Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7542

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
16.441434-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewapende overval op stomerij. DNA-match. 2 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.441434-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats]

thans uit andere hoofde gedetineerd te PI Nieuwegein

raadsvrouw mr. M.M. Helmers, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 september 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 25 oktober 2010 te Utrecht samen met een ander een stomerij heeft overvallen, waarbij geweld is gepleegd tegen de eigenaar, [slachtoffer], en een hoeveelheid geld is weggenomen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de getuigenverklaringen en het DNA-onderzoek. De uitkomst van het DNA-onderzoek schreeuwt om een verklaring en nu verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept moet dat meewegen aan het bewijs.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte vrij te spreken.

De verdediging voert aan dat het DNA-onderzoek niet als bewijs kan worden gebruikt, omdat niet verifieerbaar is of het spoor onder nummer AACO5375NL#01 volledig overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte. Dit geldt overigens ook voor de twee andere sporen.

De verdediging voert verder aan dat gezien de inhoud van het dossier dan niet kan worden voldaan aan het bewijsminimum. Het dossier bevat enkel een aangifte en getuigenverklaringen, maar deze verklaringen leveren geen direct bewijs ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte. Het feit dat verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept kan geen bewijsmiddel opleveren in deze zaak.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vaststelling van de feiten

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Op maandag 25 oktober 2010 was aangever [slachtoffer] aanwezig in zijn stomerij en kledingreparatiewinkel [X] te Utrecht toen er twee mannelijke personen binnen kwamen. Een van de twee mannen trok een mes en hief dat mes in de richting van aangever. Aangever greep daarop de hand van die man vast, waarna er een worsteling ontstond. De andere man pakte een schaar en viel daarmee aangever aan. Vervolgens pakte de man met de schaar een hoeveelheid geld - ongeveer 280 tot 300 Euro - uit de winkel, waarna beide personen de winkel verlieten.

Tijdens de worsteling tussen aangever en de twee mannen is een stuk van de jas van de man met het mes afgescheurd. Tevens zat er na de worsteling bloed op de blouse van aangever. Het stuk van de jas en de blouse van aangever zijn daarom veilig gesteld voor onderzoek. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft vervolgens op een manchet van de blouse van aangever meerdere bloedsporen aangetroffen, waarvan er twee zijn bemonsterd, te weten AACO5375NL#01 en AACO5375NL#02. Ook op het afgescheurde stuk jas is bloed aangetroffen dat is bemonsterd, te weten AACO05376NL#01. Het NFI heeft uit alle drie de bemonsteringen volledige DNA-profielen kunnen afleiden die met elkaar overeenkomen en heeft daarbij berekend dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met deze profielen, kleiner is dan 1 op een miljard. Onderzoek van het NFI heeft uiteindelijk uitgewezen dat DNA-profiel AACO5375NL#01 overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte. Dit geldt eveneens voor de DNA-profiel AACO5375NL#02 en het DNA (hoofd)profiel AACO05376NL#01. Kortom: uit alle sporen is een volledig DNA-profiel afgeleid dat volledig overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die samen met een ander de overval heeft gepleegd.

4.3.2 Nadere bewijsoverwegingen

Onderzoek NFI

De verdediging heeft aangevoerd dat niet verifieerbaar is dat spoor AACO5375NL#01 en daarmee ook de overige sporen volledig overeenkomen met het DNA-profiel van verdachte. De rechtbank volgt dit standpunt niet en verwijst daarbij naar de e-mail, met bijbehorende bijlagen, van T. de Blaeij van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 4 mei 2012.

Daderspoor

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aangetroffen bloedsporen onmiskenbaar afkomstig van één van de daders. Uit de verklaring van aangever blijkt immers dat er een worsteling heeft plaatsgevonden tussen aangever en de daders. Aangezien er in ieder geval een schaar en een mes in het spel waren is het aannemelijk dat een van de daders zich tijdens de worsteling heeft verwond. Het afgescheurde kledingstuk was ook afkomstig van één van de daders. Gezien de resultaten van het DNA-onderzoek stelt de rechtbank vast dat het achtergelaten celmateriaal van verdachte afkomstig is en verdachte één van de daders moet zijn geweest.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 25 oktober 2010 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (ongeveer 280 à 300 Euro) toebehorende aan [slachtoffer] en/of "Kledingreparatie/stomerij [X]", welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader die [slachtoffer] een mes hebben getoond en dat mes hebben gericht en gericht gehouden op die [slachtoffer] en die [slachtoffer] een schaar getoond en met die schaar stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, voorafgaand en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij de eventuele strafoplegging rekening dient te worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en met zijn jeugdige leeftijd. De verdediging heeft voorgesteld dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met een ander een overval gepleegd op een stomerij. Verdachte en zijn mededader zijn kort na sluitingstijd, vermomd met een bivakmuts, de stomerij ingegaan. Ze zijn vervolgens de eigenaar van de winkel, die er op dat moment nog was, te lijf gegaan met een mes en een schaar om op die manier de dagopbrengst van de stomerij te kunnen ontvreemden.

Het spreekt voor zich dat een dergelijke gewapende overval voor de eigenaar een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid die bij het slachtoffer in het bijzonder en bij de maatschappij in het algemeen door dergelijke feiten worden gewekt. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een gewapende overval nog lange tijd angstgevoelens kunnen ondervinden. Hiermee heeft de verdachte kennelijk geen enkele rekening gehouden. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om op deze manier, ten koste van een ander, snel aan geld te komen. Bovendien weigert verdachte rekenschap af te leggen van en verantwoording te nemen voor hetgeen hij heeft gedaan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 23 juli 2012, waaruit blijkt dat hij eerder met justitie in aanraking is geweest voor geweldsdelicten.

Voorts heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte op 20 april 2012 is veroordeeld tot 60 maanden gevangenisstraf in verband met overtreding van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan een misdrijf voor de hierboven genoemde datum gepleegd.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden geëist. De rechtbank acht, mede gelet op de zogenoemde Landelijke Oriëntatiepunten Voor Straftoemeting en gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar op zijn plaats bij een overval als onderhavige. De rechtbank weegt daarbij als strafvermeerderende factoren mee dat verdachte samen was met een mededader, dat zij gewapend waren met een mes en een schaar en dat zij bivakmutsen droegen. De rechtbank weegt daarentegen als strafverminderende factoren artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de jeugdige leeftijd van verdachte mee.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar passend en noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 63, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal, voorafgaand en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven- de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 september 2012.