Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7805

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-08-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
16-655690-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor het plegen van ontucht met iemand van beneden de 16 jaren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655690-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1972] te [geboorteplaats],

gedetineerd te P.I. Utrecht – HvB Nieuwegein,

raadsman mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, met zijn dochter [slachtoffer 1], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;

Feit 2: meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, met zijn dochter [slachtoffer 1], die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet de leeftijd van zestien jaren had bereikt;

Feit 3: meermalen heeft geprobeerd seksueel binnen te dringen in het lichaam van zijn dochter [slachtoffer 1], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt

en

meermalen heeft geprobeerd seksueel binnen te dringen in het lichaam van zijn dochter [slachtoffer 1], die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet de leeftijd van zestien jaren had bereikt;

Feit 4: meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn zoon [slachtoffer 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

Feit 5: zijn zoon [slachtoffer 2] meermalen heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen onder feit 1, feit 2 en feit 3 is ten laste gelegd heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

De officier acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen onder feit 4 en feit 5 is ten laste gelegd heeft begaan en heeft gevorderd verdachte daarvan vrij te spreken.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van hetgeen onder feit 1, feit 3, feit 4 en feit 5 is ten laste gelegd. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de rechtbank ook niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 2 ten laste gelegde binnendringen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat aan de verklaring van verdachte evenveel waarde dient te worden gehecht als aan de verklaring van zijn dochter. Dit betekent dat enkel de door verdachte bekende feiten bewezen kunnen worden verklaard, aldus de raadsman.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] (hierna te noemen: [slachtoffer 1]) heeft verklaard dat haar vader ontuchtige handelingen met haar heeft gepleegd vanaf dat zij negen of tien jaar oud was. Later heeft [slachtoffer 1] verklaard dat het misbruik is begonnen nadat de vriendin van haar vader weg was. Uit het dossier komt naar voren dat dit in 2009 of 2010 is geweest, een periode waarin [slachtoffer 1] tien, elf of twaalf jaar oud was.

Verdachte heeft telkens verklaard dat hij eind 2010 voor het eerst de schaamstreek van [slachtoffer 1] heeft aangeraakt. [slachtoffer 1] is op 6 oktober 2010 twaalf jaar geworden.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] over het moment waarop het misbruik is begonnen, wisselend zijn en acht ze op dit punt onvoldoende betrouwbaar. Daarentegen heeft verdachte consistent verklaard over het moment waarop het misbruik is begonnen. De rechtbank gaat op het punt van de aanvang de ontuchtige handelingen uit van de juistheid van de verklaring van verdachte.

De rechtbank acht, gelet op bovenstaande, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] voordat zij de leeftijd van twaalf jaren had bereikt en zal hem daarvan vrijspreken.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat haar vader aan haar heeft gezeten. Haar vader raakte haar aan de voorkant aan. Haar vader heeft ook een keer aan haar haren daar gezeten. Hij ging wrijven met zijn vinger en [slachtoffer 1] moest van hem haar onderbroek uit doen.

Verdachte heeft verklaard dat hij meermalen de vagina en schaamstreek van [slachtoffer 1] heeft aangeraakt. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij [slachtoffer 1] wel eens haar kleding heeft laten uitrekken en vervolgens over haar schaamstreek heeft gewreven. Verdachte heeft tevens verklaard dat [slachtoffer 1] wel eens heeft gezien dat hij zich aan het aftrekken was. Voornoemde handelingen hebben plaatsgevonden in zijn woning in Zegveld vanaf eind 2010.

[slachtoffer 1] is geboren op [1998].

Overwegingen ten aanzien van de partiële vrijspraak ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn vinger in de vagina van [slachtoffer 1] heeft gebracht en overweegt daartoe als volgt.

De verklaring van [slachtoffer 1] omtrent het binnendringen in haar vagina staat op zichzelf en vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. De moeder van [slachtoffer 1] heeft weliswaar een soortgelijke verklaring als die van [slachtoffer 1] afgelegd, maar zij heeft enkel verklaard over hetgeen zij van [slachtoffer 1] heeft gehoord. De rechtbank weegt daarbij mee dat [slachtoffer 1] volgens haar moeder in eerste instantie heeft verklaard “als papa denkt dat ik slaap, dan gaat hij van onderen aan me zitten”.

Mede gelet op de stellige ontkenning van verdachte kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte deze handelingen heeft gepleegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het binnendringen in de vagina en zal verdachte daarvan partieel vrijspreken.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat haar vader heeft geprobeerd om met zijn penis in haar vagina te gaan. Later heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij zich dit niet kon herinneren en weer later heeft [slachtoffer 1] verklaard dat dit ’s nachts is gebeurd.

Verdachte heeft ontkend dat hij heeft geprobeerd om zijn penis in de vagina van [slachtoffer 1] te brengen.

De rechtbank overweegt dat er voor de verklaring van [slachtoffer 1] op dit punt geen steunbewijs in het dossier aanwezig is. De moeder van [slachtoffer 1] heeft weliswaar een soortgelijke verklaring afgelegd als [slachtoffer 1], maar zij heeft enkel verklaard over hetgeen zij van [slachtoffer 1] heeft gehoord. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en zal verdachte vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.

Vrijspraak ten aanzien van feit 4 en feit 5

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 2] (hierna te noemen: [slachtoffer 2]) tijdens een studioverhoor heeft verklaard over mishandelingen en ontuchtige handelingen, gepleegd door zijn vader.

Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer 2] heeft mishandeld en tevens heeft verdachte ontkend dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 2].

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er in het dossier steunbewijs aanwezig is voor de verklaring van [slachtoffer 2]. De rechtbank is van oordeel dat er zich geen steunbewijs in het dossier bevindt en dat er sprake is van onvoldoende wettig bewijs voor de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met en de mishandeling van zijn zoon [slachtoffer 2] en zal verdachte daarvan vrijspreken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op meer tijdstippen in de periode van 6 oktober 2010 tot en met 20 januari 2012 te Zegveld, gemeente Woerden, met [slachtoffer 1] (geboren op [1998]), die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte (meermalen)

- de onderbroek van die [slachtoffer 1] uitgetrokken en naar beneden getrokken en

- over de vagina en schaamstreek van die [slachtoffer 1] gestreeld en aangeraakt en gewreven en

- zich in aanwezigheid van die [slachtoffer 1] afgetrokken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 2: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Wat betreft de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op het pro justitia rapport, opgesteld door W.C.J. Kramer, psychiater, d.d. 19 juni 2012. De psychiater beschrijft dat de empathische vermogens van verdachte beperkt en weinig gedifferentieerd ontwikkeld overkwamen en werden gedomineerd door egocentrische gevoelens betreffende zijn eigen klachten van somberheid, suïcidaliteit, schaamte en verwijten naar zijn ex en ongenoegen over zijn opvoeding. Verdachte bleek niet in staat tot kritische zelfreflectie en was vooral bezig met zijn eigen belangen op korte termijn. De psychiater houdt rekening met de kenmerken van de persoonlijkheid van verdachte, zoals subassertiviteit, conflictvermijdend gedrag, zich snel geraakt en miskend voelen, de neiging zich snel terug te trekken, oppotten en binnenvetten, geslotenheid, onvermogen om te vertellen wat in hem omgaat en om zijn agressieve en seksuele impulsen adequaat af te stemmen op zijn omgeving bij een geschiedenis met pedagogische en affectieve verwaarlozing en adviseert verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal verdachte derhalve als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.

Verdachte is strafbaar, omdat overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar ten aanzien van de algemene voorwaarden.

De officier van justitie heeft gevorderd daarbij als bijzondere voorwaarden op te leggen reclasseringscontact, behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling en contact met zijn kinderen uitsluitend in aanwezigheid van een volwassene, zolang de reclassering dat nodig vindt, en daarbij een proeftijd van 5 jaar te stellen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht het reclasseringsadvies te volgen, zodat verdachte behandeling krijgt.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn dochter, die beneden de leeftijd van zestien jaren is. De ontuchtige handelingen heeft verdachte gepleegd in zijn eigen woning, een plek waar zijn dochter zich juist veilig zou moeten voelen. Tevens kan het handelen van verdachte langdurige psychische schade toebrengen aan zijn dochter en haar seksuele ontwikkeling verstoren.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 juni 2012 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie;

- een pro justitia rapport, opgesteld door W.C.J. Kramer, psychiater, d.d. 19 juni 2012;

- een reclasseringsrapport, opgesteld door H. Ellen, d.d. 14 juli 2012.

De psychiater heeft geadviseerd een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen en als bijzondere voorwaarde te stellen dat verdachte zich onder behandeling stelt van De Waag en dat die behandeling onder toezicht van de reclassering zal plaatsvinden.

De reclassering heeft geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, een behandelverplichting bij een ambulante instelling voor forensische zorg, zoals De Waag, en dat verdachte geen contact heeft met zijn minderjarige kinderen zonder aanwezigheid van minimaal één volwassene.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de reclassering geadviseerd en daarbij een proeftijd van 3 jaar opleggen, omdat de rechtbank het van belang acht dat verdachte gedurende een langere tijd behandeling ondergaat. De rechtbank acht het niet opportuun om een proeftijd van 5 jaar op te leggen en om verdachte te beperken in de omgang met zijn kinderen. De rechtbank weegt daarbij mee dat uit de stukken blijkt dat Bureau Jeugdzorg reeds betrokken is bij het gezin.

Naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie tot uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt deze vordering aldus dat de officier van justitie verzoekt om de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Die vordering is gebaseerd op de op 1 april 2012 in werking getreden wet voorwaardelijke sancties. De door de rechtbank bewezen verklaarde feiten dateren van vóór 1 april 2012. Nu een dadelijke uitvoerbaar verklaring als hiervoor bedoeld vóór 1 april 2012 niet mogelijk was, wordt geoordeeld dat de wetgeving zoals die gold vóór 1 april 2012 voor verdachte gunstiger was. Gelet op het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wijst de rechtbank de vordering van de officier van justitie af.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 247 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 2: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich gedurende een proeftijd van drie jaar moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich binnen vijf dagen na invrijheidsstelling meldt bij de Reclassering Nederland en dat hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijft melden zo frequent als deze gedurende deze perioden dit nodig acht;

* dat verdachte meewerkt aan een behandeling bij De Waag of een soortgelijke ambulante instelling voor forensische zorg;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 augustus 2012.