Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7429

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-08-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
16-655733-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor de vernieling van de ruiten van zijn huurwoning en voor bedreiging van personen met een misdrijf tegen het leven gericht. De bedreigde personen zijn hierbij niet nader geconcretiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655733-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1960] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd te Penitentiaire Inrichting Utrecht,

Huis van Bewaring locatie Nieuwegein

raadsman mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: ruiten van zijn huurwoning, toebehorend aan woningbouwvereniging [aangever 1], heeft vernield;

Feit 2: personen heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet verzet tegen een bewezenverklaring van feit 1. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hierbij heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte dergelijke uitlatingen vaker heeft gedaan, doch dat hij zijn woorden nooit in daden heeft omgezet.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd tijdens de terechtzitting van

6 augustus 2012;

- de aangifte van [aangever 1], namens woningbouwvereniging [aangever 1].

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de verklaring van verdachte zoals afgelegd ten overstaan van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], hoofdagent respectievelijk agent van politie Utrecht;

- de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris;

- de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3], hoofdagent van politie Utrecht.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte geuite bewoordingen onder de gegeven omstandigheden kunnen worden gekwalificeerd als een bedreiging in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht. De woorden "Wanneer ik geen hulp krijg, ga ik rare dingen doen, zoals in Alphen aan de Rijn" heeft verdachte ten overstaan van verbalisant [verbalisant 3] geuit terwijl hij vanaf zijn woning door deze verbalisant werd overgebracht naar het politiebureau. De woorden "Als ik morgen op vrije voeten sta, sta ik niet voor mijzelf in" en "Ik heb al zo vaak gezegd: ik ben als een bom, ik sta op ontploffen, eerst pak ik spullen daarna pak ik mensen" heeft hij ten overstaan van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geuit, toen zij hem hoorden over de vernieling die hij eerder die dag had aangericht. De verbalisanten zijn aan te merken als de bedreigde personen. Doordat verdachte zijn woorden in hun aanwezigheid heeft geuit, zijn zij op de hoogte geraakt van de bedreigingen. Op basis van het dossier kan weliswaar niet worden vastgesteld dat verdachte door genoemde bedreigingen ook angst bij de desbetreffende verbalisanten heeft teweeg gebracht. Voor een bewezenverklaring van artikel 285 Wetboek van Strafrecht is dat echter niet vereist. Van belang is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte daadwerkelijk uitvoering zou geven aan zijn woorden. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake was. Verdachte verkeerde op het moment van zijn bedreigingen in een agressieve toestand. Vlak daarvoor had hij zijn huis ‘kort en klein’ geslagen en niet denkbeeldig is dat hij nog verder in zijn gedrag was doorgeschoten indien op dat moment niet door anderen was ingegrepen. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische achtergrond van verdachte. Het psychiatrisch rapport dat naar aanleiding van de tenlastegelegde feiten over verdachte is opgemaakt vermeldt dat hij impulsief is en onvoldoende in staat om zijn agressie te beheersen. De justitiële documentatie van verdachte - waar de verbalisanten over konden beschikken- laat bovendien zien dat hij tot het plegen van ernstige strafbare feiten in staat is. Zo is hij in 2003 veroordeeld voor een poging tot moord.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 23 april 2012 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen, opzettelijk en wederrechtelijk twee ruiten van een woning gelegen aan de [adres], toebehorende aan woningbouwvereniging [aangever 1], heeft vernield door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die ruiten in te slaan;

2.

op tijdstippen in de periode van 23 april 2012 tot en met 24 april 2012 te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen en/of te Houten, personen heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend de woorden gesproken :"Wanneer ik geen hulp krijg, ga ik rare dingen doen, zoals in Alphen aan de Rijn" en "Als ik morgen op vrije voeten sta, sta ik niet voor mijzelf in" en "Ik heb al zo

vaak gezegd: Ik ben als een bom, ik sta op ontploffen, eerst pak ik spullen daarna pak ik mensen".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de stukken van het dossier bevindt zich een pro justitia rapport van psychiater drs. G.T. Gerssen, d.d. 20 juni 2012.

Genoemde deskundige komt op grond van zijn onderzoek met betrekking tot de verdachte tot de conclusie dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en een gebrekkige agressieregulatie. De ten laste gelegde vernieling heeft volgens de psychiater plaatsgevonden binnen de context van de geschetste psychiatrische problematiek als gevolg van verhoogde prikkelbaarheid, zich niet kunnen conformeren aan maatschappelijke normen en impulsiviteit. Psychiatrische behandeling heeft tot op heden nog niet tot een stabiele situatie geleid.

In geval van een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, heeft de psychiater als advies gegeven verdachte volledig toerekeningsvatbaar te verklaren. Gelet op de conclusie dat de ziekelijke stoornis van verdachte zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde in ieder geval mede heeft bepaald en dat het tenlastegelegde daaruit mede verklaard kan worden, gaat de rechtbank ervan uit verdachte toch in enige mate verminderd toerekeningsvatbaar is. Dat volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de omstandigheid dat de psychiater behandeling nodig acht om hem in een stabiele situatie te brengen. De rechtbank acht verdachte daarom ook in enige verminderde mate strafbaar voor zijn daden en zal daarmee rekening houden bij de strafoplegging.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 205 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Als bijzondere voorwaarden heeft de officier van justitie gevorderd op te leggen een meldingsgebod en een verplichte klinische behandeling in een zorginstelling, een en ander conform het advies van de reclassering d.d. 18 juli 2012.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Gelet op de hulpvraag van verdachte, kan de verdediging zich vinden in de strafeis van de officier van justitie.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan vernieling van de ruiten van zijn huurwoning. Verdachte heeft daarmee veel schade en overlast veroorzaakt. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het uiten van ernstige bedreigingen, terwijl hij door verbalisanten over de vernieling werd verhoord. Hij heeft woorden geuit die in de maatschappij grote onrust en angst teweeg kunnen brengen. Verdachte heeft hiermee buitensporig en ontoelaatbaar gedrag vertoond.

Verdachte is in het verleden vaker met politie en justitie in aanraking geweest. Zijn justitiële documentatie d.d. 25 juni 2012 laat zien dat hij diverse malen is veroordeeld voor vernielingen en geweldsmisdrijven, waaronder een poging tot moord in 2003. Sedertdien heeft hij weliswaar geen delictgedrag meer vertoond, maar heeft hij wel nog altijd te kampen gehad met agressie. Hij is zich er terdege van bewust dat hij op dat vlak een probleem heeft. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij sinds zijn vrijlating in 2005 probeert hulp te krijgen, maar dat zijn hulpvraag tot op heden onvoldoende is beantwoord.

De psychiater die over verdachte heeft gerapporteerd heeft geadviseerd verdachte klinisch te laten behandelen op een forensisch psychiatrische afdeling (FPA) voor zijn agressieproblematiek in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijk op te leggen straf. Het rapport van de reclassering d.d. 18 juli 2012 meldt dat een NIFP-IFZ indicatie is afgegeven voor een opname van verdachte in de FPA Roosenburg. De officier van justitie heeft ter terechtzitting een recenter bericht van de reclassering, inhoudende een plaatsingsmogelijkheid in de FPA Roosenburg op 7 augustus 2012, bevestigd. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven van deze plaatsingsmogelijkheid gebruik te willen maken. Om die reden heeft de rechtbank ter terechtzitting van 6 augustus de voorlopige hechtenis van verdachte bij afzonderlijke beschikking geschorst met ingang van 7 augustus 2012 vanaf het moment dat verdachte in het gebouw van de FPA Roosenburg te Den Dolder is aangekomen.

Als schorsingsvoorwaarde heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de verdachte zal meewerken aan een opname en klinische behandeling in de FPA Roosenburg te Den Dolder.

Om de continuering van de hulpverlening van verdachte te garanderen, zal de rechtbank thans een verplichte klinische behandeling in de FPA Roosenburg opleggen, als een bijzondere voorwaarde, het gedrag van de veroordeelde betreffende in de zin van artikel 14c, tweede lid en onder 5 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal deze bijzondere voorwaarde opleggen bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, die korter is dan de straf die door de officier van justitie is geëist. De ernst van de feiten, evenals het oordeel van de rechtbank dat de feiten in enige verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend, laten een voorwaardelijke straf van langere duur niet toe. Naast de behandelverplichting zal de rechtbank, conform het advies van de reclassering, een meldingsgebod opleggen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 136 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte meewerkt aan opname en klinische behandeling bij de FPA Roosenburg te Den Dolder voor de duur van twaalf maanden of zoveel minder als die instelling dat nodig acht;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde; daartoe moet de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op de dag dat hij de FPA Roosenburg verlaat, melden bij de Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht; hierna moet hij zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering dat gedurende deze perioden nodig acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 augustus 2012.