Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7653

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
325911 - HA RK 12-310
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Ook een bodemprocedure aanhangig. Rapportage van gezamenlijk aangezochte deskundige bindend. De omvang van de aansprakelijkheid en het percentage eigen schuld kan, ondanks bodemprocedure, naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld, nu pp het eens zijn over de toedracht en de deelgeschilrechter dient te beslissen aan de hand van hetzelfde beoordelingskader als de bodemrechter.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019x
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019aa
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2012/109
VR 2014/52
JA 2012/223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

Zaak-/rekestnummer: 325911 / HA RK 12-310

Beschikking van 5 september 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. H.A. Zandijk,

tegen

naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. G.C. Endedijk.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 4 juni 2012;

- de brief van 14 juni 2012, ingekomen ter griffie op 18 juni 2012, van [verzoeker];

- het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 juni 2012;

- de brief van 29 juni 2012, ingekomen ter griffie op 29 juni 2012, van [verzoeker] waarbij is overgelegd een aanvulling op het verzoekschrift alsmede de productie 14;

- de mondelinge behandeling.

2. De feiten

2.1. Op 13 maart 2004 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij [verzoeker] als fietser in aanrijding kwam met een stadsbus.

2.2. Allianz is de WAM-verzekeraar. Allianz heeft op grond van artikel 185 WAM aansprakelijkheid erkend.

2.3. Het met betrekking tot het onder 2.1. vermelde ongeval opgestelde Procesverbaal Verkeersongevals Analyse, heeft voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

“(…)

Beknopte toedracht

Voertuig 1, de fiets, reed over het Catharijneviaduct en was gaande in de richting van het Smakkelaarsveld. Voertuig 2, de lijnbus, reed over de Daalsesingel en was gaande in de richting van het Vredenburg. Op het kruispunt van deze wegen reed de bestuurder van de fiets met de rechter voorzijde tegen de linker voorzijde van de lijnbus.

Tengevolge van deze aanrijding liepen de bestuurder van de fiets en een passagier van de lijnbus letsel op.

(…)

Analyse verkregen gegevens

(…)

Door het ontbreken van bruikbare sporen hebben wij de gereden snelheid van de lijnbus niet kunnen achterhalen. Gelet op de schade aan en de eindposities van de voertuigen is het echter niet waarschijnlijk dat de maximum toegestane snelheid van 50 km per uur werd overschreden.

De buspassagier raakte waarschijnlijk gewond als gevolg van de door de bestuurder van de

lijnbus ingezette noodremming.

(…)

Conclusie

Artikel 15 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990.

De bestuurder van de fiets verleende op het genoemde kruispunt geen voorrang aan de voor hem van rechts komende lijnbus.

(…)”

2.4. De heer [getuige 1] heeft in zijn hoedanigheid van getuige van het ongeval op 13 maart 2004 tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

“ (…) reed ik samen met mijn vrouw over het Paardenplein in Utrecht (…).

Wij wilden naar de Catharijnesingel. Terwijl wij daar reden zag ik dat er rechts achter ons aan een bus kwam rijden. Ik zag dat deze bus over de bestemde busstrook heen reed. Ondertussen reden wij verder en zag ik dat er van links over het viaduct een fietser aan kwam rijden. Ik zag dat deze fietser rechtdoor wilde fietsen in de richting van het Smakkelaarsveld. Ik zag dat de fietser voor ons de rijbaan overstak. Ook zag ik dat de bus rechts naast ons vlak voor ons kwam rijden. Ik zag dat de fietser de busstrook wilde oversteken. Vervolgens zag ik dat de bus de fietser links voor op het raam raakte. (…)”

2.5. Mevrouw [getuige 2] heeft in haar hoedanigheid van getuige van het ongeval op 13 maart 2004 tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

“Ik ben zojuist getuige geweest van een aanrijding tussen de bus waarin ik zat en een fietser. (…)

(…) Ik vermoed dat de bus ongeveer 35 à 45 km per uur reed. Ik weet dat de bus bij de halte ongeveer 60 meter verderop moet stoppen. Ik denk dus dat de bus niet heel hard reed. Ik zag dat er vanaf het Catharijneviaduct een fietser reed in de richting van het Smakkelaarsveld te Utrecht. Ik zag dat deze fietser vervolgens de Catharijnesingel over wilde steken alwaar op dat moment de genoemde bus reed. Ik zag dat de fietser aanzette om voor de bus langs het Smakkelaarsveld op te rijden. Daarop zag en hoorde ik dat de chauffeur probeerde te remmen. Ik zag daarna dat de bus de fietser raakte aan de linker voorzijde van de bus. (…)

Ik vermoed dat de fietser de bus over het hoofd heeft gezien en dat daardoor de aanrijding is ontstaan.”

2.6. De heer [getuige 3] heeft als betrokkene van het ongeval op 13 maart 2004 tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

“(…) Ik ben zojuist als bestuurder van een motorvoertuig betrokken geraakt bij een verkeersongeval. (…)

Vandaag, 13 maart 2004, reed ik als chauffeur in een stadsbus (…). Omstreeks 10:25 reed ik over de busstrook op de Daalsesingel. Ik kwam uit de richting van het verkeersplein Paardenveld en reed in de richting van het Vredenburgviaduct. Ik reed met een snelheid van om en nabij de 45 km per uur.

Gekomen ter hoogte van de Leidseveer naderde ik een oversteekplaats voor fietsers. Ik weet dat dit een nare kruising is. Veelal steken hier fietsers over zonder goed opzij te kijken. Ik weet dat doordat ik daar veel vaker rijd met de bus.

Toen ik deze oversteekplaats tot op een meter of vier à vijf genaderd was zag ik van links, dus vanuit de richting van de Catharijnekade, een fietser aan komen fietsen. Ik zag dat deze man over het fietspad fietste. Ik zag dat hij hard en snel kwam aan fietsen. Ik zag dat hij de oversteekplaats naderde en dacht dat hij wel zou stoppen. Echter tot mijn schrik zag ik dat hij zonder naar links of naar rechts te kijken zomaar de rijbaan overstak.

Ik schrok enorm en had niet verwacht dat hij zomaar over zou steken. Ik trapte op de rem en probeerde een aanrijding te voorkomen. Dit lukte echter niet. Ik hoorde en voelde een klap. Ik zag dat ik de fietser raakte met de linker voorzijde van de bus. (…)

(…) Ik weet zeker dat ik nog heb geremd voor ik de man raakte maar hij stak zo plotseling over dat ik hem nooit kon ontwijken.

Ik heb wel vaker meegemaakt dat fietsers onbezonnen aan komen rijden maar ze stoppen bijna altijd. En als ze toch oversteken dan kijken ze tenminste even opzij. Deze man heeft op geen enkel ogenblik naar rechts of links gekeken. (…)”

2.7. [verzoeker] heeft op 29 september 2004 tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

“(…) Ik kan u verklaren dat ik niets meer van het ongeval kan herinneren. (…) Alles wat ik weet over het ongeval heb ik van derden gehoord.

(…)”

2.8. In het kader van de letselschaderegeling heeft in gezamenlijk overleg een neurologische expertise, een oogheelkundige expertise alsmede een psychiatrische expertise plaatsgevonden.

2.9. De psychiatrische expertise is verricht door drs. J.J.D. Tilanus.

Het (concept)rapport van Tilanus (productie 6 bij het verzoekschrift) heeft, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

”VI. E I N D C O N C L U S I E

Diagnose/classificatie:

Als diagnose formuleren wij: atypische klachten, met atypisch beloop en zonder syndromale samenhang, met bij anamnese en onderzoek inconsistenties en aggravatie, in een medicolegale context bij status na aanrijding in 2004 met destijds fracturen en contusio cererbi; thans verder normaal toestandbeeld in psychiatrische zin bij een op bovengemiddeld begaafd intellectueel niveau functionerend karakter niet enige obsessieve-compulsieve trekken

DSM-IV-TR classificatie:

as I : 300.19 nagebootste stoornis met gecombineerde psychische en lichamelijke verschijnselen en klachten;

as II : V7l.09 geen diagnose; enige obsessieve-compulsieve trekken;

as III : geen thans bekende relevante afwijkingen, behoudens blijkbaar een reststatus na n. IV-parese rechts en een N. I-letsel;

as IV : thans geen bijzondere psychosociale stressoren;

as V : GAF-score: 80 (conform definitie: indien symptomen aanwezig, dan zijn dit voorbijgaande en te verwachten reacties op psychosociale stressveroorzakende factoren).

Résumé:

Samenvattend kunnen ten aanzien van onderzochte de volgende bijzonderheden worden gesteld:

1. Onderzochte maakte in de jeugd en puberteit een ontwikkelingssituatie door, welke door een aantal factoren werd gecompliceerd en waar zich verder een doorgaans gecompenseerd, gemiddeld belastbaar, karakter met enige obsessieve-compulsieve trekken, evenwel zonder persoonlijkheidsstoornissen, ontwikkelde. De persoonlijkheid is thans bestand tegen een gemiddelde, bij zijn leeftijdsfase en constitutie passende, levenslast en vertoont geen kenmerken, die storend zijn hij deelname aan het tussenmenselijk contact, zoals zich dat in zijn werk en vrije tijd kan voordoen.

2. Bij het huidig onderzoek wordt geen psychiatrisch syndroom i.e.z. in het toestandbeeld gediagnosticeerd. De DSM-IV-TR classificatie volgende, wordt een nagebootste stoornis geclassificeerd. E.e.a. leidt niet tot duurzame beperkingen t.a.v. zijn functioneren en is niet als direct ongevalsgevolg te beschouwen.

3. Bij de beschouwing van het sociaal-psychologisch profiel valt een in psychiatrische zin adequaat en gecompenseerd functioneren in eerste en derde milieu op.

4. In somatisch opzicht bestaan geen thans bekende relevante afwijkingen, behoudens, afgaande op de informatie uit de stukken, een resttoestand na N. IV-parese rechts en een N. I-letsel.

(…)”

2.10. Op verzoek van [verzoeker] heeft prof. dr. H.J.C. van Marle, psychiater, een psychiatrisch onderzoek verricht van [verzoeker], waarvan op 26 juni 2012 een rapport is uitgebracht. De inhoud van dit rapport luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

Beantwoording van de vraagstelling

I. Wat is de aard en de ernst van het letsel, voor zover op uw psychiatrisch vakgebied gelegen, opgelopen ten gevolge van het ongeval? Welke klachten, beperkingen en stoornissen komen tot uiting in de anamnese. Welke beperkingen en stoornissen stelt u vast bij uw psychiatrisch onderzoek. Welke zijn uw specialistisch-psychiatrische bevindingen. Welke psychiatrische diagnose stelt u?

Wilt u, voor zover nodig en mogelijk, een classificatie geven volgens DSM-IV. Zijn er afwijkingen buiten uw specialistisch-psychiatrisch vakgebied.

Ad I.

Betrokkene is lijdende aan een conversiestoornis, gekenmerkt door een veelheid aan lichamelijke klachten met een soms bizarre inhoud, met een onverschilligheid die niet past bij de ernst van de door hem verwoorde klachten, afonie, een vlakke mimiek, waarbij als expressief karakter met name betrokkenes moeheid, passiviteit, onvermogen tot het aangaan van relaties, centraal staat. Waar hier vermeld wordt: “opgelopen ten gevolge van het ongeval?” dient vermeld te worden dat deze conversiestoornis opgelopen is voortvloeiende uit het ongeval. De rechtstreekse gevolgen daarvan zijn de schedelbasisfractuur, het epiduraal hematoom, de oogspierparese, het vermindert kunnen ruiken, dijbeenfractuur met operatie en de sleutelbeenfractuur. Milde cognitieve problemen zijn destijds na een naar neuropsychologisch onderzoek vastgesteld door collega (neuroloog) Bernsen als ongevalsgevolg. Op het gebied van de psychiatrie is de conversiestoornis onlosmakelijk verbonden met het betrokkene overkomen ongeval, aangezien hij daardoor uit zijn ambitieuze en energieke levensinstelling is geraakt en hij heeft ervaren dat minder ambitieus zijn voor hem lonend is (in de vorm van de “secundaire ziektewinst”). Zonder het indexongeval zou de conversiestoornis niet zijn opgetreden, het is de uitdrukking van betrokkenes stress in zijn leven tot dusver en zijn moeite zich verder zelfstandig te ontwikkelen die geluxeerd zijn door de ongevalsverbonden pijnen en de gedwongen revalidatie. Na eerdere, veel mildere, decompensaties in 1997 en 2002 heeft hij zijn leven zonder restklachten kunnen hervatten.

Zie verder bovenstaand onderzoek, in het bijzonder de Klachtenanamnese, de Speciële anamnese en het Psychiatrisch onderzoek met de Beschouwing voor de differentiaal diagnose.

De DSM-IV classificatie luidt als volgt:

As I: 300.11 conversiestoornis

As II: V71.09 geen diagnose; met obsessieve-compulsieve en perfectionistische trekken.

As 111: Status na schedelbasisfractuur, dijbeen- en sleutelbeenfractuur na een botsing met een autobus; oogproblemen, hoofdpijn, slaapstoornissen, maagpijn, evenwichtsproblemen.

As IV: Problemen binnen de primaire steungroep, problemen gebonden aan de sociale omgeving, werkproblemen.

As V: (Algemene beoordeling van het functioneren; GAF) 60.

lIet onderscheid tussen mijn GAF-score van 60 en die van collega Tilanus (80) ligt in het feit dat ik betrokkenes beperkingen op grond van de conversiestoornis hiermee aangeef.

II. Welke klachten, afwijkingen en beperkingen en stoornissen, zoals door u vastgesteld, moeten psychiatrisch als direct of indirect ongevalsgevolg worden beschouwd. Welke klachten, afwijkingen en beperkingen en stoornissen, zoals eveneens door u vastgesteld, moeten psychiatrisch niet als direct of indirect ongevalsgevolg worden beschouwd. Zijn er pre-existente dan wel na de ongevalsdatum opgetreden psychiatrische ziekten en/of aandoeningen? Zo ja, welke zijn deze, en voor welk gedeelte zijn zij verantwoordelijk voor de huidige toestand van betrokkene? Waaruit bestonden de behandelingen en war was het resultaat daarvan?

Ad II.

De conversiestoornis dient als indirect ongevalsgevolg te worden beschouwd. Psychische factoren worden verondersteld met het symptoom of het uitvalsverschijnsel samen te hangen omdat het begin of het verergeren van het symptoom of uitvalsverschijnsel vooraf gegaan wordt door conflicten of andere stressveroorzakende factoren (criterium B van de conversiestoornis). Door het ongeval en de daaraan gekoppelde revalidatie werd betrokkene zich bewust van de passieve kanten in zijn karakter en kreeg hij de gelegenheid af te zien van zijn ambitieuze levensinrichting. Daarvoor was hij al eerder teruggedeinsd, in de vorm van uitstel om te gaan werken, via een bijbelschool. Er zijn derhalve meer psychische factoren in bovengenoemde zin aanwezig die samenhangen met betrokkenes symptomen dan dat nu louter het aannemen van de ziekenrol het eerste doel zou zijn van zijn mentale toestandsbeeld.

Pré-existent zijn er vóór de ongevalsdatum geen psychiatrische ziekten en/of aandoeningen aanwezig geweest. Wel heeft betrokkene blijk gegeven van perfectionisme, een hoog streefniveau, en actief organiseren, terwijl in diezelfde tijd hij in sociaal en intiem oogpunt geïsoleerd leefde. Op grond van zijn huidige, somatoforme klachten eist hij dat niet meer van zichzelf. Hierbij dient vermeld te worden dat betrokkene in de verschillende eerdere psychiatrische onderzoeken geen stoornis heeft danwel de nagebootste stoornis (2010) of de conversiestoornis (2012), de laatste door mij vastgesteld. Verder blijkt uit de nadere onderzoeken dat er geen of nauwelijks organisch substraat wordt gevonden als basis voor zijn klachten, een extra reden om te komen tot deze psychiatrische diagnose (criterium D). Wat telkens in het stuk als pré-existent naar voren komt is betrokkenes dyslexie. De conversiestoornis kan worden geacht voort te bouwen op de verschillende somatische aspecten die een direct ongevalsgevolg zijn geweest, zoals de hoofdpijn, de oogproblemen, de pijnen. Het niet kunnen slapen en de nachtmerries zijn een symptoom van betrokkenes spanningstoestand vanwege zijn psychische conflict tussen passiviteit en activiteit.

Weerloosheid versus ambitie, beide factoren die bepaald worden door zijn voorgeschiedenis van lichamelijke en psychische mishandeling door zijn moeder respectievelijk stiefmoeder.

De vaderfiguur was daarbij de grote afwezige.

Met betrekking tot de uitgevoerde behandelingen op mijn vakgebied, zie de Psychiatrische voorgeschiedenis.

III. Indien het ongeval zich niet had voorgedaan, zouden dan de, eventueel door u vast te stellen psychiatrische klachten, afwijkingen en beperkingen zich (te eniger tijd) óók hebben voorgedaan? Zo ja, wanneer, bij benadering, en in welke mate?

Ad III.

Op het moment van het ongeval was betrokkene op een cruciale fase in zijn leven. Voor het eerst zou hij zelfstandig zijn geld gaan verdienen. Tot zover had zijn ambitie hebben gebracht, terwijl hij tot tweemaal toe traumatiserende gebeurtenissen heeft gekend met zijn moeder en zijn stiefmoeder, terwijl zijn vader hem daar niet tegen heeft weten te beschermen.

Betrokkene heeft het vervolgens altijd zelf weten uit te zoeken. Dienaangaande dient gesteld te worden dat er bij betrokkene geen sprake is van een persoonlijkheidstoornis of een andere premorbide aandoening, behalve dan enkele persoonlijkheidstrekken die ook ten gunste van zijn verdere ontwikkeling hebben meegeholpen, zoals zijn streven heeft wel, zijn intelligentie, zijn organisatievermogen. Betrokkene is echter nooit toegekomen aan zijn passieve kanten. Die werden pas voor hem voelbaar vanaf het moment dat hij in het ziekenhuis lag na het ongeluk. Daaraan heeft hij zich vervolgens gefixeerd, omdat hij zo kan afzien van zijn hoge ambitieniveau en inzet. De hier beschreven psychodynamiek geeft op zichzelf geen aanleiding om te veronderstellen dat betrokkene zonder ongeval ook de huidige klachten zou hebben gehad. Het ongeval met de daaruit voortvloeiende revalidatie en gedwongen passiviteit is een noodzakelijke voorwaarde geweest om betrokkenes mentaal evenwicht te doen kantelen van de overactieve naar de overpassieve kant en op die manier tot reële beperkingen te komen, i.c. Zes een conversiestoornis. Wellicht had hij zich als een andere oplossing van zijn problemen bewust gewend tot een meer actieve rol in het geloof, zoals bijvoorbeeld de evangelisatie, om uit zijn innerlijk conflict te geraken, maar dat staat niet op hetzelfde niveau als een psychiatrische stoornis.

IV. Is er sprake van een eindtoestand? Zo ja, sinds wanneer? Ingeval er thans nog geen sprake is van een eindtoestand hoe ziet u de prognose en welke maatregelen beveelt u ter verbetering aan? Waaruit zal in dit geval de uiteindelijke te verwachten eindtoestand - al dan niet na de nodige behandelingen - bestaan; wanneer zal dat zijn en hoe groot zal alsdan het percentage functionele invaliditeit kunnen zijn?

Ad IV.

Er is sprake van een eindtoestand. Alle terreinen waarop betrokkene klachten heeft zijn in beeld gebracht in verschillende expertises. De raad te werken aan de oogklachten middels polikliniekbezoek is vanzelfsprekend, maar in feite wordt er dan nieuwe diagnostiek bedreven, aangezien de diagnostiek tot dusver op het gebied van de oogheelkunde geen verdere afwijkingen heeft laten zien. Door zijn geringe introspectieve vermogens is de haalbaarheid van een psychotherapeutisch succes nihil; hij heeft geen lijdensdruk en ontkent psychische klachten (somatiseren). Collega Beers ziet op zijn terrein ook geen afwijkingen maar wijt de klachten van betrokkene aan mogelijke verwerkingsproblematiek in de hersenen.

Verdere objectieve gegevens daarvan zijn vooralsnog daarvoor niet aanwezig.

Binnen mijn vakgebied de psychiatrie is het op grond van de Richtlijnen niet toegestaan een percentage functionele invaliditeit vast te stellen.

V.a. Zijn er als gevolg van het ongeval beperkingen op uw vakgebied t.a.v. het verrichten van arbeid, gegeven de 80-100% arbeidsongeschiktheid als toegekend door het UWV en de Wajong? Zo ja. welke zijn deze?

Ad V.a.

Voor betrokkenes functionele beperkingen zoals hij die aangeeft in de klachtenanamnese en de speciële anamnese is de door mij gediagnosticeerde conversiestoornis verantwoordelijk, waarbij de eerdere schade als gevolg van het indexongeval faciliterend heeft gewerkt met betrekking tot de vormgeving van de klachten. Betrokkenes conversiestoornis leidt tot beperkingen in het zien, zoals betrokkene die ook gedetailleerd weergeeft, en die geven weer aanleiding tot hoofdpijn met prikkelbaarheid. Verder zijn er zijn slaapstoornissen op grond van gespannenheid die hem veel energie kosten. Op grond van de conversiestoornis heeft betrokkene een ervaring van een onderlinge samenhang tussen zijn symptomen, zodat er heel moeilijk ergens verbetering kan worden bereikt. Er treedt voortdurend symptoomverschuiving op, ook een symptoom van de conversiestoornis.

V.b. Zijn er als gevolg van het ongeval beperkingen t.a.v. het A(lgemeen) D(agelijks) L(even)? Zo ja. welke zijn deze?

Ad V.b.

Er is sprake van energieverlies, waardoor betrokkene te vermoeid en te weinig geconcentreerd is om zijn huishouden goed te doen. Het energieverlies overvalt hem. Bepaalde huishoudelijke handelingen haalt hij door elkaar of maakt hij niet af. Zijn al eerder geconstateerde gebrek aan introspectie maakt ook dat hij niet leert om te gaan met zijn stoornis.

V1.c. Zijn er als gevolg van het ongeval beperkingen t.a.v. de recreatieve bezigheden van betrokkene? Zo ja, welke zijn deze?

Ad VI.c.

Vanwege zijn massale energietekort komt betrokkene niet aan recreatieve bezigheden toe, behalve dan zijn lopen en fietsen, waar hij zich naar zijn zeggen toe moet dwingen. Deze ambivalentie is een onderdeel van de afwijkende klachtenpresentatie die hoort bij de conversiestoornis.

VII. De expertiserend psychiater Tilanus heeft in dit dossier desgevraagd een viertal brieven toegezonden van de afdeling Oogheelkunde UMC Utrecht, gedateerd 16 maart 2009, 1 december 2009, 22 maart 2010 en 25 mei 2010, vide oogheelkundig dossier UMC Utrecht, zonder deze over te leggen als bijlagen - of expliciet te noemen in zijn rapportage in 2010; acht u deze brieven uit de oogheelkundige behandelende sector, relevant voor een expertiserend psvchiater in dit dossier, ook in verband met de overwegingen van de oogheelkundige expertiserapportage van maart 2012?

Ad VII.

De vermelde brieven uit de oogheelkundige behandelende sector met de data 16.03.09, 17.12.09, 22.03.10 en 25.05.10 zijn niet relevant met betrekking tot het uitgevoerde psychiatrisch onderzoek van collega Tilanus en de bijbehorende vraagstelling. Het gaat hier met name om orthoptistische gegevens en conclusies die geen directe relevantie hebben voor het gehele psychiatrische toestandsbeeld. Ook de oogheelkundige expertiserapportage van collega Beers vermeldt dat er op het gebied van de oogheelkunde verder geen afwijkingen zijn, geheel in overeenstemming met de hier vermelde andere brieven, zodat ook op grond van dit laatste rapport de eerder vermelde oogheelkundige gegevens niet in een nieuw daglicht worden gesteld.

VIII. Is het naar uw oordeel toegestaan dat een onafhankelijk en deskundig expertiserend

psychiater, mede gegeven de Richtlijn Psychiatrische rapportage van uw collega Koerselman c.s. uit 2002 en andere opvattingen daarover, medisch relevante schriftelijke informatie aan partijen die een psychiatrische expertise hebben aangevraagd, wordt onthouden? Dit ook gelet op de transparantie en de verifieerbaarheid van die partijen over op welke wijze deze rapportage is tot stand gekomen en waarop de conclusies daarin zijn gebaseerd?

Ad VIII.

Het is dan alleen laakbaar gedrag wanneer er sprake is van het onthouden van medisch relevante, schriftelijke informatie aan partijen wanneer deze schriftelijke informatie ook inderdaad relevant is voor de te bestuderen casus in het licht van de vraagstelling en binnen het specifieke vakgebied. Wanneer onder VIII wordt bedoeld de bovenvermelde stukken onder VII, ben ik van mening, zeker nu ik ook in staat ben de inhoud van deze stukken mee te wegen, dat er hier geen sprake is geweest van het onthouden van medisch relevante schriftelijke informatie. De informatie ervan heeft geen directe consequenties voor de conclusies die worden genoemd in het rapport van collega Tilanus.

IX. Deelt u, na kennisname van het volledige medische dossier, de door uw collega Tilanus gestelde psychiatrische diagnoses in zijn rapportage uit 2010, in het bijzonder die van de “nagebootste stoornissen”? Zo neen. waarom niet?

Ad IX.

Neen. Zie onder Beschouwing en onder Ad I.

X. In hoeverre zijn de conclusies van de onafhankelijke partij-oogheelkundige expertise van maart 2012, relevant voor uw psychiatrische beoordeling van deze casus?

Ad X.

De conclusies van de onafhankelijke partij-oogheelkundige expertise van maart 2012 zijn in zoverre relevant voor mijn psychiatrische beoordeling dat er nog eens, geheel in de lijn van de eerdere oogheelkundige onderzoeken, wordt geconstateerd dat er oogheelkundig geen afwijkingen zijn te vinden. Het oordeel van collega Beers is, dat er sprake is van een verwerkingsproblematiek op een hoger niveau in de hersenen. Vanuit biopsychosociaal model kan de door collega Beers aangegeven verwerkingsproblematiek in de hogere hersenen identiek zijn met het hebben van een psychiatrische conversiestoornis. In deze volg ik de huidige inzichten waarin een strikte scheiding tussen geest en lichaam niet opgaat, noch gewenst is en met name in het geval van de somatoforme stoornissen niet opportuun is. (Zie ook het Leerboek Psychiatrie, zoals genoemd, blz. 378.)

(…)”

2.11. [verzoeker] is op 4 juni 2012 door Allianz gedagvaard voor deze rechtbank. Allianz vordert in die bodemprocedure (zaak-/rolnummer 325506 / HA ZA 12-843) onder meer een verklaring van recht dat de aansprakelijkheid voor het ongeval beperkt is tot een vergoedingsverplichting van 60%.

3. Het deelgeschil

3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank:

I. te bepalen dat de bevindingen en conclusies als neergelegd in het psychiatrisch (eind)rapport van Tilanus niet als uitgangspunten voor de verdere afwikkeling van de letselschadeclaim van [verzoeker] kunnen dienen, nu in strijd met de vigerende Richtlijnen van de beroepsgroep verzuimd is om in dit rapport de volledige oogheelkundige informatie uit het UMC Utrecht samen te vatten én separaat daarin over te leggen, nadat op expliciet verzoek van Tilanus zelf een viertal brieven door het UMC Utrecht aan hem zijn toegezonden op respectievelijk 17 december 2009, 16 maart 2009, 22 maart 2010 en 25 mei 2010;

II. te bepalen dat de conclusies en bevindingen als neergelegd in de psychiatrische rapportage van professor Van Marle, ook gelet op de volledigheid van de differentiaal diagnose en de afweging en inhoudelijke motivering daarvan, als uitgangspunt heeft te dienen voor de beoordeling van de ongevalsgevolgen voor [verzoeker], voor zover op psychiatrisch vakgebied gelegen;

III. te bepalen dat Allianz voor 80% aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden en nog zal lijden door het ongeval van 13 maart 2004, aangezien [verzoeker] volgens de automobilist de heer [getuige 1], die aan [verzoeker] voorrang gaf, gedacht kan hebben dat hem voorrang gegeven werd en hij daarom versnelde teneinde deze getuige de heer [getuige 1] niet onnodig te laten wachten, dan wel enig of geen percentage eigen schuld ten laste van [verzoeker], dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, met als maximum het door Allianz aangeboden percentage eigen schuld van 40%;

IV. Allianz te veroordelen de buitengerechtelijke kosten, tot heden in totaal begroot op een bedrag van € 23.651,69, te vergoeden.

3.2. Aan dit verzoek legt [verzoeker] het volgende ten grondslag. [verzoeker] is het niet eens met de door Tilanus gestelde diagnose nagebootste stoornis. Volgens [verzoeker] is Tilanus buiten zijn vakgebied getreden door op neurologisch gebied te treden en daarbij geheel voorbij te gaan aan hetgeen neuroloog Bernsen heeft gerapporteerd. De door de neuroloog geconstateerde beschadigde hersenenzenuwen zijn niet na te bootsen. Dit geldt ook voor de neuropsychologische afwijkingen, de visusklachten en slaapstoornissen.

Daarnaast heeft Tilanus medische informatie opgevraagd. De dienaangaande door hem ontvangen brieven van het UMC Utrecht van 16 maart 2009, 17 december 2009, 22 maart 2010 en 25 mei 2010 heeft Tilanus echter niet genoemd en/of bijgevoegd in zijn conceptrapportage en evenmin in zijn definitieve rapportage, dit terwijl alle brieven dateren van vóór de datum van het definitieve rapport. Het achterhouden van deze specifieke zeer relevante oogheelkundige informatie door Tilanus is een ernstige formele tekortkoming, zodat het rapport volgens [verzoeker] niet tot uitgangspunt kan dienen voor de verdere schadeafwikkeling. In plaats daarvan dient het rapport van Van Marle in het verdere schadetraject leidend te zijn.

Met betrekking tot de omvang van de aansprakelijkheid en de mate van eigen schuld is [verzoeker] van mening dat het percentage van 50%, dat op grond van de 50%-regel sowieso dient te worden vergoed, ingevolge de billijkheidscorrectie verhoogd moet worden naar 80%. [verzoeker] wijst daartoe onder andere op de omstandigheid dat de buschauffeur heeft verklaard dat hij bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse en dus bekend mag worden verondersteld met de mogelijkheid dat er fietsers van links komen, waarop hij dan ook diende te anticiperen. De buschauffeur heeft onvoldoende om zich heen gekeken bij het naderen van de kruising terwijl gegeven zijn specifieke bekendheid met juist deze kruising anders van hem mocht worden verwacht. Ook in verband met de ernst en de diversiteit van het door [verzoeker] opgelopen letsel is het billijk het percentage waarvoor Allianz aansprakelijk kan worden gehouden te verhogen.

3.3. Allianz voert gemotiveerd verweer.

3.4. De rechtbank zal hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan op de standpunten van partijen.

4. De beoordeling

4.1. [verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren.

4.2. De deelgeschilprocedure kan worden gevoerd over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen partijen rechtens geldt ter zake van aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel in gevallen dat de beëindiging van dat geschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou zijn ingesteld indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. Een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv kan, gezien het bepaalde in artikel 1019x Rv, ook aan de rechter worden gedaan terwijl tussen partijen (reeds) een bodemzaak aanhangig is.

Hetgeen partijen (in deze procedure) verdeeld houdt, betreft - kort gezegd - de vraag of het expertiserapport van psychiater Tilanus dan wel het rapport van Van Marle als uitgangspunt dient te gelden voor het afwikkelen van de schade van [verzoeker], alsmede de vraag naar de omvang van aansprakelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat beide vragen in beginsel binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv vallen. Met een oordeel over de door [verzoeker] voorgelegde verzoeken kán de ontstane impasse tussen partijen in beginsel worden doorbroken en zouden de onderhandelingen in principe kunnen worden voortgezet.

4.3. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het eerste verzoek het volgende voorop. Vast staat dat partijen in gezamenlijk overleg hebben besloten tot inschakeling van Tilanus, teneinde Tilanus te laten rapporteren over - kort gezegd - het psychiatrisch letsel van [verzoeker]. Over de vraagstelling waren partijen het kennelijk eens; ook de deskundigheid van Tilanus staat niet ter discussie. Indien partijen in het kader van een onderzoek naar de schadeafwikkeling overeenkomen om gezamenlijk een medisch deskundige aan te zoeken die gezamenlijk geformuleerde vragen dient te beantwoorden, verbinden zij zich daarmee om de rapportage van de ingeschakelde deskundige in beginsel als uitgangspunt voor de verdere behandeling van hun zaak te nemen. Dit zou anders kunnen zijn indien de rapportage ontoereikend is voor de schadeafwikkeling en/of inhoudelijk of voor wat betreft de wijze van totstandkoming niet voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs gesteld mogen worden.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. Naar de rechtbank begrijpt, is het bezwaar van [verzoeker] tweeledig: enerzijds zou Tilanus buiten zijn vakgebied zijn getreden en anderzijds heeft Tilanus een viertal brieven niet in zijn rapport betrokken. Aan het standpunt dat Tilanus buiten zijn vakgebied is getreden door op neurologisch gebied te treden en daarbij voorbij te gaan aan hetgeen neuroloog Bernsen heeft gerapporteerd, gaat de rechtbank voorbij. Deze enkele stelling, een nadere toelichting daarop ontbreekt namelijk, kan op zichzelf niet zonder meer leiden tot de conclusie dat het rapport terzijde moet worden gesteld. Voor wat betreft het tweede bezwaar overweegt de rechtbank als volgt. Ook het enkele feit dat een viertal brieven met medische informatie niet (expliciet) in de rapportage zijn betrokken maakt op zichzelf genomen niet dat het rapport niet voldoet aan de daaraan redelijkerwijs te stellen eisen. Dit kan anders zijn indien komt vast te staan dat, gezien de inhoud van die brieven, de deskundige in redelijkheid niet tot zijn oordeel had kunnen komen. Op basis van de rapportage van Van Marle, meer in het bijzonder zijn antwoorden op de aan hem door [verzoeker] voorgelegde vragen VII. en VIII., is de rechtbank van oordeel dat daarvan evenmin sprake is. Van Marle geeft immers aan dat meergenoemde brieven uit de oogheelkundige behandelende sector niet van belang zijn voor het uitgevoerde psychiatrisch onderzoek door Tilanus en voor de bijbehorende vraagstelling. Van Marle legt dit uit met de stelling dat het in die brieven met name gaat om de orthoptistische gegevens en conclusies welke geen directe relevantie hebben voor het gehele psychiatrische toestandbeeld. Volgens Van Marle hebben de in die brieven vervatte medische gegevens dus geen directe consequenties voor de conclusies die Tilanus heeft geformuleerd. De rechtbank zal het eerste verzoek van [verzoeker] derhalve afwijzen.

4.5. Daarmee komt de rechtbank toe aan het tweede verzoek van [verzoeker]. De gronden waarop de rechtbank het eerste verzoek van [verzoeker] heeft afgewezen impliceren dat het verzoek om te bepalen dat de psychiatrische rapportage van Van Marle, zoals overgelegd als productie 14, als uitgangspunt moet dienen voor de schadeafwikkeling niet kan worden toegewezen, nog los van de omstandigheid dat de psychiatrische rapportage van Van Marle enkel is opgesteld in opdracht van [verzoeker] en Van Marle derhalve als partijdeskundige dient te worden aangemerkt.

4.6. Het derde verzoek van [verzoeker] ziet op de omvang van aansprakelijkheid. De vraag die daarbij beantwoording behoeft, is in hoeverre Allianz gehouden is de geleden en nog te lijden schade van [verzoeker] te vergoeden en in hoeverre de schade op grond van eigen schuld voor rekening van [verzoeker] moet blijven.

4.7. Anders dan Allianz is de rechtbank van oordeel dat in het kader van deze deelgeschilprocedure in beginsel een beslissing kan worden genomen omtrent de omvang van de aansprakelijkheid en de mate van eigen schuld en dat de rechtbank daarbij in dit geval geen terughoudendheid behoeft te betrachten. Partijen verschillen immers niet van mening over de toedracht van het onderhavige verkeersongeval, zodat het aannemelijk is dat de bodemrechter in principe op basis van dezelfde feiten en omstandigheden omtrent de toedracht zal (moeten) beslissen aan de hand van hetzelfde beoordelingskader. De uitkomst van die beslissing zal dan ook niet (wezenlijk) anders zijn dan de onderhavige beslissing van de deelgeschilrechter. De rechtbank ziet derhalve in de omstandigheid dat een bodemprocedure aanhangig is en de mogelijkheid tot in het instellen van hoger beroep van een deelgeschilbeschikking “ingewikkeld” is, zoals Allianz aanvoert, op grond van het voorgaande geen reden om op dit derde verzoek niet te beslissen. In het kader van de bodemprocedure zal de beslissing die in deze deelgeschilprocedure over de omvang van aansprakelijkheid en de mate van eigen schuld wordt genomen gelden als een bindende eindbeslissing in een tussenvonnis. Partijen zijn daaraan derhalve op gelijke wijze gebonden als wanneer de rechtbank deze beslissing in een tussenvonnis zou hebben vervat.

4.8. De rechtbank stelt vervolgens voorop dat bij het bepalen van de omvang van de schadevergoedingsplicht van Allianz en daarmee samenhangend de mate waarin sprake is van eigen schuld van [verzoeker] als uitgangspunt geldt dat de schade over [verzoeker] en Allianz moet worden verdeeld naar evenredigheid met de mate waarin de aan ieder van hen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Allianz heeft in dat kader gesteld dat het ongeval is ontstaan doordat [verzoeker] een voorrangsfout maakte. De rechtbank oordeelt daaromtrent als volgt.

4.9. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] bij het oversteken van de kruising geen voorrang heeft verleend aan de verzekerde van Allianz, de chauffeur van de stadsbus (hierna ook: de buschauffeur), hoewel hij daartoe wel verplicht was. Het ongeval is om die reden mede een gevolg van deze aan [verzoeker] toe te rekenen verkeersfout: indien [verzoeker] voorrang had verleend aan de stadsbus had de aanrijding immers niet plaatsgevonden.

4.10. Met betrekking tot het verkeersgedrag van de verzekerde van Allianz overweegt de rechtbank als volgt. [verzoeker] stelt dat de buschauffeur bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse en derhalve bekend verondersteld moet worden met de mogelijkheid dat er fietsers van links komen en daarop dan ook diende te anticiperen bij het naderen van de kruising. Volgens [verzoeker] heeft de buschauffeur niet tijdig en onvoldoende zijn blikveld over de gehele kruising laten gaan, terwijl hij daarmee een aanvang kon nemen circa 60 meter voor de kruising. Tevens had de buschauffeur in dat kader zijn snelheid moeten aanpassen.

Op basis van de verklaring die de buschauffeur ten opzichte van de politie heeft afgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de buschauffeur inderdaad onvoldoende heeft geanticipeerd op verkeersfouten van andere verkeersdeelnemers bij het naderen van de kruising. De buschauffeur verklaart immers dat hij weet dat het een nare kruising is waar fietsers vaak oversteken zonder goed opzij te kijken. Ondanks dat de buschauffeur heeft waargenomen dat [verzoeker] hard en snel kwam aanfietsen terwijl hij de kruising naderde, is de buschauffeur ervan uitgegaan dat [verzoeker] zou stoppen. De rechtbank is van oordeel dat op basis van zijn ervaring met deze kruising van de buschauffeur verwacht mocht worden dat hij rekening hield met de mogelijkheid dat [verzoeker] niet zou stoppen. Uit de omstandigheid dat de buschauffeur [verzoeker] eerst opmerkte toen hij de oversteekplaats al tot op vier of vijf meter genaderd was terwijl hij volgens zijn eigen verklaring op dat moment (nog) 45 km per uur reed, leidt de rechtbank af dat er sprake is van onvoldoende anticipatie. Omdat de buschauffeur bij het naderen van de kruising rekening had moeten houden met de mogelijkheid van fietsers die geen voorrang verlenen, geldt niet dat hem van het ongeval rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Echter, de mate waarin het rijgedrag van de buschauffeur aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen moet beperkt worden geacht.

4.11. Nu, zoals hiervoor is overwogen, vaststaat dat een aan [verzoeker] toe te rekenen gedraging, te weten ten onrechte geen voorrang verlenen aan de stadsbus, heeft bijgedragen aan het ontstaan van schade, dient op grond van artikel 6:101 BW in beginsel een deel van de schade van [verzoeker] voor zijn eigen rekening te blijven. Een verdeling van de schade op basis van de mate waarin de gedragingen van [verzoeker] enerzijds en de buschauffeur anderzijds hebben bijgedragen tot het ontstaan van het ongeval (het geen voorrang verlenen door [verzoeker] afgezet tegen het hiervoor omschreven verkeersgedrag van de buschauffeur) leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat de schadevergoedingsplicht van Allianz met 70% wordt verminderd. Dit betekent dat Allianz gehouden is 30% van de schade van [verzoeker] te vergoeden. Echter, bij een aanrijding als de onderhavige tussen een fietser en een motorrijtuig op de openbare weg, waarbij geen sprake is van overmacht aan de zijde van de bestuurder van het motorrijtuig, noch van opzet of daaraan grenzende roekeloosheid aan de zijde van de fietser, eist de billijkheid dat de eigenaar van het motorvoertuig tenminste 50% van de schade vergoedt, een en ander overeenkomstig de in de rechtspraak ontwikkelde 50%-regel. Ingevolge die regel bedraagt de aansprakelijkheid van Allianz in ieder geval 50%. Voor een schadevergoedingsverplichting hoger dan 50% zou - nu de causale verdeling tot een lagere schadevergoedingsplicht leidt (zie hiervoor) - slechts aanleiding bestaan indien de billijkheid dat in dit concrete geval zou vereisen, waarbij onder meer de uiteenlopende ernst en verwijtbaarheid van de door betrokkenen gemaakte fouten en de ernst van het opgelopen letsel een rol kunnen spelen. [verzoeker] is van mening dat het verkeersgedrag van de buschauffeur, de ernst en de diversiteit van de door hem opgelopen letsels reden zijn een nadere billijkheidscorrectie toe te passen waardoor de schadevergoedingsverplichting van 50% hoger, namelijk op 80%, uitkomt. Met Allianz is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval, gezien de ernst en verwijtbaarheid van het verkeersfout die [verzoeker] heeft gemaakt ten opzichte van het rijgedrag van de buschauffeur, in principe geen aanleiding bestaat voor een nadere billijkheidscorrectie. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat door toepassing van de geldende 50%-regel de schadevergoedingsverplichting van Allianz reeds met 20% is verhoogd ten opzichte van de op de wederzijdse causaliteit gebaseerde uitkomst. In de omstandigheid dat Allianz tijdens het buitengerechtelijke traject steeds bereid is geweest het vergoedingspercentage op 60% te stellen, dit ook tijdens de mondelinge behandeling heeft herhaald en in de bodemprocedure (onder meer) een verklaring van recht vordert dat haar vergoedingsverplichting 60% bedraagt, ziet de rechtbank evenwel aanleiding de omvang van de aansprakelijkheid toch hoger vaststellen, en wel op deze 60%. In zoverre zal de rechtbank het derde verzoek toewijzen.

4.12. Het vierde en laatste verzoek van [verzoeker] ziet op buitengerechtelijke kosten. Op basis van de overgelegde begroting daarvan constateert de rechtbank dat het verzoek betrekking heeft op kosten gemoeid met dit deelgeschil alsmede met twee partij-deskundigenrapportages.

De kosten gemoeid met de beide partij-deskundigenrapportages komen niet voor vergoeding in aanmerking. De eerste twee verzoeken heeft de rechtbank immers afgewezen, zodat van deze kosten niet geoordeeld kan worden dat deze in redelijkheid zijn gemaakt.

Met betrekking tot kosten van de onderhavige deelgeschilprocedure overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet kan worden toegewezen. Deze kosten dienen evenwel te voldoen aan de dubbele redelijkheidtoets; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. [verzoeker] maakt aanspraak op vergoeding van € 23.651,69 (inclusief BTW). Allianz betwist dat zij gehouden is de kosten gemoeid met dit deelgeschil te betalen. Volgens haar is het verzoekschrift reactief opgesteld, naar aanleiding van de dagvaarding. Verder vindt zij dat het nodeloos aanhangig is gemaakt en zo kansloos is dat er sprake is van misbruik van (proces)recht. De rechtbank ziet in het feit dat de dagvaarding van Allianz en het verzoekschrift van [verzoeker] van nagenoeg gelijke datum zijn en mogelijk reactief is opgesteld, wat daarvan verder ook zij, geen reden de kosten niet of op nihil te begroten. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv. Het staat een partij immers vrij een verzoekschrift in te dienen, ook indien (reeds) een bodemprocedure aanhangig is of wordt gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat beide partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben benadrukt steeds bereid te zijn en te blijven met elkaar een regeling te treffen, in welk (buitengerechtelijk) proces deze deelgeschilprocedure intervenieert. Allianz vindt het aantal aan de zaak bestede uren overdreven en voert daarbij aan dat zij aan deze zaak slechts een derde van deze uren heeft besteed. Hoewel de onderliggende psychiatrische problematiek, in het bijzonder de discussie over de vraag of er sprake is van een nagebootste stoornis dan wel conversiestoornis en wat het een of het ander betekent voor de beperkingen en in het verlengde daarvan de arbeidsmogelijkheden van [verzoeker] complex van aard is, zijn de aan de rechtbank voorgelegde verzoeken qua omvang en complexiteit daarvan beperkt. Het aan het deelgeschil bestede opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de rechtbank geenszins in overeenstemming. De met opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank worden begroot op de helft van het opgegeven bedrag van € 15.494,99, derhalve op € 7.747,50, een en ander te vermeerderen met het griffierecht van € 267,00. Allianz zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat Allianz voor 60% aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval van 13 maart 2004;

5.2. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.747,50, te vermeerderen met het griffierecht van € 267,00;

5.3. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2012.