Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX8487

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
804066 AE VERZ 12-128 k
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding verband houdend met alcoholmisbruik door werknemer. Geen sprake van ziekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0873
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 804066 AE VERZ 12-128 k

beschikking d.d. 16 mei 2012

inzake

de naamloze vennootschap

N.V. Rova Gemeenten,

gevestigd te Zwolle,

verder ook te noemen Rova,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.H. van Daal,

tegen:

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. A.D.E. Prochowski.

Het verloop van de procedure

Rova heeft op 23 maart 2012 een verzoekschrift ingediend.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 25 april 2012 behandeld. Daarvan is aantekening gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

De feiten

[verweerder], geboren op [1961], is op 1 januari 2008 in dienst van Rova getreden in de functie van chauffeur/belader. Het dienstverband geldt thans voor onbepaalde tijd.

Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 2.133,00 per maand, exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten.

Rova heeft [verweerder] op 14 maart 2012 op non-actief gesteld.

De grondslag verzoek en verweer

Rova verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair op grond van een dringende reden, subsidiair op grond van verandering van omstandigheden. Zij voert daartoe het volgende aan:

Gedurende zijn dienstverband kampt [verweerder] met een alcohol- en drugsprobleem. Rova heeft telkens hulp aangeboden, maar [verweerder] heeft meermalen aangegeven dat hij zijn problemen onder controle had dan wel zelf onder controle zou krijgen. In 2010 heeft [verweerder] een dagbehandeling gevolgd, waarvoor hij voor de helft is vrijgesteld door Rova. Desalniettemin is [verweerder] er niet in geslaagd zijn alcoholprobleem onder controle te krijgen, hetgeen in de uitoefening van zijn beroep gelet op de verantwoordelijkheden die daarbij horen, niet langer kan worden getolereerd. Meermalen hebben collega’s bij [verweerder] een alcoholgeur waargenomen, in 2009 heeft hij een joint op het werk gerookt en [verweerder] komt veelvuldig te laat op het werk. Collega’s moeten hem vaak uit bed bellen of bij hem langsrijden om hem op te halen. Hierdoor komt de bedrijfsvoering in gevaar. Rova heeft [verweerder] hiervoor schriftelijke waarschuwingen gegeven, verlofdagen ingehouden en gedreigd met beëindiging van het dienstverband, maar dit heeft niet tot (blijvende) verbetering geleid. Bij brief van 10 februari 2012 heeft Rova [verweerder] geschreven dat hij tot nu toe alle hulp heeft afgeslagen, maar dat zij [verweerder] nu verplicht contact op te nemen met de bedrijfsmaatschappelijk werkster. In de brief staat voorts vermeld dat wanneer [verweerder] weigert deze hulp te accepteren of hij zich weer verslaapt, dit zal leiden tot beëindiging van het dienstverband. [verweerder] is echter reeds bij de tweede afspraak met de bedrijfsmaatschappelijk werkster zonder bericht niet verschenen en kort daarna is hij weer te laat gekomen op het werk. Zo dit geen dringende reden voor ontbinding oplevert, is hierdoor zeker het vertrouwen op een vruchtbare voortzetting van het dienstverband komen te ontvallen.

[verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd op de inhoud waarvan hierna - voor zover van belang - zal worden ingegaan.

[verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toekenning van een vergoeding van € 20.732,76 bruto.

De beoordeling

[verweerder] heeft erkend dat hij een alcoholprobleem heeft. Hij heeft aangevoerd dat dit evenwel niet of nauwelijks van invloed is geweest op de wijze waarop hij zijn werk heeft uitgevoerd.

De kantonrechter is echter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat zijn alcoholprobleem wel degelijk van invloed is (geweest) op zijn functievervulling. [verweerder] heeft ter zitting erkend dat hij meermalen te laat is gekomen, maar heeft gezegd dat dit niet regelmatig maar bij uitzondering gebeurde en dat hij nimmer meer dan een half uur te laat is gekomen. Gelet op de door Rova overgelegde brieven waarin wordt gesproken van herhaald te laat komen en met overschrijdingen van meer dan een half uur, is de kantonrechter van oordeel dat het geen uitzondering kan worden genoemd dat hij te laat kwam. Een situatie waarin [verweerder] door collega’s uit zijn bed moet worden gehaald en van huis moet worden opgehaald – hetgeen door [verweerder] ter zitting is erkend –, is een situatie die Rova niet hoeft te gedogen en vanuit bedrijfsmatig oogpunt niet kan tolereren. Rova heeft [verweerder] daarvoor meermalen gewaarschuwd, waarbij hem ook beëindiging van de arbeidsovereenkomst in het vooruitzicht is gesteld. Desalniettemin is [verweerder] ook na de laatste waarschuwing op 10 maart 2012 weer te laat gekomen. Dit heeft hij ter zitting erkend. Daarbij heeft hij aangegeven dat dit niet was gelegen in alcoholmisbruik, maar in het feit dat hij iets te lichtvaardig met het zetten van zijn wekker was omgegaan. Niet tegenstaande de (herhaalde) waarschuwing(en) is [verweerder] aldus lichtvaardig omgesprongen met de belangen van Rova. Nu [verweerder] zelf heeft verklaard dat het te laat komen niet (altijd) in verband staat met zijn alcoholgebruik, vermag de kantonrechter ook niet in te zien dat het te laat komen moet worden beschouwd als symptoom van het alcoholgebruik.

Bij de beoordeling zal de kantonrechter de vraag of [verweerder] onder werktijd een joint heeft gerookt – hetgeen [verweerder] heeft betwist – buiten beschouwing laten, gelet op het feit dat dit drie jaar geleden eenmalig zou hebben plaatsgevonden.

[verweerder] heeft Rova verweten hem onvoldoende hulp te hebben geboden bij het bestrijden van zijn alcoholprobleem. Nog daargelaten in hoeverre Rova hiertoe gehouden is gelet op het feit dat [verweerder] – zoals hij ter zitting heeft erkend – reeds bij zijn vorige werkgever een alcoholprobleem had en [verweerder] Rova hierover niet heeft ingelicht, kan de kantonrechter deze stelling niet rijmen met het feit dat Rova in meerdere brieven heeft aangegeven dat zij hulp wil bieden maar [verweerder] dit afwijst en het feit dat het juist Rova is geweest die [verweerder] heeft verplicht naar de bedrijfsmaatschappelijk werker te gaan. Het is [verweerder] die deze kans niet met beide handen heeft aangegrepen door de tweede afspraak met de bedrijfsmaatschappelijk werker niet na te komen. Dat hij niet wist waar de afspraak plaatsvond, geen beltegoed had en niet meteen daarna contact heeft opgenomen met de bedrijfsmaatschappelijk werker, wijst er niet op dat [verweerder] deze afspraak – ondanks dat Rova met beëindiging van de arbeidsovereenkomst had gedreigd – voldoende serieus heeft genomen. Bovendien heeft Rova in 2010 [verweerder] gefaciliteerd bij het volgen van een dagbehandeling gedurende 6 weken, door hem de helft van die tijd vrij te stellen van werkzaamheden. Dat [verweerder] de andere helft verlof heeft moeten opnemen, getuigt naar het oordeel van de kantonrechter niet van slecht werkgeverschap. Daarbij overweegt de kantonrechter dat het hebben van een alcoholprobleem niet gelijk kan worden gesteld met ziekte, zoals [verweerder] ter gelegenheid van deze procedure voor het eerst heeft bepleit. Alcoholmisbruik kan evenwel een symptoom zijn van ziekte – zoals dat in de door [verweerder] aangehaalde uitspraak van de kantonrechter in Haarlem (LJN: BT6776) het geval was – maar dit is door [verweerder] niet gesteld, althans niet onderbouwd. De kantonrechter concludeert dan ook dat geen sprake is van ziekte en dus evenmin van een opzegverbod op die grond.

Uit het voorgaande volgt dat [verweerder] meermalen en op verschillende wijzen is gewaarschuwd en desalniettemin ondanks de laatste waarschuwing in de brief van 10 februari 2012 de afspraak met de bedrijfsmaatschappelijk werker niet is nagekomen en te laat blijft komen. Door de handelwijze van [verweerder] komt de bedrijfsvoering en veiligheid in het geding.

Naar het oordeel van de kantonrechter levert dit een dringende reden op om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, mede in het licht van alle kansen die [verweerder] zijn geboden.

Gelet op het voorgaande is voor toekenning van enige vergoeding geen plaats.

De proceskosten zullen gezien de aard van het geschil worden gecompenseerd.

De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2012;

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.