklaringen die wel voorliggen acht de rechtbank onvoldoende betrouwbaar om de veroordeling van verdachte te kunnen dragen. Dit laatste te meer nu uit het dossier ook niet direct als ongeloofwaardig of als irrelevant te duiden aanwijzingen naar voren komen dat het mogelijk niet verdachte, maar [medeverdachte] is geweest, die de ten laste gelegde geweldshandelingen jegens [N] heeft gepleegd terwijl ook de betrokkenheid van [X] niet volledig uitgesloten kan worden. Ook daarom is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat het verdachte is geweest die het geweld op [N] heeft uitgeoefend waaraan hij is overleden en/of dat verdachte hier wetenschap van had.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, te weten (het medeplegen van) de moord, danwel de doodslag, op [N] en alle verdere onder feit 1 subsidiair, feit 1 meer subsidiair en feit 1 uiterst subsidiair ten laste gelegde varianten daarvan.

De rechtbank realiseert zich terdege dat dit vonnis in de samenleving en bij de nabestaanden van [N] in het bijzonder, gevoelens van onrechtvaardigheid, verontwaardiging en onbegrip kan en zal oproepen. De vraag wie (mede)verantwoordelijk is of zijn voor de dood van [N] blijft immers onbeantwoord en de dader of daders worden niet bestraft.

Ook de rechtbank vindt dit een uitermate onbevredigende uitkomst. De gewelddadige dood van een klein en jong kind als [N] is een afschuwelijk feit dat vraagt om opheldering. Wie (mede)verantwoordelijk is voor de harde slagen of schoppen in de buik en daarmee (mede)verantwoordelijk is voor het overlijden van [N] is echter ondanks uitvoerig onderzoek niet duidelijk geworden. Voor iedereen die bij deze zaak betrokken is, vormt dat een moeilijk of niet te accepteren uitkomst, temeer omdat het aannemelijk lijkt dat de schuldige uit een kring van slechts drie personen afkomstig moet zijn, te weten verdachte, haar medeverdachte [medeverdachte] en genoemde [X]. Het is moeilijk te geloven dat niet minimaal één van hen de ware toedracht zou kennen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het echter geen aanvaarbaar alternatief om, ondanks dat niet buiten redelijke twijfel de individuele betrokkenheid van verdachte (en/of van de andere genoemde personen) bij het overlijden van [N] kan worden aangetoond, toch tot een veroordeling van een of meerdere van hen te komen. Daardoor zou immers niet zozeer worden gerealiseerd dat aan [N] recht wordt gedaan, maar zou veeleer de geenszins denkbeeldige kans worden aanvaard dat nieuw onrecht (in de vorm van veroordeling van een aan dit feit onschuldig persoon) aan het [N] aangedane onrecht zou worden toegevoegd.

Dit acht de rechtbank de rechtstaat en het rechtssysteem onwaardig.

Feit 2

Bevindingen deskundigen

Op het lichaam van [N] werd sectie verricht door de NFI-arts en -patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe en zij is daar ter zitting als deskundige over gehoord. Daarnaast heeft drs. R.A.C. Bilo van het NFI de bevindingen naar aanleiding van de sectie bekeken en beoordeeld. Drs. Bilo heeft voorts een aanvullend rapport uitgebracht, betreffende eerdere geconstateerde letsels bij [N] en is daarover ook ter zitting als deskundige gehoord.

Bij de sectie op het lichaam van [N] werden, naast de onder feit 1 genoemde letsels, onderhuidse bloeduitstortingen (blauwe plekken) aangetroffen aan de linker oorschelp, rechter oorlel en aan de kaakrand/hals links. Verder was er letsel aan de linkerwang tot aan de bovenlip en linkermondhoek letsel. Voorts werden onderhuidse bloeduitstortingen en/of littekens en/of huidbeschadigingen op diverse plaatsen in de mond, achter het linkeroor, op de schedel, aan het voorhoofd, in de hals, aan de bovenkant en rechterzijkant van de borstkas, aan de rechterarm, aan de rechterknie en het linker- en rechteronderbeen geconstateerd.

De patholoog merkt op dat de aard en distributie van de letsels bij [N] zeer suspect zijn voor doorgemaakte kindermishandeling.

A. Overwegingen betreffende de aan verdachte tenlaste gelegde mishandeling(en)

A1. mishandeling tweede gedachtestreepje

Letsel aan de wang

Aan de linkerwang, tot aan de linkermondhoek, bovenlip links, was een letsel met een specifiek patroon: het betrof een min of meer rechthoekig letsel met scherpe afgrenzing naar de omliggende huid, bestaande uit een ca. 4,5 x max. 3 cm gebied van huidloslating en onderhuidse rode verkleuring van bloeduitstorting. Het letsel liep tot aan de bovenlip links, waar aan de binnenzijde van de bovenlip op dit niveau oppervlakkige beschadiging in het slijmvlies werd gezien in een gebied van 1,5 x 1 cm.

Voornoemd letsel was bij leven ontstaan en kan zijn ontstaan door de inwerking van uitwendig thermisch geweld (bijvoorbeeld het aandrukken van een verhit voorwerp), zoals bijvoorbeeld door slaan, stoten), chemische geweldsinwerking (door irriterende, bijtende stoffen).

Niet kan worden aangegeven welke oorzaak meer waarschijnlijk is dan een van de andere oorzaken.

Drs. Bilo onderschrijft de bevindingen van de patholoog. Drs. Bilo stelt tevens dat het onwaarschijnlijk is dat de afwijking, die uiteindelijk bij de gerechtelijke sectie werd vastgesteld, ontstaan is als vervolg op de aanwezigheid van 3 krabletsels ter plaatse.

Op basis van uitgevoerd wonddateringsonderzoek kan gesteld worden dat het letsel 3 tot 5 dagen voor het overlijden van [N] is ontstaan.

Verdachte heeft aangegeven dat voormeld letsel zou zijn ontstaan als gevolg van het smeren van crème op de wang van [N]. De patholoog heeft verklaard dat zij, op basis van haar eigen ervaring, nooit heeft gezien dat als gevolg van het smeren van een crème een dergelijk uitgebreid letsel is ontstaan. Drs. Bilo heeft in zijn bevindingen aangegeven dat hij het niet waarschijnlijk acht dat het letsel een reactie is op het smeren van (arnica)zalf op een eerder wondje.

De patholoog heeft aangegeven dat zij, op basis van de haar bekende gegevens, niet kan aangeven of het letsel een niet-accidentele toedracht (letsel als gevolg van menselijk handelen) of accidentele toedracht (val of ongeval) heeft. Ook over eventueel opzet kan zij geen uitspraak doen.

Drs. Bilo acht, gelet op het gegeven dat het letsel zich op een plaats bevindt die men niet ziet bij accidenteel opgelopen trauma, niet accidenteel trauma waarschijnlijker dan accidenteel trauma, mede gezien het ontbreken van een plausibele accidentele toedracht. Over eventueel opzet kan niets gezegd worden. Gelet op de diepte van de wond kan gesteld worden dat deze door zowel accidenteel als niet-accidenteel trauma veroorzaakt kan zijn.

Moment van ontstaan

De rechtbank acht het, op basis van de verklaringen van verdachte, haar medeverdachte [medeverdachte] en diverse getuigen, aannemelijk dat het letsel aan de wang van [N] is ontstaan in de periode van donderdag op vrijdagnacht (24 op 25 maart 2011). Deze tijdsbepaling vindt steun in de bevindingen van de patholoog en de verklaringen van getuigen [G] en [H].

Verklaring verdachte

De rechtbank overweegt dat verdachte bij de politie en ter terechtzitting wisselende en deels tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent (het ontstaan van) het letsel op de wang van [N].

(p.75) Verdachte heeft in eerste instantie aangegeven dat zij op donderdag (24 maart 2011) bij het douchen zag dat [N] krasjes op zijn wang had. Vrijdagochtend (25 maart 2011) zou [N] zelf crème op de krasjes hebben gesmeerd, waarna er een allergische reactie gevolgd zou zijn.

(p. 108/110) Wanneer zij geconfronteerd wordt met de verklaringen van getuigen [H] en [G] die verklaren dat zij, al dan niet na het douchen van [N], geen krasjes bij [N] hebben gezien, verklaart verdachte dat de krasjes pas later kwamen en dat zij niet weet hoe [N] er aan kwam.

(p. 120) Vervolgens verklaart zij dat zij vrijdagochtend, nadat [N] op was gestaan, die plek op zijn gezicht zag. De krasjes zag zij toen pas, die zaten onder de plek verstopt.

(p. 146) Verdachte verklaart dan dat zij [N] vrijdagochtend uit bed haalde en de plek zag. [N] had er vervolgens zelf crème opgesmeerd. Zij had de crème er gelijk afgehaald en de plek was daardoor niet erger geworden.

Ter terechtzitting heeft verdachte (uiteindelijk) verklaard dat de plek roder was geworden nadat [N] er crème op had gesmeerd en dat zij de crème er daarna had afgehaald.

De rechtbank acht het, gelet op de bevindingen van de deskundigen over het letsel op de wang, niet aannemelijk dat het (forse) letsel is ontstaan ten gevolge van het smeren van (arnica)crème op een eerder ontstaan wondje. Deze door verdachte gegeven oorzaak voor het geconstateerde letsel bij [N] acht de rechtbank niet plausibel. Bij dit oordeel heeft de rechtbank tevens betrokken dat verdachte tegenover de politie heeft verklaard dat zij tegenover derden verhalen verzon over de oorza(a)ken van letsel bij [N] en uit medische gegevens blijkt dat zij kennelijk al eerder bij een -als suspect geduide- ziekenhuisopname van [N], als oorzaak van letsel bij [N] had aangegeven dat deze zelf een crème (in zijn oog) zou hebben gesmeerd. Deze feiten en omstandigheden tasten naar het oordeel van de rechtbank de geloofwaardigheid van verdachte ernstig aan.

Conclusie rechtbank

Uit het voorgaande blijkt dat er voor het -forse- bij [N] geconstateerde letsel in het gezicht geen plausibele niet-accidentele oorzaak is gegeven. De oorzaak die door verdachte is gegeven merkt de rechtbank aan niet als plausibel. De verklaringen van verdachte omtrent de oorzaak van het letsel van [N] zijn voorts wisselend en deels tegenstrijdig. Verder stelt de rechtbank vast dat in de betreffende -beperkte- periode het vrijwel uitsluitend verdachte is geweest die in de nabijheid van [N] is geweest, en het voorts -gezien de aard en de ernst daarvan- onaannemelijk moet worden geacht dat zij -indien het letsel door medeverdachte [medeverdachte] en/of [X] zou zijn toegebracht- dit niet zou hebben bemerkt..

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest, die [N] het betreffende letsel heeft toegebracht en kwalificeert dit toebrengen als (kinder)mishandeling. Naar algemene ervaringsregels is de rechtbank tevens van oordeel dat het aldus toegebrachte letsel ook pijn bij [N] heeft veroorzaakt.

A1. mishandeling, overige gedachtestreepjes

Vrijspraak

De rechtbank acht evenals de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de overige onder feit 2 primair ten laste gelegde handelingen/gedragingen.

De rechtbank merkt hierbij op dat de verklaringen van de getuige Vos, die verklaart dat zij heeft gezien dat verdachte [N] in het gezicht sloeg, en getuige De Reuver, die verklaart dat zij relatief lang geleden gezien heeft dat verdachte [N] tegen het achterhoofd sloeg, welke gedragingen overigens door verdachte worden ontkend, niet ondersteund worden door enig ander bewijsmiddel en deels (door getuige Vos) bij de rechter-commissaris in belangrijke mate zijn afgezwakt..

Voorts heeft drs. Bilo met betrekking tot de “zondags” elleboog van [N] aangegeven dat niet uit te sluiten is dat dit accidenteel toegebracht letsel betreft en dat de door verdachte gegeven verklaring omtrent de oorzaak hiervan plausibel is. Naar de juistheid van deze door de verdachte gegeven verklaring is verder geen tactisch politieonderzoek gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen het dossier en de bevindingen van de deskundigen dan ook onvoldoende basis voor bewezenverklaring van de betreffende, in de tenlastelegging omschreven, overige gedragingen/handelingen.

Voorbedachten rade

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat er op grond van het dossier geen aanknopingspunten zijn die het aannemelijk maken dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Medeplegen

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat er op grond van het dossier geen aanknopingspunten zijn die het aannemelijk maken dat bij voormelde handelingen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en/of haar medeverdachte [medeverdachte] en/of een ander.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

B. Overwegingen betreffende de aan verdachte tenlastegelegde medeplichtigheid aan mishandeling

De rechtbank acht op basis van de hieronder vermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de medeverdachte [medeverdachte] [N] heeft mishandeld op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Bij vonnis van heden is [medeverdachte] ook voor deze mishandelingen veroordeeld.

Letsel kaakrand/hals links

Aan de kaakrand/hals links was een onderhuidse bloeduitstorting zichtbaar, welk letsel bij leven was ontstaan. De patholoog heeft ter terechtzitting verklaard dat de blauwe plek aan de kaak veroorzaakt kan zijn door een uitwendige geweldsinwerking. Dat kan van botsend of samendrukkend geweld zijn, of een combinatie van beide. De patholoog acht beide mogelijkheden even waarschijnlijk. De patholoog is van oordeel dat het letsel niet veroorzaakt is door een reanimatie. Onderhuidse bloeduitstortingen in dat gebied ontstaan in het algemeen niet ten gevolge van reanimatie.

Drs. Bilo volgt de conclusie van de patholoog deels en voegt daaraan toe dat de aard van de afwijking zoals zichtbaar op het fotomateriaal meer lijkt te passen bij samendrukkend dan bij stomp botsend geweld, hoewel stomp botsend geweld niet uitgesloten kan worden geacht. Het is niet uit te sluiten dat het letsel eventueel kan zijn ontstaan door de reanimatiepogingen, het is echter geen logische plaats voor blauwe plekken. Bij reanimatie ziet men meestal blauwe plekken onder de kin.

Letsels aan de oren

Aan de linkeroorschelp en de rechter oorlel waren onderhuidse bloeduitstortingen zichtbaar. Uit de bevindingen van de patholoog volgt dat voornoemde letsels bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld zoals door stoten (vallen, slaan, (af)drukken) kan ontstaan. Dergelijke letsels zijn in het algemeen niet van accidentele aard en heel suspect voor het trekken aan of het knijpen in het oor.

Uit de bevindingen van drs. Bilo volgt dat blauwe plekken aan beide oren uiterst zeldzaam zijn en om die reden suggestief voor toegebracht letsel in de vorm van de inwerking van samendrukkend geweld, zoals kan optreden bij knijpen in of trekken aan de oren. Hij concludeert dat de onderhuidse bloeduitstortingen aan beide oren als gevolg van de inwerking van samendrukkend geweld zeer veel meer waarschijnlijk zijn bij een niet-accidentele toedracht dan bij een (bekende of onbekende) accidentele toedracht. Ter zitting heeft drs. Bilo aangegeven dat blauwe plekken bij het oor zeker niet accidenteel zijn.

Letsels in de mond

In het wangslijmvlies en het slijmvlies van de boven- en onderlip werden littekens aangetroffen. Uit de bevindingen van de patholoog volgt dat voornoemde letsels (littekens) bij leven ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld, zoals door stoten kan zijn ontstaan. Drs. Bilo onderschrijft de conclusies van de patholoog.

De patholoog heeft ter zitting verklaard dat letsels aan de binnenzijde van de mond bij kinderen vaak niet accidenteel zijn. Bij kinderen ziet men, als zij zich accidenteel stoten, wel letsel waar men dit verwacht, aan de buitenkant van de mond. Letsel aan de binnenkant is in dat geval niet uit te sluiten. [N] had meerdere letsels aan de binnenzijde van de mond, dat waren littekens geworden. Die zaten op een plek waar men moeilijk komt door middel van een botsende inwerking in het algemeen. Bovendien genezen accidentele letsels aan de lip vaak zonder littekens. Het feit dat er littekens zijn ontstaan, geeft aan dat het uitgebreide letsels zijn geweest -groter qua omvang en dieper- omdat men anders niet zo een uitgebreide reactie krijgt in de vorm van littekenvorming. Het is mogelijk dat een component veroorzaakt kan zijn door het inbrengen van een voorwerp, dat is echter geen verklaring voor het gehele beeld van het letsel.

De patholoog acht het derhalve zeer waarschijnlijk dat deze letsels een niet accidentele toedracht hebben.

Letsels aan beide zijden van de hals

Uit de bevindingen van drs. Bilo volgt dat op de foto’s, welke in beslag genomen zijn onder [K], afwijkingen zichtbaar zijn die lijken te passen bij onderhuidse bloeduitstortingen. Deze afwijkingen zijn zowel links als rechts (symmetrisch) gelokaliseerd op de kaaklijn, halverwege de kin en de oorlel. Indien de zichtbare afwijkingen inderdaad onderhuidse bloeduitstortingen zijn, zijn deze afwijkingen (gezien de leeftijd van [N], de omvang – voor zover te beoordelen, de lokalisatie en de symmetrie van de afwijkingen) zeer veel meer waarschijnlijk bij een niet-accidentele toedracht (toegebrachte letsels, als gevolg van menselijk handelen) dan bij een accidentele toedracht (val of ongeval).

Ter zitting heeft drs. Bilo verklaard dat voornoemd letsel op een “gripmark”, het met een hand vastgrijpen van de keel, lijkt. De deskundige plaatst daarbij zijn hand tegen/om zijn keel, waarbij hij zijn vingers/duim aan weerszijden van de hals plaatst.

[I] (p.809) heeft verklaard dat zij begin maart 2011 blauwe plekken in de hals van [N] had gezien, het zag er uit als een handafdruk. Zij had hiervan foto’s gemaakt. [N] had daarvan tegen haar gezegd dat [medeverdachte] hem bij de nek had vastgepakt en hij had daarbij met zijn eigen handje zijn keel vastgepakt. Tegen getuige had [verdachte] gezegd dat het was gekomen omdat [medeverdachte] [N] daar gekust had.

De rechtbank acht het gelet op de bevindingen van de deskundige aannemelijk dat voornoemde letsels aan de hals een niet-accidentele toedracht hebben. De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat de letsels, mede gelet op het feit dat de letsels zich aan beide zijden van de hals van [N] bevinden, het gevolg zijn van een zogenaamde “gripmark”, het met een hand bij de keel vastpakken.

Drs. Bilo heeft ter zitting verklaard dat het beeld van blauwe plekken bij [N], los van de plekken op de buik, niet past bij accidenteel trauma. Dit geldt met name voor de plekken op de kin, de kaakrand en het oor.

De verklaring van de beide verdachten dat [N] snel blauwe plekken had, vormt naar het oordeel van drs. Bilo geen plausibele verklaring voor de aangetroffen blauwe plekken.

Andere oorzaken/toedracht

De patholoog heeft verklaard dat er op basis van het dossier en het door de patholoog uitgevoerde microscopisch onderzoek geen bijzonderheden zijn aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van eventuele stollingsproblemen/verhoogde bloedingsneiging bij [N]. Derhalve kan er vanuit gegaan worden dat [N] geen stollingsprobleem had.

De rechtbank heeft geconstateerd dat [N] op [2007] is geboren.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij met [N] stoeide en hem zuigzoentjes gaf. Hij wist dat [N] blauwe plekken kreeg van het zuigen dat hij bij hem deed. Die blauwe plekken ontstonden op zijn wangen, hals, ter hoogte van zijn tietjes en op zijn bovenarmen. Hij deed dat best wel vaak bij [N], ook een paar dagen geleden nog.

Verdachte en [medeverdachte] hebben verklaard dat [medeverdachte] al langer dan een jaar als een vader in relatie tot [N] stond, [N] noemde hem papa.

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) haar zoontje [N] hard kuste. [medeverdachte] kuste van die zuigplekjes, dat heeft zij in zijn gezichtje gezien. Zij dacht dan: “Doe het op zijn buikje of ergens waar de mensen het niet zien.” [medeverdachte] stoeide ook hard met [N] en dan had [N] weer een blauwe plek van het stoeien. Dat moest [medeverdachte] echt niet doen bij [N] want die werd gelijk blauw. Tegen [medeverdachte] zei zij dat hij rustig aan moest doen, maar [medeverdachte] ging gewoon door. De mensen zouden haar er op aan kijken. Elke keer moest zij [medeverdachte] verdedigen; iets verzinnen over die plekjes, hoe dat kwam.

Medeplichtigheid verdachte

Van medeplichtigheid is sprake wanneer iemand voor een ander de gelegenheid verschaft tot het plegen van een misdrijf. Verdachte heeft ontkend wetenschap te hebben gehad van de mishandelingen van [N] door [medeverdachte]. Zo deze verklaring al niet direct wordt ontkracht door verdachtes andere verklaringen omtrent de (hardhandige) wijze waarop [medeverdachte] met [N] omging, is de rechtbank ook op basis van de beschrijving van de geconstateerde letsels van oordeel dat het verdachte redelijkerwijs niet kan zijn ontgaan dat [N] door [medeverdachte] werd mishandeld. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesterkt door verdachtes eigen verklaring dat zij telkenmale naar derden toe "weer iets moest verzinnen" over de oorzaak van letsels bij [N], hetwelk redelijkerwijs niet ander te begrijpen is dan dat verdachte zich zeer goed bewust was van de werkelijke oorzaak van de letsels, maar er voor koos deze werkelijke oorzaak te verzwijgen.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte niet alleen wist van de mishandelingen van [N] door [medeverdachte], maar hem daartoe ook telkens opzettelijk de gelegenheid heeft gegeven door [N] aan de zorg van [medeverdachte] toe te vertrouwen, niet in te grijpen, door geen hulp te zoeken en door het telkens verzinnen van smoesjes omtrent de oorzaak van het letsel tegenover derden.

Het voorgaande maakt tevens duidelijk dat het verweer van de raadsvrouw van verdachte dat het –zakerlijk weergegeven- mogelijk dan wel waarschijnlijk is dat verdachte (haar waarnemingen heeft geloochend feitelijke grondslag mist. Het meermalen bewust liegen tegenover hulpverleners over de oorzaken van [N]s mishandelingen impliceert immers een expliciete en doordachte keuze van verdachte, en past niet in een scenario waarbij sprake zou zijn van onbewuste verdringing. In dat laatste geval zou immers mogen worden verwacht dat verdachte tegenover hulpverleners zou aangeven dat zij geen verklaring had voor letsels, in plaats van het bewust aanreiken van "verzonnen" oorzaken.

Voor zover de raadsvrouw door middel van het genoemde verweer tevens heeft beoogd te betogen dat verdachte geen opzet op de medeplichtigheid had, overweegt de rechtbank dat verdachtes "bewust verzinnen" en het door (blijven) alleen laten van [N] niet anders te begrijpen is dan dat verdachtes handelen ook opzettelijk geschiedde, waarbij zij tevens -minst genomen- willens en wetens de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat (nieuwe) mishandeling(en) zou(den) plaatsvinden. Het enkele feit dat verdachte (meermalen) tegen [medeverdachte] gezegd zou hebben dat deze rustig aan moest doen, doet naar het oordeel van de rechtbank aan dit haar te maken strafrechtelijke verwijt niet af, nu het tevens voor verdachte kenbaar en zichtbaar moet zijn geweest, dat dit niet tot gevolg had dat [medeverdachte] zijn (mishandelende) gedragingen tegen [N] beëindigde.

Nu het verweer van de raadsvrouw inzake het mogelijk door haar loochenen van de werkelijkheid reeds op bovengenoemde gronden dient te worden verworpen, acht de rechtbank het ook niet noodzakelijk in dit verband een nader psychiatrisch onderzoek naar verdachte te verrichten, zoals door de raadsvrouw gevraagd, en wijst zij het verzoek daartoe dan ook af.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte derhalve niet alleen wist van de mishandelingen van [N] door [medeverdachte], maar dat zij hem daartoe ook telkens opzettelijk de gelegenheid heeft gegeven door [N] aan de zorg van [medeverdachte] toe te vertrouwen, niet in te grijpen, door geen hulp te zoeken en door het telkens verzinnen van smoesjes omtrent de oorzaak van het letsel tegenover derden.

De rechtbank acht op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medeplichtig is aan de hiervoor genoemde mishandeling van haar zoon [N] door medeverdachte [medeverdachte]. Naar algemene ervaringsregels is de rechtbank tevens van oordeel dat de toegebrachte letsels ook pijn bij [N] hebben veroorzaakt.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat:

ten aanzien van feit 2:

verdachte in de periode van 24/25 maart 2011 opzettelijk mishandelend bij een persoon, te weten [N] (geboren op [2007]), zijnde haar kind, opzettelijk uitwendig chemisch/thermisch/mechanisch botsend geweld heeft toegepast ten aanzien van het gezicht, waardoor voornoemde [verdachte] letsel heeft bekomen en pin heeft ondervonden;

en

[medeverdachte] in de periode van 1 januari 2010 tot en met 27 maart 2011 te Utrecht, telkens opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [N] [verdachte] (geboren op [2007]), zijnde een kind dat hij verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin, opzettelijk, meermalen,

- (met kracht) heeft geslagen en/of gestompt op/tegen/in het hoofd en/of het gezicht en/of de mond en/of een of meer arm(en) en/of de borst en/of de nek/hals, althans het lichaam, en

- met kracht met de hand, bij de hals heeft vastgepakt en vastgehouden en daarin geknepen en

- krachtige zuigzoenen heeft gegeven aan het lichaam,

waardoor voornoemde [verdachte] (telkens) letsel heeft bekomen.en/of pijn heeft ondervonden

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot en met 27 maart 2011, te Utrecht, medeplichtig is geweest door daartoe opzettelijk gelegenheid te geven, door die [verdachte], tot wiens bescherming en verzorging zij als ouder rechtens verplicht was en terwijl zij wist van meerdere eerdere geweldshandelingen van die [medeverdachte] tegen deze [verdachte], waardoor deze [verdachte] telkens letsel had opgelopen,

- alleen te laten bij/met [medeverdachte], althans die [medeverdachte] in de gelegenheid te stellen alleen te zijn met deze [verdachte], en die [verdachte] aan de zorg van deze [medeverdachte] toe te vertrouwen, en

- door eerdere geweldshandelingen van die [medeverdachte] tegen deze [verdachte] niet mee te delen aan de haar ter beschikking staande hulp- en/of zorgverlenende instanties, dan wel hulp in te roepen bij deze instanties, en

- door na te laten om in te grijpen ter voorkoming/verhindering dat een of meerdere van voornoemde handelingen en/of gedragingen door die [medeverdachte] zouden plaatsvinden, en niet (door woorden en/of daden) te voorkomen dat die [medeverdachte] voornoemde handelingen en/of gedragingen pleegde en kon plegen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

ten aanzien van feit 2:

mishandeling van haar kind

en

medeplichtigheid aan mishandeling van haar kind, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Omtrent de persoon van verdachte is een triple-rapportage uitgebracht d.d. 12 april 2012, opgemaakt door J.M.J.F. Offermans, psychiater, en drs. P.E. Geurkink, psycholoog.

Uit dit rapport volgt dat bij verdachte geen ziekelijke stoornis is vastgesteld, wel is er bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling, in de zin van zwakbegaafdheid, welke ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde. De deskundigen concluderen dat, indien de rechtbank een actieve rol bij het tenlastegelegde danwel medeplichtigheid daaraan bewezen acht, deze gebrekkige ontwikkeling niet van invloed was op het tenlastegelegde. Verdachte kan dan als volledig toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Indien de rechtbank een passieve rol van verdachte bewezen acht, dan heeft de gebrekkige ontwikkeling wel enige relatie met het tenlastegelegde. Geadviseerd wordt om verdachte in dat geval als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de voormelde conclusies over en maakt deze tot de hare.

Nu uit de rapportages of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

Verweer raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit het rapport van de door de verdediging ingeschakelde psychiater H.E. Sanders d.d. 22 juni 2011 volgt dat het de vraag is in hoeverre verdachte geweten heeft en/of zich ervan bewust is geweest dat er door anderen fysiek geweld werd gebruikt tegen [N]. Het is, aldus de psychiater, psychologisch mogelijk dat betrokkene dit heeft kunnen bemerken c.q. vermoeden of de sporen ervan zelfs gezien heeft, maar dat ze dit tegelijkertijd niet tot zich door heeft kunnen laten dringen, zich ervan heeft afgewend, zonder zich dat bewust te zijn. Zij heeft het geloochend.

Zoals hiervoor reeds overwogen bij de motivering van de bewezenverklaring van de medeplichtigheid aan de mishandeling(en) van [N] door [medeverdachte] is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat [medeverdachte] [N] mishandelde en dat zij daarover willens en wetens onjuiste informatie verschafte tegenover derden. Voorts blijkt uit de voornoemde triplerapportage d.d. 12 april 2012 niet van een omstandigheid als het door verdachte loochenen van de mishandelingen.

De rechtbank verwerpt dan ook het daartoe strekkende verweer van de raadsvrouw en wijst het verzoek c.q. de verzoeken van de raadsvrouw tot het horen van de psychiater Sanders (en zo bedoeld en gedaan: tot het horen van de hiervoor genoemde deskundigen van het NIFP af, nu dit verzoek/deze verzoeken naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende zijn onderbouwd en de noodzaak tot het horen van deze deskundige(n) niet is gebleken.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt dat verdachte een ambulante behandeling zal volgen en/of zich zal laten begeleiden/bijstaan bij de verzorging en opvoeding van haar eventuele toekomstige kind(eren).

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging bepleit om, in geval van een veroordeling, aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen welke gelijk of korter is aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met eventueel een voorwaardelijk deel en/of een (voorwaardelijke) werkstraf, met daarbij eventueel door de rechtbank te bepalen bijzondere voorwaarde(n).

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft haar eigen zoontje, [N],fors letsel in zijn gezicht toegebracht. Daarnaast heeft verdachte haar partner de gelegenheid gegeven [N] gedurende een langere periode meermalen te mishandelen. Verdachte heeft, terwijl zij hier wetenschap van had, niet ingegrepen en geen hulp gezocht. Verdachte heeft zelfs tegenover derden gelogen over de oorzaak van deze mishandelingen. Zij heeft er zo mede voor gezorgd dat de mishandelingen door konden gaan en dat hulpverlenende instanties niet ingrepen. [N] heeft hierdoor lichamelijk letsel bekomen en pijn ondervonden.

[N] was een nog zeer jong en kwetsbaar kind. Kinderen zijn voor hun psychisch en lichamelijk welzijn volledig afhankelijk van hun ouders en verzorgers en hebben niet de feitelijke mogelijkheid zich aan mishandelingen te onttrekken. Verdachte heeft [N] niet gegeven waar hij recht op had: geborgenheid, bescherming en het opgroeien in een veilige omgeving. Voor [N] moet het handelen van zijn moeder en haar partner uiterst bedreigend en beangstigend zijn geweest. Het is ook om deze reden dat de wetgever op deze vorm van mishandeling een zwaardere maximumstraf heeft gesteld dan op ‘normale’ mishandeling.

De rechtbank rekent verdachte haar gedragingen zwaar aan.

Het handelen van verdachte en haar partner roept ook in de samenleving gevoelens van ontzetting, verontwaardiging en onbegrip op.

Uit het omtrent verdachte, door R. Verhoef, reclasseringswerker, opgemaakte reclasseringsadvies d.d. 24 mei 2012 volgt – zakelijk weergegeven – dat de reclassering, gelet op de persoon van verdachte, adviseert om verdachte in het geval van een veroordeling en indien blijkt dat verdachte in het geheel een passieve rol heeft gespeeld een deels voorwaardelijke straf op te leggen met een ambulante behandelverplichting en begeleiding. Voorts acht de reclassering het van belang dat verdachte openheid geeft over een eventuele nieuwe zwangerschap en dat zij, indien dit nodig blijkt, hulp accepteert bij de opvoeding van haar kind.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met haar strafblad, waaruit volgt dat verdachte weliswaar eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld, maar dat dit lange tijd geleden is.

Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en, anders dan door de officier van justitie is bepleit, verdachte onder andere vrij zal spreken van feit 1, zal de rechtbank verdachte een substantieel lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende en rekening houdend met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden.

De rechtbank acht, gelet op de ernst en de aard van het bewezenverklaarde en de persoon van verdachte, begeleiding en behandeling van verdachte, zoals door de reclassering is geadviseerd, wenselijk en noodzakelijk. De rechtbank ziet echter, gelet op de lange tijd (255 dagen) die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en de aanmerkelijk kortere duur van de door de rechtbank aan verdachte opgelegde gevangenisstraf, geen ruimte meer voor oplegging van een voorwaardelijke (gevangenis)straf, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact met daarbij de eerder genoemde begeleiding en behandeling. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte, overeenkomstig haar verklaring ter terechtzitting, op vrijwillige basis zal meewerken aan behandeling en begeleiding.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [I] vordert een schadevergoeding van € 23.895,35, waarvan

€ 13.895, 35 ter zake van materiële schade en € 10.000,00 ter zake van immateriële schade.

De rechtbank constateert dat de vordering van de benadeelde partij, gelet op de inhoud en de onderbouwing daarvan, in haar geheel ziet op (de gevolgen van) het onder 1 ten laste gelegde feit.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij [I] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De rechtbank zal, nu zij niet tot een inhoudelijke behandeling van de vordering komt, de door de officier van justitie, de verdediging en de (namens de benadeelde partij) door mr. Korver ingenomen standpunten onbesproken laten.

8 Het beslag

De teruggave aan verdachte

De officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan verdachte.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 48, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 1 telkens meer subsidiair en feit 1 uiterst subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

ten aanzien van feit 2:

mishandeling van haar kind

en

medeplichtigheid aan mishandeling van haar kind, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes (6) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- computer, merk Emachines E525;

- foto-apparatuur, merk Samsung ES55;

- gsm, merk Samung S5230;

- gsm, merk Samsung E250;

- agenda;

- washandje (2 stuks);

- kussensloop (2 stuks);

- handdoek (3 stuks);

- deken (2 stuks);

- beddengoed (1 stuk);

- handdoek (3 stuks), hoeslaken (1 stuk) en kussensloop (1 stuk);

- gsm, merk Samsung 6300, met oplader;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [I] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

-

Voorlopige hechtenis

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. Z.J. Oosting, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 september 2012.