Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7748

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
19-09-2012
Zaaknummer
300646 - HA ZA 11-184
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade door mishandeling. Aansprakelijkheid ex artikel 6:162 en 166 BW; verhouding tussen onrechtmatige daad en strafbaar feit. Beoordeling van verschillende posten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/217

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

Zaaknummer / rolnummer: 300646 / HA ZA 11-184

Vonnis van 15 augustus 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.L. van Schoonhoven,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. A.M.P.M. Adank.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden zullen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 mei 2011;

- de conclusie van repliek met wijziging van eis;

- de conclusie van dupliek;

- de akte uitlating producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 19 juli 2006 heeft te Vianen een incident plaatsgevonden. [eiser] en zijn vrouw [A] bevonden zich met de heer en mevrouw [B] en hun kinderen op het recreatieterrein Middelwaard bij de Lek in Vianen. Zij kregen onenigheid met [gedaagde sub 2] over een hond die deze bij zich had. [gedaagde sub 2] heeft toen [gedaagde sub 1] (haar man) gebeld. Deze is naar het recreatieterrein gekomen. [gedaagde sub 2] heeft hem [eiser] en zijn gezelschap aangewezen. Bij hetgeen volgde heeft [gedaagde sub 1] met zijn voeten de rug van [eiser] geraakt. [eiser] heeft daardoor letsel opgelopen; hij heeft onder meer twee rugwervels gebroken.

2.2. [gedaagde sub 1] is in verband met dit incident veroordeeld wegens zware mishandeling, bedreiging en medeplegen van mishandeling. De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 december 2006 bewezen verklaard (voor zover relevant) dat:

“hij op 19 juli 2006 te Vianen, aan een persoon genaamd [eiser], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten twee gebroken wervels in de onderrug heeft toegebracht door opzettelijk:

- vanaf een hoger gelegen gedeelte met gestrekte benen op de rug van die [eiser] te springen en

- terwijl die [eiser] op de grond lag nogmaals tegen de rug van die [eiser] te trappen; (…)”

Zij heeft [gedaagde sub 1] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan zes voorwaardelijk. Tevens heeft zij de schadevergoedingsvordering van [eiser] toegewezen tot een bedrag van € 6.003,49 (€ 5.500,00 wegens immateriële schade en € 503,49 wegens materiële schade). De strafrechter heeft [eiser] voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat dat deel van de vordering alleen bij de burgerlijke rechter kon worden aangebracht.

2.3. [gedaagde sub 2] is veroordeeld wegens bedreiging van [eiser] en zijn gezelschap en wegens mishandeling van mevrouw [B] en van mevrouw [A]; zij is vrijgesproken van uitlokking van de mishandeling van [eiser]. De rechtbank heeft haar een gevangenisstraf opgelegd van zes maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 60 uur.

3. Het geschil en de beoordeling

3.1. [eiser] vordert – na eiswijziging en samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aansprakelijk zijn voor de schade die hij lijdt en geleden heeft als gevolg van de mishandeling. Verder vordert hij veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot vergoeding van zijn schade ter hoogte van

€ 740.059,31, onder aftrek van het al betaalde bedrag van € 6.003,49, per saldo dus € 734.055,82, met rente en kosten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.

aansprakelijkheid

3.2. [eiser] beroept zich op de artikelen 6:162 en 166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 6:162 BW is het volgende bepaald:

1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

(…)

En in artikel 6:166 BW:

1. Indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.

2. Zij moeten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de billijkheid een andere verdeling vordert.

3.3. [gedaagde sub 1] benadrukt dat hij nooit de bedoeling heeft gehad om [eiser] dit letsel toe te brengen. Hij stelt dat hij, toen hij naar [eiser] toe liep om met hem te praten, van het zomerdijkje afgegleden is en met zijn voeten tegen de rug van [eiser] gekomen is. De strafrechter heeft echter wel opzet bewezen geacht, zij het in de zin van voorwaardelijk opzet: [gedaagde sub 1] heeft zich, door te handelen zoals hij gedaan heeft, willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [eiser] letsel zou toebrengen en hij heeft die kans op de koop toe genomen. Daarmee heeft hij tegenover [eiser] onrechtmatig gehandeld. Hij is daarom – zoals hij zelf ook erkent – tegenover [eiser] aansprakelijk voor het letsel dat door dat handelen veroorzaakt is.

3.4. Voor aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] op grond van artikel 6:162 BW beroept [eiser] zich erop dat zij veroordeeld is onder meer omdat zij hem bedreigd heeft. De rechtbank ziet echter geen causaal verband tussen de bedreiging en het letsel: dat is veroorzaakt door de mishandeling, die [gedaagde sub 2] niet gepleegd heeft. Zij is in het strafvonnis ook vrijgesproken van uitlokking daarvan, omdat niet was gebleken zij haar echtgenoot heeft “aangezet tot de door hem verrichte handeling, in die zin dat zij bij hem het wilsbesluit heeft gewekt om het delict waarvan hij verdacht wordt te begaan.”

3.5. Hoewel [gedaagde sub 2] dus strafrechtelijk niet veroordeeld is in verband met de mishandeling van [eiser], wil dat niet zeggen dat zij civielrechtelijk niet aansprakelijk kan zijn wegens onrechtmatig handelen. Een strafbaar feit is per definitie een handelen in strijd met de wet en daarmee in beginsel een onrechtmatige daad. Een onrechtmatige daad is echter niet alleen een handelen in strijd met de wet, maar ook een handelen in strijd met ongeschreven recht. De burgerlijke rechter zal daarom zelf moeten onderzoeken of [gedaagde sub 2] bij de mishandeling een rol gespeeld heeft die tegenover [eiser] onrechtmatig was en of zij daardoor aansprakelijk is voor de schade die hij geleden heeft.

3.6. Uit het strafvonnis blijkt dat [gedaagde sub 2] samen met [gedaagde sub 1] optrad: zij belde hem op om naar het recreatieterrein te komen, zij wachtte hem daar op, zij wees hem [eiser] en zijn gezelschap aan en zij pakte mevrouw [A] bij de haren toen die [gedaagde sub 1] wilde tegenhouden. De strafrechter heeft niet aangenomen dat [gedaagde sub 2] de mishandeling heeft uitgelokt, omdat [gedaagde sub 1] al geagiteerd was toen hij aankwam en dus waarschijnlijk toen al van plan was om degenen met wie [gedaagde sub 2] ruzie had gehad “op enigerlei wijze te benadelen”. Op grond daarvan moet echter ook worden aangenomen dat [gedaagde sub 2] kon voorzien dat een confrontatie uit de hand zou kunnen lopen. Desondanks heeft zij niet geprobeerd zo’n confrontatie te voorkomen maar daaraan juist meegewerkt, door [gedaagde sub 1] de betrokken personen aan te wijzen en door mevrouw [A] tegen te houden toen die haar man wilde helpen. Daarmee heeft ook zij onrechtmatig gehandeld tegenover [A]. Hoewel het letsel van [eiser] niet het rechtstreeks gevolg is van dit handelen van [gedaagde sub 2] maar van de mishandeling door [gedaagde sub 1], is [gedaagde sub 2] vanwege haar rol bij die mishandeling op grond van artikel 6:166 BW mede aansprakelijk voor het letsel veroorzaakt door [gedaagde sub 1].

3.7. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn daarom beiden aansprakelijk voor de schade die [eiser] geleden heeft en lijdt als gevolg van de mishandeling door [gedaagde sub 1]. [eiser] legt een letselschaderapport over, dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op verschillende punten betwisten. De rechtbank zal deze geschilpunten stuk voor stuk bespreken.

medische kosten

3.8. De post dagvergoeding tijdens verblijf in het ziekenhuis wordt niet betwist. Daarnaast voert [eiser] een post op voor diverse medische kosten (bijbetaling medicijnen, huur krukken, begeleid sporten etc). Ook deze post wordt niet betwist.

3.9. [eiser] stelt dat hij bij zijn ziektekostenverzekering een zeer uitgebreid pakket had, dat hij dit wilde inruilen voor een beperkter en goedkoper pakket, en dat hij dat niet gedaan heeft vanwege het letsel dat hij heeft opgelopen. Hij vordert vergoeding van het verschil in premies. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten deze post; zij voeren aan dat mensen bij het ouder worden eerder overstappen naar een uitgebreidere verzekering dan naar een minder uitgebreid pakket. [eiser] onderbouwt dit niet verder en legt niets over dat erop wijst dat hij inderdaad een goedkoper pakket zou hebben genomen. Daarom houdt de rechtbank met deze post geen rekening.

3.10. [eiser] voert verder een bedrag op wegens betaalde eigen bijdragen voor de zorgverzekering en misgelopen no-claim-kortingen. Ook deze post wordt betwist. Inderdaad komt dit de rechtbank niet aannemelijk voor. De stelling van [eiser] impliceert dat hij zonder de mishandeling tot zijn zeventigste jaar geen enkele vorm van medische zorg nodig gehad zou hebben. Ook als zijn gezondheid voordien zeer goed was, zoals hij stelt en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet betwisten, is dat niet aannemelijk. De rechtbank acht het wel redelijk om aan te nemen dat hij weinig kosten gehad zou hebben, en gaat daarom in redelijkheid uit van de helft.

reiskosten

3.11. [eiser] heeft reiskosten gemaakt voor medische behandelingen en dergelijke, en zal die ook in de toekomst moeten maken. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten de wijze van berekening. [eiser] heeft op basis van een Richtlijn van de Letselschade Raad voor de eerste 2000 kilometer een bepaald tarief gerekend, en voor de kilometers daarna de werkelijke kosten berekend. De Richtlijn houdt echter in dat het vaste tarief geldt voor de eerste 2000 kilometer per jaar. Aangezien [eiser] niet meer dan 2000 kilometer per jaar opvoert, moet alleen met het vaste tarief van de Richtlijn gerekend worden.

3.12. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten verder dat [eiser] tot zijn 70e levensjaar zoveel zal moeten rijden. Dit staat uiteraard niet vast; het kan zijn dat [eiser] in de toekomst minder klachten zal hebben. Aan de andere kant kan het ook zijn dat hij bij het ouder worden juist meer last krijgt. De rechtbank acht het redelijk om tot het zeventigste levensjaar uit te gaan van een gelijkblijvend aantal kilometers, dat wil zeggen ongeveer 1.000 per jaar.

persoonlijke verzorging en huishoudelijke hulp

3.13. De kosten voor persoonlijke verzorging worden niet betwist. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten wel de kosten van huishoudelijke hulp. [eiser] licht toe dat zijn huishouding 22 uur per week kost. Voorheen deed hij daarvan 75%, dat is 16,5 uur, omdat zijn vrouw lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom. Nu kan hij nog maar 10% doen, dat is 2,2 uur. Het verschil, 14,3 uur, is – ondanks haar ziekte – door zijn vrouw opgevangen. Hij heeft inmiddels een WMO-indicatie voor drie uur per week, zodat 11,3 uur resteert. Hij berekent voor deze hulp door zijn vrouw een tarief van

€ 10,00 per uur, bij 11,3 uur per week en 52 weken per jaar vanaf 20 juli 2006.

3.14. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten dat [eiser] 11,3 uur per week huishoudelijke hulp nodig heeft. Zij wijzen erop dat hij een WMO-indicatie heeft voor slechts drie uur. Bovendien stellen zij dat het gebruikelijk is dat echtgenoten het huishoudelijk werk onderling verdelen.

3.15. Deze argumenten gaan niet op. Bij een WMO-indicatie, voor zorg van overheidswege, wordt een andere maatstaf gehanteerd dan in deze civiele procedure, waar uitgangspunt is dat de schade van [eiser] volledig wordt gecompenseerd. De enige relevantie van de WMO-indicatie is daarom dat die uren in mindering gebracht worden op de hulpbehoefte, zoals [eiser] ook gedaan heeft. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten niet dat [eiser] en zijn vrouw het huishoudelijk werk feitelijk verdeeld hadden zoals hij stelt; gezien de beperkingen van mevrouw [A] is die verdeling ook niet evident onwaarschijnlijk. Door zijn taken over te nemen, verleent zij hulp waarvan het gebruikelijk is dat die verleend wordt door professionele, betaalde hulpverleners. Naar vaste jurisprudentie is het redelijk om daarvoor een vergoeding toe te kennen, ook als die feitelijk verleend wordt door de echtgenote. Bovendien hebben de mishandeling en de verschuiving van huishoudelijke taken die daarvan het gevolg geweest is ook het leven van mevrouw [A] op zijn kop gezet. Ook op die grond is het niet onredelijk dat voor het huishoudelijk werk dat zij noodgedwongen heeft overgenomen een vergoeding betaald wordt.

3.16. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten verder niet de berekeningsmethodiek. Hoewel deze afwijkt van de Richtlijn van de Letselschade Raad, zal de rechtbank daarom die methode volgen.

verlies aan arbeidsvermogen

3.17. [eiser] berekent de schade door verlies aan arbeidsvermogen op basis van het verschil tussen zijn gebruikelijke salaris, inclusief overuren, en hetgeen hij feitelijk ontvangen heeft (70% van zijn loon dan wel een WIA-uitkering), tot zijn 67e levensjaar. Deze berekening wordt op slechts enkele punten betwist. In de eerste plaats wijzen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erop dat [eiser] bij Allianz wegens reorganisatie ontslagen zou worden. [eiser] stelt hierover dat hij overwoog een camping in Frankrijk te beginnen, maar dat hij ook al contacten had met Xerox en daar waarschijnlijk een vergelijkbare baan had kunnen vinden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] trekken in twijfel of hij daar even veel had kunnen verdienen als bij Allianz.

3.18. Vast staat dat [eiser] in dienst was bij Allianz en daar wegens reorganisatie ontslagen zou worden. Het is mogelijk dat hij elders een baan met een lager salaris gevonden zou hebben, of juist een beter betaalde baan. Door het letsel dat hij heeft opgelopen, kan dat niet meer worden vastgesteld. De rechtbank acht het redelijk om ervan uit te gaan dat [eiser] bij Xerox of elders een nieuwe baan zou hebben gevonden met een vergelijkbaar salaris (niet lager en niet hoger), omdat er geen aanwijzingen zijn die een andere verwachting waarschijnlijker maken.

3.19. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wijzen er verder op dat [eiser] waarschijnlijk een ontslagvergoeding ontvangen heeft. Dit doet echter niet ter zake. Een ontslagvergoeding heeft immers niets te maken met het letsel dat hij heeft opgelopen, maar is bedoeld als compensatie voor inkomensverlies door het reorganisatieontslag, waarbij dat inkomensverlies vooraf niet vast staat. De rechtbank gaat ervan uit dat [eiser] snel ander werk gevonden zou hebben (hij had al contacten bij Xerox), zodat hij van de ontslagvergoeding financieel voordeel zou hebben gehad. In de situatie zonder letsel had hij dat mogen behouden, en dat mag hij nu dus ook. De ontslagvergoeding blijft daarom bij de schadeberekening buiten beschouwing.

3.20. Beide partijen gaan verder in op de camping in Frankrijk, zonder dat helemaal duidelijk is op welke manier die een rol speelt in de schadeberekening. De rechtbank overweegt daarover het volgende. [eiser] en zijn vrouw hebben dat kennelijk onderzocht en daarvoor kosten gemaakt, maar er zijn onvoldoende doorslaggevende aanwijzingen dat zij uiteindelijk werkelijk die keus gemaakt zouden hebben. In elk geval is niet aannemelijk dat [eiser] bij Xerox was gaan werken én een camping begonnen zou zijn. De rechtbank gaat ervan dat hij in de situatie zonder letsel een baan gevonden zou hebben (bij Xerox of elders), en dus ook dat hij zou hebben afgezien van de camping in Frankrijk. De vraag wat hij met zo’n camping had kunnen verdienen blijft daarom buiten beschouwing. De kosten die hij al gemaakt had voor het onderzoeken van de mogelijkheden voor een camping zouden in de situatie zonder letsel voor zijn rekening gebleven zijn, en blijven dat in de schadeberekening dus ook.

verlies zelfwerkzaamheid

3.21. [eiser] lijdt schade doordat hij het onderhoud aan huis en tuin niet meer zelf kan doen. Hij had een vrijstaande woning in eigendom; hij heeft deze inmiddels verkocht en is op zoek naar een geschiktere woning. Hij vordert vergoeding wegens verlies aan zelfwerkzaamheid en bovendien de kosten van tweemaal verhuizen (tweemaal € 800,00). Bij de berekening gaat hij deels uit van de standaardbedragen van de Richtlijn van de Letselschade Raad en deels van feitelijk verrichte werkzaamheden; omdat deze verricht zijn door zijn vrouw of door familie en vrienden hanteert hij een geschat tarief.

3.22. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Zij betwisten de redelijkheid voor een vergoeding voor werkzaamheden verricht door mevrouw [A]. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de beoordeling van ditzelfde verweer bij de post huishoudelijke hulp.

3.23. Dit geldt ook voor het verweer met betrekking tot de werkzaamheden verricht door vrienden. Het gaat om werkzaamheden waarvan het gebruikelijk is die door professionals te laten doen. Het feit dat [eiser] daarvoor vrienden inschakelt is dan geen reden waarom daarvoor geen vergoeding verschuldigd zou zijn. Er is ook geen reden om de gevolgen van het letsel van [eiser] af te wentelen op zijn vrienden, terwijl [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarvoor aansprakelijk zijn.

3.24. In het feit dat voor deze vriendendiensten een fictief tarief gehanteerd moet worden en in de onzekerheid over het onderhoud aan de woning die [eiser] wil gaan kopen ziet de rechtbank wel een reden om de kosten niet concreet te berekenen maar daarvoor het tarief van de Richtlijn van de Letselschade Raad te volgen. Deze Richtlijn is ingegaan op 15 september 2006 en heeft betrekking op letsel opgelopen vanaf die datum. Aangezien het hier gaat om letsel opgelopen slechts twee maanden vóór die datum terwijl de schade voor het leeuwendeel na die datum geleden is, ziet de rechtbank geen bezwaar om de Richtlijn ook in dit geval toe te passen. Dat houdt in dat tot 1 januari 2010 een bedrag van € 1.300,00 per jaar vergoed moet worden en daarna van € 1.404,00 per jaar. [eiser] heeft onvoldoende concreet toegelicht dat dit bedrag voor hem niet toereikend is. De rechtbank acht het wel redelijk om apart rekening te houden met de verhuiskosten. Het is begrijpelijk dat [eiser] wil verhuizen naar een woning die beter past bij zijn beperkingen, en de opgevoerde kosten zijn niet onredelijk.

overige schade

3.25. De post overige materiële schade betreft een gehandicaptenparkeerkaart, hulpmiddelen, diverse aanpassingen (onder andere aan een camper), extra telefoonkosten, porti en kopieerkosten. Deze post wordt niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

3.26. De post belastingschade wordt ook niet betwist, maar moet als gevolg van het bovenstaande mogelijk opnieuw berekend worden.

3.27. De post pensioenschade wordt evenmin betwist, al zetten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hier vraagtekens bij vanwege de camping in Frankrijk. Aangezien de rechtbank deze camping buiten beschouwing laat, hoeft dat in dit verband niet verder besproken te worden.

3.28. [eiser] vordert als vergoeding voor immateriële schade een bedrag van € 50.000,00. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vinden dit buiten verhouding. De rechtbank oordeelt daarover als volgt. [eiser] is geboren in 1961; hij was op het moment van de mishandeling 45 jaar oud en gezond. Aanleiding voor de mishandeling waren enkele onvriendelijke woorden over de hond van [gedaagde sub 2]. [gedaagde sub 2] reageerde daarop eerst door mevrouw [B] te mishandelen (zeer hard en pijnlijk aan de haren te trekken) en vervolgens door haar man erbij te halen, die zonder verdere aankondiging [eiser] te lijf gegaan is. [eiser] heeft – met deze onnozele aanleiding – letsel opgelopen waardoor hij volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Hij heeft dagelijks veel pijn en hij is ook thuis ernstig beperkt in zijn functioneren. Hij is in veel opzichten afhankelijk geworden van hulp van zijn vrouw of anderen. Hij kan maar kleine stukjes lopen of autorijden en korte perioden zitten; hij brengt een groot deel van de dag liggend door. Hij is daardoor ook zeer beperkt in zijn mogelijkheden van vrijetijdsbesteding (vakantie, hobby’s). Kortom zijn hele leven (en dat van zijn vrouw) is ontwricht door het letsel dat hij heeft opgelopen als gevolg van de mishandeling door [gedaagde sub 1]. Op grond daarvan, en rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen aan smartengeld hebben toegekend, acht de rechtbank het in dit geval redelijk een vergoeding toe te kennen van € 40.000,00.

matiging

3.29. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren aan dat het betalen van een substantieel bedrag aan schadevergoeding vanwege hun financiële situatie vrijwel onmogelijk is. Zij verzoeken matiging van de schadevergoeding. Voorwaarde daarvoor is, op grond van artikel 6:109 BW, dat toekenning van volledige schadevergoeding onder de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Uit die formulering blijkt dat de rechter deze bevoegdheid terughoudend moet toepassen en dat hij daarbij rekening moet houden met alle omstandigheden van het geval, aan beide zijden. De enkele stelling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat hun financiële situatie geen (grote) schadevergoeding toelaat, is daarvoor in elk geval onvoldoende. Eén van de relevante omstandigheden is zeker ook de hoogte van de schadevergoeding die betaald zou moeten worden. Omdat die nog niet vaststaat, zal de rechtbank de beoordeling op dit punt aanhouden.

vervolg van de procedure

3.30. De rechtbank zal de behandeling aanhouden om [eiser] in de gelegenheid te stellen om op basis van het bovenstaande de berekening aan te laten passen. Partijen kunnen dan tevens nog ingaan op de consequenties van de betalingen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, waarvan [eiser] in de dagvaarding melding maakt.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 september 2012 voor het nemen van een akte door [eiser] met een aangepaste schadeberekening, waarna [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op de rol van zes weken daarna een antwoordakte kunnen nemen;

4.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Eelkema en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2012.