Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7752

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
16-710567-11 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Techno onderzoek. Verweren vwb imkomsten oud ijzer handel en erfenis verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/710567-11 (ontneming)

vonnis van de rechtbank d.d. 26 juli 2012

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Overijssel, Almelo Niendure ZBBI.

raadsvrouw mr. M.P. Hilhorst, advocaat te Utrecht.

1. De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit het volgende:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het wetboek van strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/710567-11 waaruit blijkt dat veroordeelde op 26 januari 2012 door de meervoudige strafkamer is veroordeeld ter zake van:

- telkens: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

- deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, lid 1 of 11, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet, alsmede deelnemen aan deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en

- witwassen.

tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- de processen-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer d.d. 12 januari 2012 en 26 januari 2012;

- een verhoor door de rechter-commissaris van getuige [getuige] d.d. 8 februari 2012;

- een schrijven van de officier van justitie d.d. 15 februari 2012, waarin zij meedeelt dat haar vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ongewijzigd blijft;

- de conclusie van antwoord d.d. 30 maart 2012;

- de conclusie van repliek d.d. 26 april 2012;

- de conclusie van dupliek d.d. 25 mei 2012;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 juni 2012.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de veroordeelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.P. Hilhorst.

2. De beoordeling.

2.1. De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 159.920,32.

2.2. Het standpunt van de verdediging

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ten onrechte uitgegaan van een beginsaldo van € 230,00. De veroordeelde kon beschikken over het geld dat hij heeft verdiend met zijn handel in oud-ijzer, zoals blijkt uit overgelegde bonnen van ingeleverd oud-ijzer en de bonnen die tijdens het onderzoek in beslag zijn genomen.

Veroordeelde heeft op verzoek van zijn moeder sedert 2001, zoals blijkt uit de bankafschriften, geld van haar rekening gehaald ( € 42.537,80). Hetgeen daarvan, na contante uitgaven, resteerde betrof een bedrag ongeveer € 28.000,00 dat zat in de bruine handelsportemonnee.

Een groot deel, ongeveer € 160.000,00, van het contant aangetroffen geld is afkomstig uit een erfenis van de vader van veroordeelde, die dat heeft verdiend met de handel in dieren en de verkoop van een stuk land. Deze bewaarde dat bedrag in zijn huis. Veroordeelde heeft het – uit guldens bestaande – geldbedrag na het overlijden van zijn vader, omgewisseld in euro’s bij de bank. Dat deed hij in kleine bedragen, omdat hij wist dat er bij grotere bedragen melding van een ongebruikelijke transactie werd gedaan door de bank. Getuige [getuige], een stiefbroer van veroordeelde, heeft bij de rechter-commissaris bevestigd dat zijn stiefvader in vee heeft gehandeld en veel geld had. Het Openbaar Ministerie en de politie hebben verzuimd hier nader onderzoek naar te doen, zoals het horen van de (stief) broers en zussen van veroordeelde. Veroordeelde wilde dezen zelf niet oproepen in verband met hun verstoorde relatie.

Gelet op het vorenstaande komt de betalingsverplichting van veroordeelde uit op een negatief bedrag van € 27.797,48.

Dit dient er primair toe te leiden dat de vordering van de officier van justitie afgewezen dient te worden, met teruggave aan de moeder van veroordeelde van € 188.000,00 (€ 160.000,00 + € 28.000,00). Subsidiair behoort de Staat opgedragen te worden het bedrag van € 27.797,48 terug te betalen aan veroordeelde.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

Dat veroordeelde het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit de in het vonnis d.d. 26 januari 2012 genoemde bewijsmiddelen. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in het vonnis genoemde bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het begaan van bovengenoemde feiten in de bewezenverklaarde periode voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

De rechtbank acht daarnaast, voor zover de veroordeelde vanaf 1 januari 2008, maar vóór de bewezenverklaarde periode beschikte over grote geldbedragen, waarvan geen legale herkomst vaststaat, aannemelijk dat dit wederrechtelijk voordeel betreft dat door soortgelijke feiten is verkregen.

Het totaal bedrag dat de officier van justitie vordert is als volgt samengesteld:

[verdachte] feitelijk ter beschikking had:

Eindsaldo contant geld (€ 15.900,00 van moeder is daar al af) € 171.300,00

Stortingen € 4.980,00

Fouillering € 327,80

Fiat Scudo € 3.580,00

Fiat Camper € 8.250,00

Cosmo Trucks € 1.235,56

Contante aankopen bonnen € 3.157,61

Contante bonnen Exact € 2.685,00 +

Totaal € 195.515,97

[verdachte] legaal ter beschikking had:

Beginsaldo miv 1-1-08 contante opname bankrekening € 230,00

WWB uitkering € 17.943,45

Opnames € 9.990,00

verkoop metaal € 7.632,20 +

Totaal € 35.795,65 -

Wederrechtelijk verkregen voordeel (feitelijk minus legaal) € 159.720,32

De rechtbank stelt voorop dat de door de officier van justitie gehanteerde optelling leidt tot een totaalbedrag van € 159.720,32 en dat het in de voordeelsberekening en de vordering vermelde bedrag van € € 159.920,32 een kennelijke schrijffout bevat.

De rechtbank is van oordeel dat de grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, neergelegd in het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel , voor het overige juist is en dat er geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan van die grondslagen moet worden afgeweken.

De rechtbank neemt de berekeningen uit voornoemd proces-verbaal over en maakt deze tot de hare. Deze berekeningen acht de rechtbank voldoende onderbouwd.

Met betrekking tot de hiervoor cursief weergegeven posten is verweer gevoerd. Daarop beslist de rechtbank als volgt:

Beginsaldo

De verdediging heeft aangevoerd aan dat [verdachte] over een veel groter bedrag beschikte uit zijn oud ijzerhandel.

Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen.

Dat er een groot bedrag aan contanten uit de handel zou zijn op de begindatum is op geen enkele wijze, bijvoorbeeld door schriftelijke stukken, onderbouwd. [verdachte] heeft in de periode voorafgaand aan 2008 bovendien steeds een uitkering gehad. Dat hij daar grote bedragen van heeft gespaard acht de rechtbank, gelet op het minimum karakter van de WWB uitkering, evenmin aannemelijk. De bonnen en andere inkomstenbewijzen -uit 2011- die wel zijn overgelegd zijn in de berekeningen reeds meegenomen.

Aangetroffen contanten

De rechtbank acht de lezing van [verdachte], dat het aangetroffen geldbedrag grotendeels afkomstig is van de erfenis van zijn vader, niet aannemelijk geworden. De verklaring van de getuige [getuige] bij de rechter-commissaris maakt dit niet anders, nu deze zelfs niet kan aangeven wat de omvang van het geërfde bedrag zou zijn en zijn verklaring niet ondersteund wordt door enig ander bewijs, zoals een aangifte successiebelasting of aangiften in box 3. Ook indien [verdachte] met zijn (stief)broers en zussen in onmin leeft, had hij deze als getuige(n) kunnen laten oproepen.

De herkomst van het geld is ook niet onderbouwd met concrete (verifieerbare) gegevens: zo blijkt nergens de naam uit van degene van wie de vader van [verdachte] zijn land huurde.

Opmerkelijk is ook dat wat een erfenis in guldens zou zijn geweest, is aangetroffen in euro’s, terwijl van het beweerde omwisselen geen enkel schriftelijk stuk aanwezig is. Ook indien is omgewisseld in kleine delen en coupures om registratie te ontlopen, is aan te nemen dat bij dergelijke transacties wel bonnetjes verstrekt worden. De veroordeelde heeft echter nagelaten ter zake enig stuk te overleggen (hoewel hij wat betreft de opnames van de rekening van zijn moeder wel alle afschriften kan overleggen).

Inhoud portemonnee: € 15.900,00 of € 28.000,00

Het standpunt van de verdediging dat in een bruine handelsportemonnee van de moeder een bedrag van € 28.000,00 zat, wordt weerlegd door de inhoud van het proces-verbaal dat over de inbeslagneming is opgemaakt. Uit het proces-verbaal volgt dat er in de woning in een geldkist een (zwarte) portemonnee is aangetroffen, met daarin een geldbedrag van

€ 15.900,00. In de geldkist zijn voorts kwitanties aangetroffen welke betrekking hebben op contante opnames van de bankrekening van de moeder van veroordeelde over de periode 2008 t/m 2011, voor een totaal bedrag van € 16.000,00.

Dat desalniettemin uitgegaan zou moeten worden van € 28.000,00 volgt ook niet uit de afschriften van de rekening van de moeder, waarbij opvalt dat daaruit niet blijkt van betalingen van die rekening voor levensonderhoud, verzorging , kleding en dergelijke.

De verdediging stelt terecht dat het enkele aantreffen van een grote som contant geld niet betekent dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel betreft.

In de zaak tegen [verdachte] is er echter meer dan dit enkele feit: hij is immers veroordeeld voor strafbare feiten waarvan de opbrengsten groot zijn terwijl die, vanwege het illegale karakter, niet via girale overboeking, maar in contante vorm worden betaald.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.

In het standpunt van de veroordeelde ligt besloten dat rekening gehouden moet worden met de in beslag genomen en verbeurdverklaarde geldbedragen.

Dat is juist (HR 8 mei 2005, LJN AR6386 in verband met HR 8 juli 1998, LJN ZD 1199); een bedrag dat is aan te merken als opbrengst van de strafbare feiten en dat is verbeurdverklaard moet worden afgetrokken van te ontnemen wederrechtelijk voordeel. Het vonnis waarbij die verbeurdverklaring is uitgesproken is echter niet onherroepelijk. De rechtbank zal daarom beslissen dat, voor zover de onder verdachte inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd zijn of worden verklaard, deze dienen te worden afgetrokken wanneer die verbeurdverklaring onherroepelijk wordt.

3. De wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

4. De beslissing

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 159.720,32.

Zij legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 159.720,32 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

bepaalt dat voorzover de onder verdachte in deze zaak inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd zijn verklaard of zullen worden verklaard, deze dienen te worden afgetrokken van voormeld bedrag wanneer die verbeurdverklaring onherroepelijk wordt.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier G. van Engelenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 juli 2012.

Mr. M.A.A.T. Engbers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.