Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7526

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
SBR 09-1932
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4069
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of verweerder na 1 januari 2012 kan volstaan met het indiceren van een Zorgzwaartepakket. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder, ook na wijziging van de regelgeving per 1 januari 2012, de additionele uren zorg bovenop een Zorgzwaartepakket moet indiceren. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij na 1 januari 2012 niet langer bevoegd is om nog additionele uren te indiceren als een Zorgzwaartepakket is aangewezen.

De Rb. stelt, gelet op de tekst van de regelgeving, vast dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd meer zorg dan is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde Zorgzwaartepakket uit te zonderen als vorm van zorg waarop de AWBZ aanspraak geeft. Het gewijzigde art. 2 van het Zorgindicatiebesluit strekt hiertoe, zo blijkt uit de door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hierbij gegeven toelichting (Stb. 2011, 665). Het betoog van eiser dat de Staatssecretaris niet bevoegd is een dergelijke wijziging te bewerkstelligen, omdat hiervoor een wijziging van de wet in formele zin, de AWBZ, en het Besluit zorgaanspraken AWBZ is vereist, volgt de Rb. niet en zij overweegt daartoe als volgt.

De CRvB heeft in zijn uitspraak van 26 oktober 2011 (LJN: BU3825) geoordeeld dat noch de tekst noch de toelichting op de artt. 6 van de AWBZ, 2 en 9 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ, 13 van het Zorgindicatiebesluit en 1a van de Regeling zorgaanspraken AWBZ – zoals deze luidden met ingang van 1 januari 2011 – aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat in het geval van een indicatie voor “verblijf” uitsluitend sprake kan zijn van een aanspraak op indicatie in de vorm van een Zorgzwaartepakket. De CRvB komt tot dit oordeel door een uitleg van tekst en toelichting van zowel bepalingen uit de AWBZ als bepalingen uit de daaronder hangende materiële wetgeving. Dat duidt er op dat een uitzondering als nu in geschil niet alleen in de AWBZ zelf kan zijn neergelegd, maar ook in de daaronder hangende materiële wetgeving.

Naar het oordeel van de Rb. biedt de wet- en regelgeving zoals die luidt per 1 januari 2012 die aanknopingspunten wel.

Art.6 van de AWBZ bepaalt dat verzekerden aanspraak hebben op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. Art.9a van de AWBZ bepaalt dat een onafhankelijk indicatieorgaan besluit of een inwoner is aangewezen op een bij algemene maatregel aangewezen vorm van zorg. Hiermee heeft de formele wetgever er dus voor gekozen om de bevoegdheid om de aanspraak op zorg te regelen neer te leggen bij een materiële wetgever, te weten de Kroon.

Op grond van artt. 6 en 9a van de AWBZ zijn twee algemene maatregelen van bestuur genomen, te weten het Besluit zorgaanspraken AWBZ en het Zorgindicatiebesluit. Hierin is uitgewerkt op welke vorm van zorg een verzekerde aanspraak kan maken. Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 28 oktober 2009 (LJN: BK4423) heeft de materiële wetgever met ingang van 1 januari 2011 de zorgaanspraak “verblijf” gewijzigd om duidelijker tot uitdrukking te brengen dat de aanspraak samen gaat met een pakket aan zorg en niet meer samen met de losse zorgfuncties persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling. In art. 2 van het Zorgindicatiebesluit heeft de materiële wetgever met ingang van 1 januari 2012 onder c. de zorg voor zover het meer zorg betreft dan is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde zwaartepakket, uitgezonderd.

De Rb. kan dan ook niet anders dan concluderen dat de meerzorg dan die is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde Zorgzwaartepakket per 1 januari 2012 niet langer een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vorm van zorg is als bedoeld in art. 9a van de AWBZ. Het indicatieorgaan kan deze vorm van zorg dan ook niet meer indiceren.

Dat art. 6, lid 1 van de AWBZ, in verbinding met art. 2, lid 3 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ volgens de CRvB in voornoemde uitspraak van 26 oktober 2011 meebrengt dat de objectieve zorgbehoefte van een verzekerde dient te worden vastgesteld, kan er naar het oordeel van de Rb. niet toe leiden dat het indicatieorgaan onder het regime van de huidige wetgeving een indicatie kan afgeven voor vormen van zorg die door de materiële wetgever uitdrukkelijk zijn uitgezonderd. Dat dit kan betekenen dat verzekerden niet volledig wordt tegemoet gekomen in hun objectieve zorgbehoefte – hetgeen tussen partijen overigens niet in geschil is – is een gevolg dat de wetgever kennelijk heeft beoogd. Uit het voorgaande volgt dat de materiële wetgever deze keuze kon en mocht maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/1932

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),

en

de Raad van bestuur van het Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder

(gemachtigden: mr. J.E. Heuvelman-Koedood en J. Henneveld).

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2008 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser geïndiceerd voor ondersteunende begeleiding klasse 8, persoonlijke verzorging klasse 8, verpleging klasse 7 en additionele uren voor deze functies voor de periode van 25 september 2008 tot 12 november 2008 en voor Zorgzwaartepakket LG07 voor de periode 13 november 2008 tot 13 november 2013.

Bij besluit van 4 juni 2009 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en eiser in afwijking van het primaire besluit geïndiceerd voor Zorgzwaartepakket VV08 in plaats van Zorgzwaartepakket LG07 voor de periode van 13 november 2008 tot 13 november 2013.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 mei 2011 (bestreden besluit II) heeft verweerder eiser voor de periode van 25 september 2008 tot en met 31 december 2010 geïndiceerd in functies en klassen en voor de periode van 1 januari 2011 tot 13 november 2012 voor Zorgzwaartepakket VV08.

Bij besluit van 25 november 2011 (bestreden besluit III) heeft verweerder eiser voor de periode van 25 september 2008 tot en met 31 december 2010 geïndiceerd in functies en klassen en voor de periode van 1 januari 2011 tot 13 november 2013 voor Zorgzwaartepakket VV08 met additioneel 35 uur persoonlijke verzorging.

Bij besluit van 30 november 2011 (bestreden besluit IV) heeft verweerder eiser voor de periode van 25 september 2008 tot en met 31 december 2010 geïndiceerd in functies en klassen en voor de periode van 1 januari 2011 tot 13 november 2013 voor Zorgzwaartepakket VV08 met additioneel 38 uur persoonlijke verzorging.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken SBR 09/2255 en 09/2334, plaatsgevonden op 2 december 2011. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Heuvelman-Koedood en mr. R. Raaijmakers.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Met partijen zijn afspraken gemaakt over de verdere behandeling van het beroep. De rechtbank heeft partijen tot 1 februari 2012 de gelegenheid gegeven om tot een overeenstemming te komen. In dat kader is afgesproken dat eiser zo nodig voor de vaststelling van de zorgbehoefte een contra-expertise zal laten verrichten en dat, indien partijen niet tot een overeenstemming kunnen komen, de behandeling van de beroepen op de zitting van 17 april 2012 zal worden voortgezet.

Bij brief van 2 februari 2012 heeft eiser bericht dat zij niet tot een onderlinge overeenstemming zijn gekomen. Eiser heeft voor de vaststelling van zijn zorgbehoefte een adviesrapport van Welpart B.V. overgelegd.

Bij besluit van 21 februari 2012 (bestreden besluit V) heeft verweerder eiser voor de periode van 25 september 2008 tot en met 31 december 2010 geïndiceerd in functies en klassen, voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 voor Zorgzwaartepakket VV08 met additioneel 38 uur persoonlijke verzorging en voor de periode van 1 januari 2012 tot 13 november 2012 voor Zorgzwaartepakket VV08.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 21 juni 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken met nummers SBR 09/2255, 09/2334 en 11/2049. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zijn echtgenote, [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank besloten de gevoegde zaken te splitsen en in de onderhavige zaak heden afzonderlijk uitspraak te doen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen de bestreden besluiten II, III IV en V. Vanwege het bestreden besluit V heeft eiser niet langer een belang bij een beoordeling van het beroep voor zover dat is gericht tegen de bestreden besluiten I, II, III en IV. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat het geschil tussen partijen zich toespitst op de vraag of verweerder na 1 januari 2012 kan volstaan met het indiceren van een Zorgzwaartepakket. Het feitelijk belang bij een beoordeling van de door verweerder afgegeven indicatie over de jaren tot 2012 is komen te ontvallen, omdat de benodigde zorg aan eiser is verleend en er geen openstaande rekeningen zijn van zorgaanbieders.

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder, ook na wijziging van de regelgeving per 1 januari 2012, de additionele uren zorg bovenop een Zorgzwaartepakket moet indiceren. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij na 1 januari 2012 niet langer bevoegd is om nog additionele uren te indiceren als een Zorgzwaartepakket is aangewezen.

4. De relevante wet- en regelgeving luidt met ingang van1 januari 2012 als volgt.

Artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ):

1. De verzekerden hebben aanspraak op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Tot deze zorg behoren voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid of strekkende tot verbetering van levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat, geregeld, en kunnen voor het tot gelding brengen van de aanspraken voorwaarden worden gesteld. (…)

Artikel 9a van de AWBZ.:

1. Burgemeester en wethouders voorzien erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

Artikel 9b van de AWBZ:

1. Aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, bestaat slechts indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen. (…).

Artikel 2 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ:

1. De verzekerde heeft, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, aanspraak op:

a. persoonlijke verzorging als omschreven in artikel 4;

b. verpleging als omschreven in artikel 5;

c. begeleiding als omschreven in artikel 6;

d. behandeling als omschreven in artikel 8;

e. verblijf als omschreven in artikel 9;

f. kortdurend verblijf als omschreven in artikel 9a;

g. vervoer als omschreven in artikel 10; (…)

3. De aanspraak op zorg bestaat slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

4. Bij ministeriële regeling kan de aanspraak op de zorg, bedoeld in het eerste lid, nader worden geregeld en afhankelijk worden gesteld van daarbij te stellen voorwaarden.

Artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ:

1. Verblijf omvat verblijf in een instelling met samenhangende zorg bestaande uit persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding of behandeling, voor een verzekerde met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, indien die verzekerde aangewezen is op een beschermende woonomgeving, een therapeutisch leefklimaat of permanent toezicht. (…)

Artikel 1 van het Zorgindicatiebesluit:

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…)

b. indicatieorgaan: een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ;

d. indicatiebesluit: het besluit van een indicatieorgaan waarbij beoordeeld wordt of en in welke omvang een zorgvrager in aanmerking komt voor een of meer vormen van zorg als bedoeld in artikel 2;

e. het besluit: het Besluit zorgaanspraken AWBZ;

f. cliëntprofiel: een profiel van zorgvragers met een vergelijkbare zorgbehoefte en beperkingen op dezelfde terreinen, bij wie de verzorgings-, verplegings-, begeleidings- of behandelingsdoelen naar aard en inhoud overeenkomen en die op verblijf als bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, of artikel 13, tweede lid, van het besluit zijn aangewezen;

h. zorgzwaarte pakket: naar aard, inhoud en omvang bij een cliëntprofiel passende, samenhangende zorg als omschreven op grond van het besluit.

Artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit:

Als vormen van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ worden aangewezen de vormen van zorg, bedoeld in de artikelen 4 tot en met 6, 8, 9, eerste en tweede lid, 9a, 10, 13, tweede lid, en 34 van het besluit, met uitzondering van: (…)

c. de zorg, bedoeld in artikel 9 of 13, tweede lid, van het besluit, voor zover het meer zorg betreft dan is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde zwaartepakket.

Artikel 13 van het Zorgindicatiebesluit:

1. Indien een zorgvrager is aangewezen op een vorm van zorg of vormen van zorg als bedoeld in artikel 2, worden in het indicatiebesluit aangegeven:

a. de vorm van zorg of vormen van zorg waarop de zorgvrager is aangewezen,

b. de aandoening, beperking of handicap als gevolg waarvan de zorgvrager op de vorm van zorg of vormen van zorg is aangewezen, en

c. de hoeveelheid zorg in tijd per zorgvorm.

2. In afwijking van het eerste lid worden indien een zorgvrager is aangewezen op verblijf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, of voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het besluit in het indicatiebesluit aangegeven:

a. het verblijf of voortgezet verblijf met de daarbij behorende samenhangende zorg waarop de zorgvrager is aangewezen,

b. de aandoening, beperking of handicap als gevolg waarvan de zorgvrager op het verblijf of voortgezet verblijf met de daarbij behorende samenhangende zorg is aangewezen,

c. het bij de zorgvrager best passende cliëntprofiel, en

d. het daarbij behorende zorgzwaartepakket.

3. In het indicatiebesluit wordt aangegeven met ingang van welke datum de zorgvrager op de geïndiceerde vorm van zorg of vormen van zorg is aangewezen.

4. Indien een indicatieorgaan van mening is dat andere professionele zorg dan de zorg, bedoeld in artikel 2, noodzakelijk, dan wel mede noodzakelijk is, geeft het indicatieorgaan daarover zo mogelijk advies.

Artikel 1 van de Regeling zorgaanspraken AWBZ:

In deze regeling wordt verstaan onder: (…)

e. cliëntprofiel: een profiel als omschreven in bijlage 2 van deze regeling, van zorgvragers met een vergelijkbare behoefte aan met verblijf samenhangende zorg en met vergelijkbare beperkingen op dezelfde terreinen, bij wie de verzorgings-, verplegings-, begeleidings- of behandelingsdoelen naar aard en inhoud overeenkomen;

f. zorgzwaartepakket: naar aard, inhoud en omvang bij een cliëntprofiel passende samenhangende zorg als omschreven in bijlage 2 van deze regeling.

Artikel 1a van de Regeling zorgaanspraken AWBZ:

1. De verzekerde die is aangewezen op verblijf als bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, van het Besluit of op voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het Besluit heeft aanspraak op zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket, behorend bij het cliëntprofiel waarin hij het best past.

2. De verzekerde heeft aanspraak op meer zorg dan waarop hij op grond van het eerste lid aanspraak heeft, voor zover naar het oordeel van de zorgverzekeraar meer zorg nodig is om te voorzien in zijn behoefte aan zorg en:

a. de verzekerde die is aangewezen op zorgzwaartepakket VG-5, VG-7, VG-8, LG-5, LG-7, ZG-3 auditief, ZG-5 visueel, LVG-4, LVG-5 of SGLVG een behoefte aan zorg heeft die minimaal 25% hoger is dan de in dat zorgzwaartepakket opgenomen zorg, (…).

5. De rechtbank stelt, gelet op de tekst van de regelgeving, vast dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd meer zorg dan is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde Zorgzwaartepakket uit te zonderen als vorm van zorg waarop de AWBZ aanspraak geeft. Het gewijzigde artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit strekt hiertoe, zo blijkt uit de door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hierbij gegeven toelichting (Stb. 2011, 665). Het betoog van eiser dat de Staatssecretaris niet bevoegd is een dergelijke wijziging te bewerkstelligen, omdat hiervoor een wijziging van de wet in formele zin, de AWBZ, en het Besluit zorgaanspraken AWBZ is vereist, volgt de rechtbank niet en zij overweegt daartoe als volgt.

6. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraak van 26 oktober 2011 (LJN: BU3825) geoordeeld dat noch de tekst noch de toelichting op de artikelen 6 van de AWBZ, 2 en 9 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ, 13 van het Zorgindicatiebesluit en 1a van de Regeling zorgaanspraken AWBZ – zoals deze luidden met ingang van 1 januari 2011 – aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat in het geval van een indicatie voor “verblijf” uitsluitend sprake kan zijn van een aanspraak op indicatie in de vorm van een Zorgzwaartepakket. De CRvB komt tot dit oordeel door een uitleg van tekst en toelichting van zowel bepalingen uit de AWBZ als bepalingen uit de daaronder hangende materiële wetgeving. Dat duidt er op dat een uitzondering als nu in geschil niet alleen in de AWBZ zelf kan zijn neergelegd, maar ook in de daaronder hangende materiële wetgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt de wet- en regelgeving zoals die luidt per 1 januari 2012 die aanknopingspunten wel.

7. Artikel 6 van de AWBZ bepaalt dat verzekerden aanspraak hebben op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. Artikel 9a van de AWBZ bepaalt dat een onafhankelijk indicatieorgaan besluit of een inwoner is aangewezen op een bij algemene maatregel aangewezen vorm van zorg. Hiermee heeft de formele wetgever er dus voor gekozen om de bevoegdheid om de aanspraak op zorg te regelen neer te leggen bij een materiële wetgever, te weten de Kroon.

Op grond van artikelen 6 en 9a van de AWBZ zijn twee algemene maatregelen van bestuur genomen, te weten het Besluit zorgaanspraken AWBZ en het Zorgindicatiebesluit. Hierin is uitgewerkt op welke vorm van zorg een verzekerde aanspraak kan maken. Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 28 oktober 2009 (LJN: BK4423) heeft de materiële wetgever met ingang van 1 januari 2011 de zorgaanspraak “verblijf” gewijzigd om duidelijker tot uitdrukking te brengen dat de aanspraak samen gaat met een pakket aan zorg en niet meer samen met de losse zorgfuncties persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling. In artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit heeft de materiële wetgever met ingang van 1 januari 2012 onder c. de zorg voor zover het meer zorg betreft dan is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde zwaartepakket, uitgezonderd.

De rechtbank kan dan ook niet anders dan concluderen dat de meerzorg dan die is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde Zorgzwaartepakket per 1 januari 2012 niet langer een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vorm van zorg is als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ. Het indicatieorgaan kan deze vorm van zorg dan ook niet meer indiceren.

8. Dat artikel 6, eerste lid, van de AWBZ, in verbinding met artikel 2, derde lid, van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ volgens de CRvB in voornoemde uitspraak van 26 oktober 2011 meebrengt dat de objectieve zorgbehoefte van een verzekerde dient te worden vastgesteld, kan er naar het oordeel van de rechtbank niet toe leiden dat het indicatieorgaan onder het regime van de huidige wetgeving een indicatie kan afgeven voor vormen van zorg die door de materiële wetgever uitdrukkelijk zijn uitgezonderd. Dat dit kan betekenen dat verzekerden niet volledig wordt tegemoet gekomen in hun objectieve zorgbehoefte – hetgeen tussen partijen overigens niet in geschil is – is een gevolg dat de wetgever kennelijk heeft beoogd. Uit het voorgaande volgt dat de materiële wetgever deze keuze kon en mocht maken.

9. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de Staatssecretaris voor een deel van de verzekerden heeft voorzien in vergoeding van zorgkosten die boven het Zorgzwaartepakket uitgaan. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van de bevoegdheid die hem is gegeven in artikel 2, vierde lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, door opneming van artikel 1a, tweede lid, van de Regeling zorgaanspraken AWBZ, waarin is geregeld dat de verzekerde onder bepaalde omstandigheden aanspraak heeft op meer zorg dan is opgenomen in het Zorgzwaartepakket, behorend bij het cliëntprofiel waarin hij het best past. Dat de Staatssecretaris ervoor heeft gekozen deze aanvullende aanspraak slechts te laten gelden voor de hoogste Zorgzwaartepakketten staat hem vrij, evenals de keuze om aan de zorgverzekeraar over te laten om vast te stellen of meer zorg nodig is. Dat de zorgverzekeraar zich hiermee op het indicatieterrein begeeft, zoals eiser heeft gesteld, is juist, maar naar het oordeel van de rechtbank verzet de hogere regelgeving zich hier niet tegen.

10. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser is geïndiceerd voor het best passende Zorgzwaartepakket. Ook de contra-expert is blijkens het door haar uitgebrachte advies van mening dat VV08 het best passende cliëntprofiel weergeeft. Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 4:84 van de Awb en zich op het standpunt gesteld dat verweerder toch een ander Zorgzwaartepakket had moeten indiceren, zodat eiser in aanmerking kan komen voor een toeslag extreme zorgzwaarte. De gevolgen zijn onevenredig in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, aldus eiser. Desgevraagd ter zitting heeft eiser verwezen naar de beleidsregels die zijn vastgesteld op grond van artikel 11 van het Zorgindicatiebesluit. De rechtbank stelt vast dat welk Zorgzwaartepakket het best passend is, niet is vastgelegd in deze beleidsregels, maar in de Regeling zorgaanspraken AWBZ. Ook de aanspraak op meer zorg dan is opgenomen in het Zorgzwaartepakket (de toeslag extreme zorgzwaarte), is vastgelegd in deze Regeling en niet in beleid. Reeds hierom kan het beroep op artikel 4:84 van de Awb niet slagen.

11. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder in strijd met het verbod van reformatio in peius heeft gehandeld door in het besluit op bezwaar de indicatie op te knippen in twee perioden. Verweerder had onder toepassing van de op het moment van het primaire besluit toepasselijke regelgeving een indicatie voor 5 jaar af moeten geven.

12. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Het verbod van reformatio in peius houdt in dat een burger door het instellen van bezwaar of beroep niet in een slechtere positie mag geraken dan wanneer hij geen rechtsmiddel had aangewend. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. In het primaire besluit was eiser geïndiceerd voor een Zorgzwaartepakket voor de periode van 13 november 2008 tot 13 november 2013. Na het instellen van bezwaar is eiser alsnog voor een deel van deze periode geïndiceerd in functies en klassen – hetgeen eiser juist wilde bereiken met het instellen van bezwaar – zodat niet gezegd kan worden dat eiser in een slechtere positie is komen te verkeren. Ook het instellen van beroep heeft eiser niet in een slechtere positie gebracht.

13. Eiser heeft daarnaast de vraag opgeworpen of verweerder in het bestreden besluit niet gehouden was voor de gehele indicatieperiode te beslissen naar de stand van de wetgeving zoals die gold ten tijde van het primaire besluit. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Op grond van artikel 7:11 van de Awb moet een bestuursorgaan bij de heroverweging in bezwaar in beginsel toetsen aan de wettelijke voorschriften zoals die op dat moment luiden. Bij zowel het Besluit van 2 november 2010, houdende wijziging van het Besluit zorgverzekering, het Besluit uitbreiding en beperking werkingssfeer WMG, het Besluit zorgaanspraken AWBZ, het Zorgindicatiebesluit, het Bijdragebesluit zorg, het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten en het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten in verband met diverse maatregelen 2011 (Stb. 2010, 764), als het Besluit van 21 december 2011, houdende wijziging van het Besluit zorgaanspraken AWBZ in verband met de afschaffing van de contracteerplicht voor intramurale zorg, alsmede wijziging van het Zorgindicatiebesluit in verband met beperking van de strekking van het indicatiebesluit (Stb. 2011, 665) is geen overgangsrecht bepaald. Deze besluiten zijn in werking getreden respectievelijk op 1 januari 2011 en 1 januari 2012. Verweerder was dan ook gehouden de besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van deze regelgeving. Nu het in deze zaak gaat om een aanspraak over een langere periode (meerdere jaren), leidt dat onvermijdelijk tot het opknippen van het besluit in verschillende perioden.

14. Eiser heeft voorts betoogd dat het verweerder niet vrij stond herhaaldelijk het besluit op bezwaar in te trekken en bij het nieuwe besluit de op dat moment geldende regelgeving toe te passen. De rechtbank overweegt hierover dat in het algemeen een bestuursorgaan de bevoegdheid heeft een eerder genomen besluit dat naar zijn opvatting onjuist moet worden geacht, alsnog in te trekken of te wijzigen. Daarbij moeten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. In het primaire besluit was eiser geïndiceerd voor een Zorgzwaartepakket voor de gehele periode van 13 november 2008 tot 13 november 2013. Hangende beroep heeft verweerder bij bestreden besluiten III en IV naast een Zorgzwaartepakket tot 12 november 2013 additionele uren zorg geïndiceerd. Bij bestreden besluit V heeft verweerder vervolgens de duur van de geïndiceerde additionele zorg beperkt tot 1 januari 2012. Dit betekent dat in het laatste besluit op bezwaar het aantal geïndiceerde zorguren in vergelijking tot de eerdere besluiten op bezwaar is verlaagd. Het rechtszekerheidsbeginsel staat er naar het oordeel van de rechtbank aan in de weg dat de verlaging van het aantal additionele uren voor de zorgfunctie persoonlijke verzorging met terugwerkende kracht wordt vastgesteld. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de CRvB van 27 april 2011, LJN: BQ5018. Dat, naar verweerder heeft gesteld, voor 2012 een budgetgarantie is afgegeven op grond waarvan terugvordering van reeds betaalde bedragen aan persoonsgebonden budget door het zorgkantoor niet aan de orde is, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Voldoende is dat bij een verlaging van het aantal zorguren een dergelijk effect kan optreden en niet of de verlaging ook feitelijk tot terugvordering heeft geleid. Dit betekent dat verweerder de verlaging van de additionele zorguren niet met ingang van 1 januari 2012, maar pas op zijn vroegst met ingang van 21 februari 2012, de datum van bestreden besluit V, kan vaststellen. Het bestreden besluit V is voor zover het de ingangsdatum van de verlaging van de geïndiceerde additionele zorguren betreft dan ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en moet in zoverre worden vernietigd. De beroepsgrond slaagt.

15. Partijen houdt nog verdeeld of de omvang van de indicatie voor de additionele zorguren juist is vastgesteld. Gelet op hetgeen hierover onder rechtsoverwegingen 2 en 14 is vastgesteld, beperkt dit geschil zich tot de periode van 1 januari 2012 tot 21 februari 2012. Verweerder heeft de additionele zorg voor eiser berekend op 38 uren voor de functie persoonlijke verzorging. Eiser heeft berekend dat hij gelet op zijn zorgbehoefte aanzienlijk meer uren additionele zorg nodig heeft. Eiser heeft daarvoor verwezen naar de adviesrapporten van 31 januari 2012 en 18 juni 2012 van Welpart B.V. De rechtbank overweegt dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit over de omvang van de indicatie van de additionele zorg na 1 januari 2012, de adviesrapporten van Welpart, die zijn aan te merken als contra-expertise, en de overige ingebrachte medische informatie, zal moeten betrekken. In het bijzonder zal verweerder moeten bezien of de rapporten van Welpart aanleiding geven de omvang van de geïndiceerde additionele zorguren te heroverwegen.

16. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten het College voor zorgverzekeringen (Cvz) op grond van artikel 58, derde lid, van de AWBZ advies te vragen alvorens een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank stelt vast dat verweerder het Cvz om advies heeft gevraagd alvorens het bestreden besluit I te nemen. Het Cvz heeft bij brief van 2 juni 2009 advies uitgebracht. In dit advies heeft het Cvz geadviseerd om niet lichamelijke handicap als grondslag te kiezen, maar een somatische aandoening of beperking. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de grondslag in het bestreden besluit I gewijzigd in somatische aandoening of beperking. Deze grondslag heeft verweerder gehandhaafd in de bestreden besluiten II, III, IV en V. Derhalve is geen sprake van een situatie waarin verweerder op de aanvraag heeft beslist op een grond waarover het Cvz zich niet heeft kunnen uitlaten. Gelet hierop was verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden om het Cvz opnieuw om advies te vragen.

17. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en verwezen naar de zaken van [X], [Y] en [Z]. In deze zaken heeft verweerder na 1 januari 2012 herziene beschikkingen op bezwaar genomen en daarbij ook over 2012 additionele uren geïndiceerd, aldus eiser. Om die reden had verweerder ook in de zaak van eiser over 2012 additionele uren moeten indiceren. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat eiser de besluiten waarnaar hij heeft verwezen in het kader van het gelijkheidsbeginsel, niet heeft overgelegd. Derhalve kan niet worden vastgesteld over welke periode in 2012 additionele uren zijn geïndiceerd en wat de reden daarvan is. Hierover heeft eiser ook geen (gemotiveerder) stellingen ingenomen. Voor het slagen van een beroep op het gelijkheidsbeginsel is wel nodig dat vorenbedoelde aspecten duidelijk worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd niet kan slagen.

18. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Verweerder heeft gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn niet volledig voor zijn rekening komt.

19. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de zaak en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

20. De CRvB heeft bij deze beoordeling gekozen voor een benadering met in beginsel gefixeerde termijnen. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 december 2010, LJN: BP0852, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij de verschillende instanties in beginsel binnen de volgende termijnen zouden moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in rechtsoverweging 19 vermelde criteria uit de jurisprudentie van het EHRM kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze termijnen gerechtvaardigd te achten. De CRvB heeft voorts geoordeeld dat in een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, de rechtbank daarover een oordeel dient te geven, uitgaande van de hiervoor vermelde termijnen voor bezwaar en beroep. Dit betekent dat de nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep in beginsel twee jaar bedraagt.

21. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de behandelingsduur in de bestuurlijke fase en de rechterlijke fase in beroep meer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar is aangevangen met de ontvangst door verweerder van het bezwaarschrift op 14 november 2008 en geëindigd met de beslissing op bezwaar van 4 juni 2009 en heeft mitsdien bijna zeven maanden geduurd. Dit betekent dat, gelet op de in rechtsoverweging 20 vermelde termijnen per instantie, de redelijke termijn in de bestuurlijke fase met drie weken is overschreden. Omstandigheden die in dit geval overschrijding van deze termijn rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank acht, conform de rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2009, LJN: BH1009), in het algemeen een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, gepast. Dit betekent voor het onderhavige geval dat de schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase wordt vastgesteld op € 500,-. Dit bedrag dient, met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb, door verweerder aan eiser te worden voldaan.

22. Vanaf de ontvangst door de rechtbank van het inleidend beroepschrift op 15 juli 2009 tot de uitspraak van heden is meer dan anderhalf jaar verstreken, ook indien – zoals in overleg met partijen is afgesproken – de periode van 2 december 2011 tot aan 17 april 2012, de datum van de eerdere geplande vervolgzitting, niet wordt meegeteld bij de berekening van de redelijke termijn. De rechtbank verbindt hieraan het vermoeden dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb zal daarom het onderzoek worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de omvang van de schadevergoeding in deze fase van de procedure. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de rechtbank daarbij de Staat der Nederlanden aan als partij in die procedure.

23. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 14 aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,- (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor het verschijnen op de eerste zitting en 1 punt voor het verschijnen op de tweede zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-).

24. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de kosten van € 2.293,13 (inclusief BTW) van de door haar ingeschakelde deskundige Welpart B.V. Ter bepaling of het inroepen van een deskundige redelijk was, kan in het algemeen als maatstaf worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van de inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording van een voor de uitkomst van het beroep mogelijk relevante vraag. Gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 15 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het inschakelen van een deskundige in de beroepsfase bij voorbaat niet redelijk is.

25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor het door de deskundige Welpart B.V uitgebrachte adviesrapporten van € 2.293,13 inclusief BTW. Wat betreft de hoogte van de vergoeding gaat de rechtbank uit van de op de overgelegde declaraties aangegeven urenbesteding, welke door Welpart B.V. is gesteld op 23,5 uur voor het opstellen van de rapporten en het bijwonen van de zitting. Deze uren zijn niet door verweerder betwist. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken, in samenhang bezien met het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht dat naar de Wet tarieven in strafzaken verwijst, worden deze kosten forfaitair vergoed tot een bedrag van € 81,23 per uur, zodat verweerder in totaal een bedrag van (€ 81,23 x 23,5 uur =) € 1.908,91 aan eiser moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de bestreden besluiten I, II, III en IV niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit V gegrond, voor zover het de ingangsdatum van de geïndiceerde additionele zorguren betreft;

- vernietigt het bestreden besluit V in zoverre;

- bepaalt dat verweerder in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 805,- te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de door eiser ingeschakelde deskundige tot een bedrag van € 1.908,91;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41, -, aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 500,-;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van eiser om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase, en merkt daarbij de Staat der Nederlanden aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, voorzitter, en mr. M.P. Glerum en mr. J. Schukking, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.