Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX8515

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
779632 UC EXPL 11-16815 k
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eenzijdige wijziging van een collectieve arbeidsvoorwaarde ex artikel 7:613. Zwaarwichtig belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0861

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 779632 UC EXPL 11-16815 k

vonnis d.d. 8 augustus 2012

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand N.V.,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Nederland N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen ASR,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.I. van Dijk.

Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 11 januari 2012, waarbij een comparitie van partijen is gelast.

De comparitie is gehouden op 22 maart 2012. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

[eiser] heeft voor repliek en ASR heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

Het geschil en de beoordeling daarvan

1. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de door partijen in het geding gebrachte producties neemt de kantonrechter het volgende als vaststaand aan:

1.1. [eiser] is met ingang van 1 oktober 1991 in dienst getreden bij Fortis, de rechtsvoorganger van ASR. Laatstelijk vervulde hij de functie van medewerker fiscale zaken tegen een loon van € 5.415,00 bruto per maand.

1.2. De arbeidsovereenkomst is per 1 april 2011 beëindigd in verband met prepensioen van [eiser]. Daartoe hebben partijen op 23 november 2009 een overeenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat [eiser] per 1 januari 2010 (in verband met een reorganisatie) is vrijgesteld van werkzaamheden (zogenaamd leeftijdsverlof) en dat de personeelsfaciliteiten van toepassing blijven indien en voor zover ASR die niet wijzigt.

1.3. Als arbeidsvoorwaarde had te gelden dat medewerkers van ASR een rentekorting op de hypotheek kregen. [eiser] heeft een hypotheekovereenkomst gesloten met AMEV, waarop die rentekorting werd toegepast.

1.4. In de Personeelsgids is opgenomen de bevoegdheid van ASR om regelingen te wijzigen.

1.5. Bij memo van 6 mei 2010 heeft de OR van ASR de Raad van Bestuur onder meer over een voorstel tot aanpassing van de rentekorting op de hypotheek geschreven:

‘De OR gaat niet akkoord met dit aangepaste voorstel, (= stopzetting geldt alleen voor de huidige actieven, alsmede voor de huidige inactieven en arbeidsongeschikten indien zij een wijziging in hun hypotheek aanbrengen). De kostenbesparing die met dit voorstel op korte termijn wordt bereikt lijkt de OR minimaal. Los hiervan vindt de OR dat in deze economisch zware tijden ook van de huidige gepensioneerden en reeds uitdienstgetreden arbeidsongeschikten een bijdrage gevraagd moet worden. De OR besluit vast te houden aan zijn standpunt dat dit voorstel ook voor hen moet worden doorgevoerd.’

1.6. Bij memo van 25 mei 2010 heeft de Raad van Bestuur aan de OR onder meer bericht te besluiten vanaf 1 juli 2010 de rentekorting bij uitdiensttreding stop te zetten, voor mensen die na die datum uit dienst gaan wegens pensionering of arbeidsongeschiktheid geldt een overgangsperiode van 5 jaar en reeds gepensioneerden en reeds uitdienstgetreden arbeidsongeschikten behouden het rentevoordeel. Dit laatste omdat stopzetting voor die groep juridisch niet mogelijk zou zijn.

1.7. Bij brief van 26 juli 2010 heeft ASR [eiser] onder meer bericht:

‘Geachte lezer,

Hierbij informeren wij u over een aantal belangrijke wijzigingen in de voordelen op personeelsproducten van ASR die per 1 juli zijn doorgevoerd.

(…)

Vanaf 1 juli 2010 geldt dat het rentevoordeel op de concernspaarrekening en de rentekorting op de hypotheeklening wordt stopgezet op het moment dat u uit dienst gaat. Dit gebeurt ongeacht de reden van uitdiensttreding dus ook bij pensionering of arbeidsongeschiktheid.

Als de einddatum van uw leeftijdsverlof na 30 juni 2010 ligt, dan is een overgangsafspraak ten aanzien van het vervallen van de hypotheekrentekorting van toepassing. Deze houdt in dat op het moment dat het leeftijdsverlof eindigt en u aansluitend daarop met pensioen gaat, de korting op de hypotheekrente 5 jaar na de datum waarop u uit dienst bent gegaan, vervalt.’

1.8. Bij brief van 13 oktober 2010 heeft ASR [eiser] onder meer bericht:

‘De wijzigingen in de personeelscondities, waaronder de hypotheekrentekorting, zijn per 1 juli 2010 doorgevoerd. De achtergrond van deze maatregel is dat wij als ASR Nederland fundamenteel onze kosten moeten reduceren. Er wordt bij deze wijziging onderscheid gemaakt tussen diegenen die nog in dienst zijn en diegenen die reeds uit dienst zijn.

(…)

Ik wil u erop wijzen dat u nog steeds een arbeidsovereenkomst met ASR Nederland heeft en dat wijzigingen in arbeidsvoorwaarden en andere regelingen daarmee automatisch op u van toepassing zijn. Deze wijziging is trouwens met instemming van de OR doorgevoerd.’

2. De vordering en het verweer

2.1. In deze procedure heeft [eiser] gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ASR:

- primair: zal verbieden de rentekorting te wijzigen tot de hypotheekovereenkomst afloopt op straffe van een ten gunste van [eiser] te verbeuren dwangsom van

€ 250,00 per dag voor iedere dag dat ASR na betekening van dit vonnis in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen;

- subsidiair: zal veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ter compensatie van het gemis aan rentekorting op de hypotheeklening ter grootte van € 328,12 per maand tot het einde van de hypotheekovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2011 tot de voldoening;

- zal veroordelen in de kosten van de procedure.

2.2. ASR heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.3. Hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd komt, voor zover relevant, hierna aan de orde.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Als meest verstrekkende verweer heeft ASR gevoerd dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering omdat hij pas op 1 april 2012 (de kantonrechter begrijpt dit als 1 april 2016, de datum waarop de rentekorting voor [eiser] komt te vervallen) de gevolgen zal merken van de afschaffing van de rentekorting.

3.2. De kantonrechter gaat hieraan voorbij. Het besluit dat de rentekorting komt te vervallen is reeds genomen en aan [eiser] medegedeeld. Het feit dat hij hiervan pas over enige jaren de (wrange) vruchten zal plukken, betekent niet dat hij bij de onderhavige vordering geen belang heeft.

3.3. Tussen partijen staat ter discussie of ASR de regeling met betrekking tot de rentekorting op de hypotheek mocht wijzigen.

3.4. Als beoordelingskader heeft in deze zaak – zoals partijen ook zelf hebben aangevoerd – artikel 7:613 BW te gelden, aangezien het gaat om wijziging van een collectieve arbeidsvoorwaarde waartoe een schriftelijk wijzigingsbeding is opgenomen.

3.5. Ingevolge artikel 7:613 BW mag ASR slechts tot wijziging overgaan indien zij bij wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van [eiser] dat door de wijziging wordt geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Vraag is of daarvan in deze zaak sprake is.

3.6. ASR heeft gesteld dat zij een zwaarwegend belang heeft bij wijziging, omdat ten gevolge van de economische crisis financiële instellingen zwaar te lijden hebben, omdat het ingrijpen van de Staat bij Fortis, de strenge eisen van de AFM, de onder druk staande verzekeringsmarkt en de toenemende concurrentie ASR dwingen tot kostenreducties en besparingen en omdat het personeelsproduct door de afsplitsing van Fortis Bank branchevreemd is geworden.

3.7. De kantonrechter overweegt dat de door ASR geschetste omstandigheden voor het overgrote deel algemeen zijn geformuleerd en betrekking hebben op de situatie van de verzekeringsbranche als geheel. Op basis van die feiten van algemene bekendheid neemt de kantonrechter aan dat de bomen in de verzekeringsbranche niet meer tot in de hemel reiken. Dit zegt echter nog niets over de financiële situatie van ASR in het bijzonder. Niet gesteld, althans niet onderbouwd is dat de financiële situatie van ASR dusdanig is dat kostenbesparende maatregelen als de onderhavige noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van ASR. Dat lijkt bovendien – gelet op de gedane dividenduitkering – niet voor de hand liggend. Voor zover wel sprake was van een bedrijfeconomische noodzaak, had het op de weg van ASR gelegen om dat te onderbouwen met bescheiden. Nu ASR dit heeft nagelaten, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht op dit punt zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

Wellicht is het met het oog op de winst en het veiligstellen daarvan in de toekomst thans aanbevelenswaardig om kostenbesparende maatregelen te nemen, doch dat belang legt minder gewicht in de weegschaal dan wanneer de wijziging noodzakelijk zou zijn voor het voortbestaan van ASR.

Bovendien had het – ook wanneer ervan uit wordt gegaan dat een bedrijfseconomische noodzaak tot besparing bestaat – in dat kader voor de hand gelegen aan te geven welke besparing het afschaffen van de rentekorting oplevert en welk verschil dat maakt voor het resultaat van ASR. ASR heeft hierin geen inzage verschaft. De enkele mededeling ter comparitie dat 9 a 10 miljoen euro per jaar wordt uitgegeven aan deze regeling, is – zonder dit te bezien op de totaalbegroting van ASR en de specifieke categorie van personen waarin [eiser] zich bevindt – daarvoor onvoldoende. Aan het belang van wijziging van de onderhavige regeling kan bovendien worden getwijfeld gelet op het feit dat de OR – nog daargelaten of die officieel advies- of instemmingsrecht had – heeft geoordeeld dat de met de wijziging bereikte kostenbesparing minimaal is.

Dat de wijziging wordt ingegeven omdat het hypotheekproduct branchevreemd is geworden, overtuigt de kantonrechter niet omdat de rentekorting blijft gelden voor de werknemers die nog in dienst zijn.

3.8. Het belang van [eiser] is daarin gelegen dat hij een bedrag aan rentekorting gaat missen. Volgens [eiser] is dit een bedrag van ruim € 300,00 per maand, ASR heeft betoogd dat dit minder is gelet op de hypotheekrenteaftrek.

De kantonrechter overweegt dat [eiser] vanzelfsprekend belang heeft bij handhaving van de rentekorting, daargelaten of het nadeel wordt gemitigeerd door de hypotheekrenteaftrek, waarvan overigens allerminst vast staat dat [eiser] hier recht op heeft. [eiser] heeft bij dagvaarding gesteld en onderbouwd welk bedrag die rentekorting behelst en ASR heeft de berekening daarvan niet eerder betwist dan bij dupliek, zodat [eiser] daarop niet heeft kunnen reageren.

3.9. ASR heeft bij het besluit tot deze wijziging een onderscheid gemaakt tussen reeds gepensioneerden en reeds uitdienstgetreden arbeidsongeschikten. Dit onderscheid is ingegeven – zo heeft ASR onder meer ter comparitie aangegeven – door het feit dat actieven nog de mogelijkheid hebben om een oplossing te vinden voor het vervallen van de rentekorting en reeds gepensioneerden en reeds uitdienstgetreden arbeidsongeschikten niet meer. [eiser] heeft echter ook niet meer de mogelijkheid een oplossing te vinden aangezien reeds voor de datum van de wijziging een beëindigingovereenkomst was gesloten waarbij [eiser] tot de datum van het prepensioen was vrijgesteld van werkzaamheden. Feitelijk was [eiser] dus niet meer actief, maar officieel nog wel in dienst. Daarmee is zijn situatie eerder gelijk te stellen aan de situatie van een reeds gepensioneerde dan van een actieve. ASR heeft betoogd dat zij voor werknemers als [eiser] een redelijke overgangsregeling heeft getroffen door te bepalen dat [eiser] nog tot vijf jaar na uitdiensttreding aanspraak kan maken op de rentekorting. De kantonrechter merkt op dat die overgangsregeling niet specifiek is voor de situatie van [eiser] (die immers reeds een beëindigingovereenkomst had gesloten en vrijgesteld was van werkzaamheden in afwachting van zijn prepensioen) maar dat iedereen die vanaf 1 juli 2010 uit dienst gaat wegens pensioen of arbeidsongeschiktheid daar aanspraak op kan maken.

3.10. De kantonrechter is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat het belang van [eiser] bij handhaving van de rentekorting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet behoeft te wijken voor het belang van ASR tot wijziging daarvan.

De door ASR aangehaalde jurisprudentie kan haar niet baten, aangezien daarop een ander juridisch beoordelingskader van toepassing is dan wel de feiten op essentiële punten van de feiten in deze zaak verschillen.

3.11. Door ASR zijn aan het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW, inhoudende dat het niet mogen wijzigen van de regeling met betrekking tot de rentekorting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, geen andere feiten en/of omstandigheden ten grondslag gelegd dan aan haar beroep op artikel 7:613 BW. Nu hiervoor is overwogen dat die feiten en omstandigheden niet van dien aard zijn dat het belang van [eiser] daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken, faalt ook het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW.

3.12. De kantonrechter zal de primaire vordering van [eiser] dan ook toewijzen, zij het dat die wordt beperkt tot het verbieden van het huidige wijzigingsbesluit en zich niet zal uitstrekken tot de afloop van de hypotheek aangezien zich in de tussentijd een wijziging in de omstandigheden kunnen voordoen die een nieuw besluit tot wijziging van de rentekorting wel kunnen rechtvaardigen. De kantonrechter ziet geen plaats om een dwangsom op te leggen nu geen reden bestaat om te twijfelen aan de naleving van dit vonnis door ASR.

3.13. Gelet op het voorgaande behoeft niet meer te worden geoordeeld over de vraag of de hypotheekovereenkomst op zichzelf ASR verplicht tot handhaving van de rentekorting.

3.14. Als in het ongelijk gestelde partij zal ASR worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser]. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de kosten van de conclusie van repliek niet bij de berekening te betrekken dan wel [eiser] in de kosten van de conclusie van dupliek te veroordelen vanwege het feit dat [eiser] pas ter comparitie de hypotheekakte heeft overgelegd. Hoewel [eiser] deze hypotheekakte reeds bij dagvaarding had behoren in te dienen, is het feit dat de zaak naar repliek is verwezen niet alleen daarin gelegen maar mede in de complexiteit van de zaak die door beiden – gelet op hetgeen ter comparitie was gewisseld – nog nadere toelichting behoefde. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,76

- griffierecht € 71,00

- salaris gemachtigde € 600,00 (3 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 764,76

De beslissing

De kantonrechter:

verbiedt ASR de regeling met betrekking tot de rentekorting op de hypotheek voor [eiser] te wijzigen (op de wijze als [eiser] is medegedeeld bij brief van 26 juli 2010);

veroordeelt ASR tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 764,76, waarin begrepen € 600,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2012.