Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7749

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-07-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
16-655740-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vanuit stilstand met zijn auto wegegreden, terwijl vlak voor de auto een politieagent stond. Vrijspraak poging doodslag, veroordeling (voorw opzet) poging zw mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655740-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen.

Raadsvrouw mr. E.I.E. Heuvelman, advocaat te Veenendaal.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair:

op 22 april 2012 geprobeerd heeft [verbalisant 1] van het leven te beroven, dan wel zwaar te mishandelen door met een personenauto op die [verbalisant 1] in te rijden;

Subsidiair:

op 22 april 2012 [verbalisant 1] heeft bedreigd door met een personenauto op die [verbalisant 1] in te rijden.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder primair impliciet ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder primair impliciet ten laste gelegde poging tot doodslag.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat verdachte derhalve vrijgesproken dient te worden van het hem tenlastegelegde.

Primair heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat de verklaringen en processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op essentiële punten, voor wat betreft de waarneming en identificatie van verdachte, uiteenlopen. Derhalve zijn, aldus de verdediging, de verklaringen en processen-verbaal van bevindingen van beide verbalisanten onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs gebezigd worden.

Gelet op het vorenstaande en de verklaringen van verdachte en getuige [getuige 1] kan derhalve niet wettig en overtuigend bewezen worden dat [verbalisant 1] voor de auto van verdachte stond op het moment dat verdachte wegreed.

Indien de rechtbank er vanuit gaat dat [verbalisant 1] voor de auto van verdachte stond is het, aldus de verdediging, gelet op de verklaring van verdachte en de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van getuige [getuige 1] en [verbalisant 2], aannemelijk dat verdachte naar rechts is weggereden en derhalve geen (voorwaardelijk) opzet had om [verbalisant 1] aan te rijden. Ook uit de verklaring van [verbalisant 1], afgelegd bij de rechter-commissaris, kan – aldus de verdediging- geconcludeerd worden dat hij ten tijde van het wegrijden bij het bestuurdersportier stond. Voorts is het, indien men op korte afstand voor een auto staat, gelet op de reactietijd die daarvoor nodig is, onmogelijk om op tijd weg te springen voor een optrekkende auto.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat, indien de rechtbank bewezen acht dat [verbalisant 1] voor de auto van verdachte stond ten tijde van het wegrijden, er geen aanmerkelijke kans bestond op het overlijden of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, gelet op de korte afstand die er tussen [verbalisant 1] en de auto van verdachte zou zijn geweest.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Partiële vrijspraak

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder primair impliciet ten laste gelegde poging tot doodslag. Verdachte is met zijn personenauto vanuit stilstand snel opgetrokken en wegereden terwijl [verbalisant 1] op zeer korte afstand voor zijn auto stond en opzij gesprongen is om niet door de auto van verdachte geraakt te worden. Dergelijk handelen levert naar het oordeel van de rechtbank naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet zonder meer de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer als gevolg van het op hem afrijden dodelijk zou worden getroffen. De rechtbank heeft ook niet de indruk gekregen dat verdachte verbalisant [verbalisant 1] daadwerkelijk wilde doden.

4.3.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht de onder primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank baseert zich daarbij op de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 22 april 2012 omstreeks 01.45 uur bevonden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich te voet, in uniform gekleed, in Woerden in het zogeheten ‘[adres]’ aan de [adres]. Verbalisanten waren daar aan het surveilleren omdat daar regelmatig drugs gedeald en gebruikt zouden worden. Aan de [adres] zagen zij een persoon aan komen fietsen (naar later bleek: getuige [getuige 2] die onder een lantaarnpaal naast zijn fiets bleef staan wachten. Ze besloten zicht te houden op deze persoon. Ze namen vervolgens waar dat een oude, blauwe Mercedes aan kwam rijden en stopte op de [adres] ter hoogte van de wachtende persoon. Verbalisanten zijn vervolgens in de richting van de wachtende persoon en het voertuig opgelopen. [verbalisant 1] naderde het voertuig en de fietser van de voorzijde, [verbalisant 2] van de achterzijde. Ze zagen dat het portierraam aan de bestuurderszijde geopend was en dat de fietser met zijn hoofd door het geopende portierraam ging.

De feitelijke omstandigheden op dat moment en op die locatie waren als volgt.

Het was nacht en donker. De [adres] is een geasfalteerde eenrichtingsweg met aan één zijde een betegeld trottoir en aan de andere zijde een groene berm met betrekkelijk grote loofbomen . De auto van verdachte stond stil op de rijbaan langs de (gele)trottoirband, de bestuurderszijde van de auto aan de trottoirzijde en het raam aan de bestuurderszijde was geopend. Vóór de auto was een ruimte van 10 á 15 meter vrij. Er staan lantaarnpalen aan de [adres]. Er was voldoende licht om waarnemingen te kunnen doen zoals door de politie gerelateerd, waaronder een herkenning van verdachte als de bestuurder.

[verbalisant 1] deed toen hij de auto op vijf meter was genaderd zijn zaklamp aan en scheen in het gezicht van de bestuurder en zag dat de bestuurder (hierna: verdachte) alleen in de auto zat. [verbalisant 1] liep over de straat verder tot hij vlak voor het voertuig stond, omdat hij niet wilde dat het voertuig weg zou rijden. Hij stond op de weg, iets aan de rechterzijde van het midden van de auto. Hij riep naar verdachte: “Politie! Zet de motor uit!”. Verdachte gaf een bevestigend antwoord in de trant van: “Ja. Is goed” en keek achterom in de richting van [verbalisant 2] die daarop de verdachte herkende. Daarop liep [verbalisant 1] iets naar rechts, met de bedoeling naar de bestuurder toe te lopen. Verdachte keek ondertussen weer voor zich, gaf gas en reed snel en met piepende banden recht naar voren waarop [verbalisant 1] opzij sprong het trottoir op, de auto rakelings lang hem verder reed en vrijwel direct (na ongeveer 2 meter) een hoekige bocht naar rechts maakte. Op het moment dat de auto begon te rijden bevond [verbalisant 1] zich nog voor de auto op een afstand van circa een meter. [verbalisant 1] niet opzij gesprongen dan was hij zeer waarschijnlijk door de auto geraakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij ’s nachts op 22 april 2012 als bestuurder van zijn auto, een Mercedes, op de [adres] in Woerden was. Nadat hij iemand hoorde roepen dat de motor uit moest, schrok verdachte en is hij weggereden.

Voorwaardelijk opzet

Verdachte heeft verklaard dat hij uit instinct is weggereden, dat hij alleen wilde vluchten en niet het opzet had om iemand aan te rijden. De rechtbank merkt op dat verdachte, nadat hij de indruk had gewekt dat hij de motor uit zou zetten, opeens, snel (en met gedoofde lichten) is opgetrokken en recht voorruit is weggereden. Snel optrekken terwijl een persoon die daar niet op bedacht is nog vlak voor de auto staat geeft de aanmerkelijke kans dat die persoon niet tijdig weg kan springen en wordt geraakt. Als een voetganger die voor een auto staat wordt geraakt door die rijdende auto levert dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het feit maakt de rechtbank op dat verdachte, die verbalisant voor de auto moet hebben zien staan, die aanmerkelijke kans heeft gekend en aanvaard.

Bewijsoverwegingen

Verklaringen en processen-verbaal van bevindingen

De rechtbank acht, anders dan de verdediging, de processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en hun verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris, betrouwbaar.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat de strekking en de kern van deze processen-verbaal bevindingen en de processen verbaal van verhoor als getuigen gelijkluidend zijn. Dat deze verklaringen op minder essentiële punten van elkaar verschillen doet aan de betrouwbaarheid niet af. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.

Waren verbalisanten voor verdachte herkenbaar als politie?

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat het de politie was die hem maande de motor uit te zetten, dat hij verblind werd door de zaklamp en dat hij wilde vluchten omdat hij bang was.

De rechtbank acht het onaannemelijk dat verdachte niet gehoord heeft dat [verbalisant 1] “politie” heeft geroepen en dat hij derhalve niet wist dat deze persoon van de politie was. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in hun processen-verbaal gerelateerd dat [verbalisant 1] heeft geroepen: “Politie! Zet de motor uit!” of woorden van soortgelijke strekking. Dit hebben zij ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd. Ook getuige [getuige 1] geeft aan dat hij heeft gehoord dat men zoiets riep als ‘politie, motor uit’ . Het raam aan bestuurderszijde van de auto van verdachte was geopend en verbalisant [verbalisant 1] bevond zich op korte afstand van de auto toen hij riep. Verdachte heeft wèl verstaan dat de motor uit moest. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat hij dan niet ook ‘Politie!’ heeft gehoord.

Voorts droegen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] beiden hun politie-uniform en bevond verbalisant [verbalisant 2] zich direct naast de auto van verdachte op het trottoir, ter hoogte van de middenstijl. Toen verdachte omkeek zag [verbalisant 2] zijn gezicht en herkende hem. Het is niet aannemelijk dat verdachte op zijn beurt de politieman niet zou hebben zien staan en daarbij het uniform niet zou hebben gezien. Het was weliswaar nacht, maar het was niet zo donker in het park dat de uniformen op deze korte afstand niet konden worden waargenomen. Ook getuige [getuige 1] wist, al voordat [verbalisant 1] dat riep, dat er politie was.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het niet anders kan dat verdachte moet hebben geweten dat [verbalisant 1] een politieagent was en dat het de politie was die hem maande de motor uit te zetten.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 22 april 2012 te Woerden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [verbalisant 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto (Mercedes) is ingereden op voornoemde [verbalisant 1], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot zware mishandeling.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte heeft zijn medewerking geweigerd aan het onderzoek van de gedragsdeskundige M. Sterk. Derhalve is het niet mogelijk gebleken om vast te stellen of er bij verdachte (ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten) mogelijk sprake is/was van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Verdachte is derhalve strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen :

- een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- 1 jaar ontzegging van de rijbevoegdheid.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit verdachte vrij te spreken. Subsidiair heeft de verdediging verzocht aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, dan wel een gevangenisstraf welke gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Een ontzegging van de rijbevoegdheid acht de verdediging niet op zijn plaats nu verdachte afhankelijk is van zijn rijbewijs.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank acht het bewezen verklaarde feit een bijzonder ernstig feit. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door als bestuurder van een personenauto op een agent af te rijden. Dat verdachte de agent niet heeft geraakt en hij geen (blijvend) zwaar lichamelijk letsel aan de agent heeft toegebracht is niet aan verdachte te danken, maar enkel aan de alerte reactie van de agent. Verdachte heeft geen enkel respect getoond voor het welzijn van de agent doch zich enkel laten leiden door de wens te vluchten. De agent is geconfronteerd met een ernstige daad van agressie tijdens het uitoefenen van zijn functie, waardoor hij angst heeft ervaren en zelfs zijn dienstwapen heeft getrokken en gebruikt. Verdachte stond stil met zijn auto en was nota bene gemaand de motor van zijn auto uit te zetten en had daarop geantwoord dat hij dat zou doen. Door vervolgens opeens tòch gas te geven en weg te rijden, terwijl de agent zich nog voor de auto bevond, geeft verdachte blijk van een volledig voorbijgaan aan de veiligheid van de agent. Ook al waren de omstandigheden zodanig dat het waarschijnlijk is dat verdachte drugs aan het dealen was en kennelijk wilde vluchten voor de politie, dan nog is dat geen enkele rechtvaardiging voor dergelijk (rij)gedrag. Door dusdanig te handelen heeft verdachte bovendien de openbare veiligheid geschaad, hetgeen leidt tot gevoelens van onrust in de samenleving.

Verdachte is niet eerder voor een dergelijk feit veroordeeld.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van acht maanden passend en geboden. In de persoon van verdachte ziet de rechtbank aanleiding tevens een deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, teneinde te voorkomen dat verdachte in contacten met de politie of anderszins opnieuw strafbare feiten pleegt.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid eveneens passend en geboden nu verdachte zijn auto als wapen tegen een politieagent heeft ingezet. De mededeling van de raadsvrouw dat verdachte afhankelijk is van zijn rijbewijs acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk. Ook hier ziet de rechtbank aanleiding in de persoon van verdachte om een deel van de maatregel voorwaardelijk op te leggen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder primair impliciet ten laste gelegde poging tot doodslag;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Bijkomende straf

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Voorlopige hechtenis

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. M.A.E. Somsen en mr. I.M. Vanwersch, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 juli 2012.

Mr. A. van Maanen is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.