Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX8375

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-09-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
16/601096-11 en 21/004042-09 (TUL) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag. De rechtbank acht verdacht sterk verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank houdt bij de oplegging van de straf onder meer rekening met het feit dat verdachte in een psychose verkeerde toen hij het feit pleegde. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee jaar en tbs met voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601096-11 en 21/004042-09 (TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de PPC Vught te Vught

raadsman: mr. drs. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

[slachtoffer] – al dan niet met voorbedachten rade – heeft gedood door haar met een mes in de borst te steken.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn moeder heeft gedood door haar met een mes in de borst te steken. Zij is van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte dit met voorbedachte raad heeft gedaan, waardoor zij vrijspraak vraagt voor moord.

Zij baseert het bewijs van doodslag op het volgende: de verklaring van verdachte bij de politie en ter zitting waarin verdachte bekent dat hij zijn moeder in de borst heeft gestoken, de verklaringen van de vader van verdachte en het zusje van verdachte, die beiden thuis waren toen het ten laste gelegde feit plaatsvond. Uit die verklaringen blijkt dat verdachte die dag in de war was en messen wilde pakken. Verdachte heeft een mes gepakt en is naar boven gegaan. De moeder van verdachte (verder te noemen: slachtoffer) is achter hem aan gegaan en heeft vervolgens om hulp geroepen omdat zij is gestoken. Uit het sectierapport blijkt dat het slachtoffer een steekwond in de borst heeft, die zo diep is dat het hart is geraakt. Door deze verwonding kan de dood van het slachtoffer worden verklaard.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de volgende punten.

Meer en Vaart verweer

Het relaas van verdachte is dat hij een mes heeft gepakt om zichzelf van het leven te beroven. Hij is met het mes naar boven gegaan en zijn moeder is hem gevolgd. Zijn moeder heeft getracht zijn voorgenomen handelen te voorkomen. Het is vervolgens tot een worsteling gekomen, waarbij hij zijn moeder per ongeluk met het mes heeft geraakt. Dit relaas is niet in strijd met de inhoud van de voorhanden bewijsmiddelen. Dit relaas vindt juist op essentiële punten bevestiging in het dossier in de verklaring van [zus] (zus), de verklaring van [vader] (vader) en in het voorlopig sectierapport. Bovendien valt uit het dossier niet een motief voor de doodslag af te leiden. Dit vindt steun in de Pro Justitia rapportage, waaruit blijkt dat er geen sprake is van handelen - vanuit een psychose - gericht tegen moeder. Niet kan worden uitgesloten dat er sprake was van een ongeluk. Het voorgaande dient te leiden tot vrijspraak omdat van opzet geen sprake is.

Voorwaardelijk opzet

Uitgaande van het hiervoor geschetste scenario, is er evenmin sprake van voorwaardelijk opzet. Bij voorwaardelijk opzet gaat het om de keuze op het moment suprême, waarbij verdachte wetenschap moet hebben van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Hiervoor is vereist het maken van een rationele keuze ten tijde van het plegen van het delict. De vraag luidt of van een rationele keuze sprake kan zijn tijdens een psychose. In zijn algemeenheid dient voor voorwaardelijk opzet aan drie vereisten te worden voldaan: het kenniselement, het risico-element en het wilselement. De verdediging is van mening dat niet voldaan wordt aan het risico-element en tevens niet aan het wilselement. Hiertoe wordt verwezen naar jurisprudentie. Verdachte dient dan ook integraal te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht moord op [slachtoffer] niet wettig en overtuigend bewezen. Er is onvoldoende bewijs dat verdachte met voorbedachte raad, dus na kalm beraad en rustig overleg, zijn moeder van het leven heeft beroofd, zodat de rechtbank verdachte van dit deel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer], zijn moeder, met een mes in de borst heeft gestoken, tengevolge waarvan zij is overleden. De rechtbank komt tot haar oordeel op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 11 november 2012 was [verdachte] (verder te noemen: verdachte) bij zijn ouders [slachtoffer] (verder te noemen: moeder) en [vader] (verder te noemen: vader) thuis in [woonplaats]. [zus] (verder te noemen: zusje) was ook thuis. Verdachte pakte uit de keuken een mes en liep vervolgens naar boven. Moeder liep achter verdachte aan naar boven. Verdachte rende naar de zolderkamer en zijn moeder ging hem achterna om met hem te praten. Vader hoorde verdachte zeggen: “Ga weg, ga weg, je zit vol met de duivel”. Vader was de eerste trap opgelopen, maar zijn vrouw zei dat hij beneden moest blijven want verdachte zou zijn eigen moeder niet met een mes steken. Vader hoorde toen een schreeuw. Moeder riep in het Marokkaans tegen vader: “[vader] kom, ik heb pijn! Hij heeft mij gestoken met een mes!”

Het zusje van verdachte verklaart dat verdachte een mes had gepakt en naar boven rende. Haar moeder en vader zijn naar boven gelopen, maar haar moeder zei tegen vader dat hij maar even naar beneden moest gaan. Eventjes was het stil en zaten ze rustig te praten. Later hoorde zij haar moeder schreeuwen. Haar vader is toen naar boven gerend en heeft moeder mee naar beneden genomen. Samen met haar vader heeft ze moeder op de bank gelegd en met handdoeken op haar hartstreek gedrukt. Moeder is naar het ziekenhuis overgebracht, waarna zij is overleden.

Bij sectie op het lichaam van moeder is vastgesteld dat in de borst een steekkanaal was ter lengte van minimaal 11 centimeter, verlopend van links naar rechts, schuin voetwaarts en achterwaarts waarbij de linkerkamer van het hart en het middenrif waren geperforeerd. Het letsel is ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend/klievend geweld, zoals opgeleverd kan worden door een mes. Dit letsel ging gepaard met onder andere perforatie van de linker hartkamer, waardoor bloedophoping in het hartzakje en fors bloedverlies is ontstaan. Het intreden van de dood wordt hiermee zondermeer verklaard door functiestoornissen van het hart en algehele weefselschade door doorgemaakt fors bloedverlies. Er waren geen letsels die zouden kunnen duiden op afweerletsel tegen het bovengenoemd scherprandig geweld.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat uit de chronologie van de gebeurtenissen zoals hiervoor weergegeven kan worden afgeleid dat er geen tijd is geweest voor een worsteling tussen verdachte en moeder. Moeder is naar boven gegaan en zei tegen vader dat hij naar beneden moest gaan omdat zij met verdachte wilde praten. Daarna hoorde vader direkt geschreeuw van moeder. Tevens is er door vader of het zusje geen gestommel of geschreeuw gehoord, dat zou kunnen duiden op een worsteling tussen moeder en verdachte. Daarnaast wijst de aard van het letsel, zoals blijkt uit het sectierapport, namelijk een diepe steekwond van 11 centimeter in de borst, er niet op dat die verwonding tijdens een worsteling is toegebracht. Het betreft één steek van boven naar beneden. Er zijn ook geen andere (bijvoorbeeld oppervlakkige) verwondingen met een mes geconstateerd die zouden kunnen duiden op afweren door moeder. Derhalve acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij zijn moeder per ongeluk tijdens een worsteling heeft gestoken niet aannemelijk.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de wijze waarop verdachte heeft gestoken (van boven naar beneden), de plek waar hij heeft gestoken (in de borst) en de kracht die daarbij gebruikt moet zijn nu vrijwel het gehele mes de borstkas is binnengedrongen, hij het opzet heeft gehad zijn moeder van het leven te beroven. De rechtbank komt niet toe aan een toetsing van mogelijk voorwaardelijk opzet.

De rechtbank is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer dat het niet hoogst onwaarschijnlijke feitenrelaas, dat met de inhoud van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet in strijd is, doch dat indien juist onverenigbaar is met de bewezenverklaring, dient te leiden tot vrijspraak van verdachte door bovenstaande bewezenverklaring wordt weerlegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 11 november 2011 te [woonplaats], opzettelijk [slachtoffer], zijnde de moeder van verdachte, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een mes in de borststreek van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Doodslag

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van de triple rapportage Pro Justitia van 11 april 2012 van H.A. Gerritsen, forensisch psychiater en P.E. Geurkink, forensisch psycholoog. De rapportage bevat tevens een milieurapportage door D.A. de Ruiter, forensisch milieurapporteur. In dit rapport wordt – onder meer – het volgende geconstateerd:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis der geestvermogens in de zin van een psychotische stoornis NAO. Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde met de kanttekening dat de psychose toen veel heftiger en indringender was bij betrokkene dan tijdens het gedragskundig onderzoek. De ziekelijke stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes dan wel de gedragingen van betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde zodanig dat het tenlastegelegde daaruit verklaard kan worden. Mogelijk heeft betrokkene medicatie toegediend gekregen van zijn familie, maar het is niet waarschijnlijk dat de in de urine aangetoonde medicatie een substantiële rol heeft gespeeld in het psychotisch worden en het is daarmee ook niet of nauwelijks van invloed op de mate van toerekeningsvatbaarheid. Er zijn geen aanwijzingen voor een problematische relatie tussen moeder en betrokkene of van specifieke psychotische belevingen ten opzichte van zijn moeder, zoals waanbelevingen. Een zuiver psychotisch motief is daarom niet goed vast te stellen. Naar de mening van ondergetekenden is de pathologie zo heftig en indringend, dat betrokkene zeker als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd voor het hem ten laste gelegde, indien bewezen. Door ondergetekenden is overwogen om betrokkene als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen voor het hem ten laste gelegde maar omdat we dit met hetgeen betrokkene hierover vertelt onvoldoende kunnen onderbouwen kiezen wij er voor om betrokkene als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te zien voor het hem ten laste gelegde omdat dit zeker goed te beargumenteren is.

De rechtbank neemt de conclusie uit het Pro Justitia rapport over en maakt deze tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten;

- de terbeschikkingstelling van verdachte onder de volgende voorwaarden:

• verdachte zal niet recidiveren;

• verdachte blijft intramuraal woonachtig in FPA Roosenburg op het adres Dolderseweg 164 te Den Dolder. Verdachte zal niet wegblijven en/of verhuizen zonder overleg en uitdrukkelijke toestemming van de FPA Roosenburg en de reclassering. Bij afronding van de behandeling dient betrokkene zich te conformeren aan het door FPA Roosenburg en reclassering voorgestelde vervolgtraject;

• verdachte stelt zich begeleidbaar op en houdt zich aan het behandelplan en huisregels en de aanwijzingen die door de begeleiders en de behandelaren van FPA Roosenburg of een soortgelijke instelling worden gegeven en gaat akkoord met mogelijke wijzigingen;

• verdachte mag geen alcohol, soft- en harddrugs gebruiken. Verdachte dient volledige medewerking te verlenen aan alcohol- en drugscontroles middels urinecontroles en blaastesten;

• verdachte neemt de door de behandelaren, indien nodig voorgeschreven medicatie in en laat op verzoek controleren;

• verdachte maakt zijn financiën inzichtelijk voor zowel de behandelaren van de afdeling Roosenburg als de reclassering. Indien externe begeleiding op gebied van financiën door de reclassering nodig wordt geacht dan dient verdachte zijn medewerking te verlenen en zich begeleidbaar op te stellen ten aanzien van een door de reclassering nader aan te wijzen externe partij;

• verdachte geeft openheid over zijn relatie met derden tegenover de reclassering;

• verdachte stelt zich begeleidbaar en bemiddelbaar op en gedraagt zich naar de aanwijzingen hem te geven door de reclassering.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging vrijspraak verzocht.

Subsidiair verzoekt de verdediging een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest nu een langere gevangenisstraf, gezien de aard van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd, geen doel meer dient. Daarnaast kan de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden, zoals voorgesteld door de reclassering, opgelegd worden en verzoekt de verdediging deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zijn moeder van het leven beroofd door haar met een mes in de borst te steken. Door zijn handelen heeft verdachte de rest van de familieleden, zijn vader en zijn broers en zussen, onherstelbaar leed berokkend. Voor de nabestaanden is het bijzonder moeilijk dit zware verlies te dragen. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen van de zus en de broer van het slachtoffer die ter terechtzitting zijn voorgelezen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het volgende:

- de triple rapportage pro justitie van 11 april 2012 van H.A. Gerritsen, forensisch psychiater en P.E. Geurkink, forensisch psycholoog, zoals omschreven onder 5.2. Verder wordt in dit rapport het volgende geconstateerd:

In alle scenario’s is de kans op een nieuwe psychotische decompensatie aanwezig als betrokkene niet wordt gevolgd en behandeld. Naar de mening van ondergetekenden is er de noodzaak dat betrokkene wordt behandeld en begeleid en dat deze behandeling ook dwingend en zeker niet vrijblijvend moet plaatsvinden. Het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling is dan naar de mening van ondergetekenden noodzakelijk om de kans op een recidive tot aanvaardbare proporties terug te brengen. Betrokkene heeft lijdensdruk, hij heeft ziektebesef en hij wil behandeld worden. Dit rechtvaardigt naar de mening van ondergetekenden een onderzoek naar de mogelijkheid om de behandeling van betrokkene uit te voeren in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, indien de strafmaat dit toelaat. Indien het om wat voor reden niet lukt om betrokkene te behandelen in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, rest naar de mening van ondergetekenden niet anders dan het opleggen van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

- het Reclasseringsadvies d.d. 3 september 2012 opgemaakt door A. Schreurs. Daarin wordt een aantal voorwaarden gesteld in het kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Het advies luidt als volgt:

Het kader “TBS met voorwaarden”geldt als stevig drangkader voor betrokkene met als doel middels een klinische opname in FPA Roosenburg en aansluitend een passend vervolgtraject op het gebied van wonen, werken, ziekte-inzicht en abstinentie van cannabisgebruik. Om bovenstaande adviseren wij positief om een TBS met voorwaarden op te leggen aan betrokkene.

- de justitiële documentatie d.d.10 mei 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld.

De rechtbank houdt bij de strafmaat rekening met bovenstaande omstandigheden betreffende de persoon van verdachte, met name het feit dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd en dat hij heeft gehandeld vanuit een psychose. Het delict rechtvaardigt echter naar zijn aard en ernst ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten.

Daarnaast legt de rechtbank de maatregel terbeschikkingstelling op en stelt daarbij de voorwaarden zoals gesteld in het reclasseringsadvies van 3 september 2012:

* verdachte zal niet recidiveren;

* verdachte blijft intramuraal woonachtig in FPA Roosenburg op het adres Dolderseweg 164 te Den Dolder. Verdachte zal niet wegblijven en/of verhuizen zonder overleg en uitdrukkelijke toestemming van de FPA Roosenburg en de reclassering. Bij afronding van de behandeling dient betrokkene zich te conformeren aan het door FPA Roosenburg en reclassering voorgestelde vervolgtraject;

* verdachte stelt zich begeleidbaar op en houdt zich aan het behandelplan en de huisregels en de aanwijzingen die door de begeleiders en de behandelaren van FPA Roosenburg of een soortgelijke instelling worden gegeven en gaat akkoord met mogelijke wijzigingen; tevens zal betrokkene, indien zijn behandeling het toelaat, zich inzetten voor dagbesteding;

* verdachte mag geen alcohol, soft- en harddrugs gebruiken. Verdachte dient volledige medewerking te verlenen aan alcohol- en drugscontroles middels urinecontroles en blaastesten;

* verdachte neemt de door de behandelaren, indien nodig, voorgeschreven medicatie in en laat op verzoek controleren;

* verdachte maakt zijn financiën inzichtelijk voor zowel de behandelaren van de afdeling Roosenburg als de reclassering. Indien externe begeleiding op het gebied van financiën door de reclassering nodig wordt geacht dan dient verdachte zijn medewerking te verlenen en zich begeleidbaar op te stellen ten aanzien van een door de reclassering nader aan te wijzen externe partij;

* verdachte geeft openheid over zijn relatie met derden tegenover de reclassering;

* verdachte stelt zich begeleidbaar en bemiddelbaar op en gedraagt zich naar de aanwijzingen hem te geven door de reclassering.

De rechtbank legt, gelet op de persoon van verdachte en het feit dat verdachte ook een weg zal moeten vinden voor het omgaan met de gevolgen van zijn daad, een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist. Tevens vindt de rechtbank het van belang dat de voorwaarden zoals gesteld voor de TBS niet pas over enkele jaren zullen worden ingezet.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 6 maanden gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij het arrest van het gerechtshof Arnhem van 13 april 2012 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, gelet op de opgelegde straf en de TBS met voorwaarden waarbij onder meer een klinische opname bij FPA Roosenburg zal plaatsvinden. De tenuitvoerlegging van zes maanden gevangenisstraf zou deze klinische opname kunnen doorkruisen, waardoor het niet opportuun is deze straf op dit moment ten uitvoer te leggen. De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie dan ook af.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38, 38a, 38b, 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van moord;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Doodslag

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt daarbij als voorwaarden:

* verdachte zal niet recidiveren;

* verdachte blijft intramuraal woonachtig in FPA Roosenburg op het adres Dolderseweg 164 te Den Dolder. Verdachte zal niet wegblijven en/of verhuizen zonder overleg en uitdrukkelijke toestemming van de FPA Roosenburg en de reclassering. Bij afronding van de behandeling dient betrokkene zich te conformeren aan het door FPA Roosenburg en reclassering voorgestelde vervolgtraject;

* verdachte stelt zich begeleidbaar op en houdt zich aan het behandelplan en de huisregels en de aanwijzingen die door de begeleiders en de behandelaren van FPA Roosenburg of een soortgelijke instelling worden gegeven en gaat akkoord met mogelijke wijzigingen; tevens zal betrokkene, indien zijn behandeling het toelaat, zich inzetten voor dagbesteding;

* verdachte mag geen alcohol, soft- en harddrugs gebruiken. Verdachte dient volledige medewerking te verlenen aan alcohol- en drugscontroles middels urinecontroles en blaastesten;

* verdachte neemt de door de behandelaren, indien nodig, voorgeschreven medicatie in en laat op verzoek controleren;

* verdachte maakt zijn financiën inzichtelijk voor zowel de behandelaren van de afdeling Roosenburg als de reclassering. Indien externe begeleiding op het gebied van financiën door de reclassering nodig wordt geacht dan dient verdachte zijn medewerking te verlenen en zich begeleidbaar op te stellen ten aanzien van een door de reclassering nader aan te wijzen externe partij;

* verdachte geeft openheid over zijn relatie met derden tegenover de reclassering;

* verdachte stelt zich begeleidbaar en bemiddelbaar op en gedraagt zich naar de aanwijzingen hem te geven door de reclassering.

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. I. Vanwersch en mr. J.M. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Braam-van Toll, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 september 2012.

Mr. J.M. Bruins is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.