Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7428

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-08-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
16-512424-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor de bedreiging van zijn ex-vriendin met de dood. Voor de beoordeling van de vraag of de bewoordingen van verdachte die hij door de telefoon tegen het nichtje van aangeefster heeft geuit, als een bedreiging jegens het leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/512424-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. M. ’t Sas, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 499 van het Wetboek van Strafvordering heeft de kinderrechter deze zaak ter zitting van de kinderrechter van 6 april 2012 naar de meervoudige strafkamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn ex-vriendin heeft bedreigd met onder andere de dood.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen zoals die zich in het dossier bevinden.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij op 9 oktober 2011 werd gebeld door [verdachte], verdachte, terwijl zij thuis te Utrecht was. Haar nichtje [betrokkene 1] sprak met verdachte door de telefoon. Aangeefster hoorde dat verdachte tegen haar nichtje zei: “Ik kom naar [adres] toe, ik kom haar dood maken. Ik ga het huis in de fik steken, dan is iedereen erbij”. Later die dag stond verdachte voor de deur. Toen zij uit het raam keek, zag ze dat verdachte in haar richting keek en zei: “Ik maak je dood”. Zij voelde zich hierdoor bedreigd, aldus aangeefster.

Het nichtje van aangeefster, [betrokkene 1], heeft bevestigd dat zij op 9 oktober 2012 bij aangeefster was in haar woning te Utrecht en dat verdachte toen door de telefoon tegen haar schreeuwde dat [aangever 1], aangeefster, alles had verpest en dat hij het huis in de fik zou steken. Hij schreeuwde: “Ik zweer ik kom nu naar [adres] en ik maak haar dood”. Op een gegeven moment hoorde ze hem zeggen dat hij al voor de deur stond en toen ze naar buiten keek zag ze hem inderdaad staan.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de desbetreffende dag bedreigingen heeft geuit met betrekking tot aangeefster terwijl hij met haar nichtje aan de telefoon was.

Bewijsoverwegingen

Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat verdachte de bedreigende woorden heeft geuit zoals vermeld in de tenlastelegging. Verdachte heeft gezegd dat er geen sprake is van een bedreiging via de telefoon omdat hij de bedreigingen niet rechtsreeks tegen aangeefster heeft geuit.Voor de beoordeling van de vraag of de uitingen van verdachte tegen het nichtje [betrokkene 1] als een bedreiging jegens aangeefster kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht, is van belang dat een bedreiging ook op een meer indirecte manier tot de bedreigde kan zijn gericht. Het gaat erom dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank geen reden daaraan te twijfelen. Aangeefster bevond zich in de nabijheid van haar nichtje toen verdachte de bedreigingen uitte door de telefoon. Aangeefster heeft verklaard dat zij de bedreigende woorden toen kon horen. Dit vindt bevestiging in de verklaring van haar nichtje [betrokkene 1], die heeft verklaard dat verdachte tegen haar schreeuwde. Dat verdachte zou hebben geschreeuwd, past bij zijn eigen verklaring dat hij boos was.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit, gelet op de redengevende feiten en omstandigheden, die in de voornoemde voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen zijn vervat.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 09 oktober 2011 te Utrecht, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 1] dreigend de woorden toegevoegd :"ik maak je dood" en "ik ga het huis in de fik steken, dan is iedereen erbij".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de stukken van het dossier bevinden zich de pro justitia rapportages van respectievelijk psycholoog drs. A. Laurijssen-Timmers d.d. 1 maart 2012 en psychiater drs. H.J. Groenhuijzen, d.d. 6 maart 2012.

Genoemde deskundigen komen op grond van hun onderzoek met betrekking tot de verdachte beiden tot de conclusie dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de zin van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Daarnaast spreekt de psychiater over ouder-kind relatieproblemen en borderline trekken. Volgens de deskundigen is het aannemelijk dat daarvan sprake was ten tijde van het ten laste gelegde feit. In geval van een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, hebben beide deskundigen dan ook als advies gegeven verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare. Zij zal daarmee rekening houden bij de strafoplegging.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 8 maanden, met de volgende voorwaarden:

- verdachte moet zich onder behandeling laten stellen bij De Bascule te Amsterdam of een soortgelijke instelling gedurende één of meerdere dagen per week, bestaande uit gesprekken met de psycholoog, agressieregulatietraining en individuele muziektherapie;

- verdachte moet gedurende 6 maanden het ITB-plus traject volgen, in te vullen met een dagbesteding bij Titan of Stichting The Colour Kitchen;

- verdachte moet zich gedurende een half jaar onthouden van ieder contact met aangeefster [aangever 1].

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft allereerst aangevoerd dat bij de beoordeling van de ernst van het feit rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat aan de bedreiging een ruzie tussen twee jonge mensen vooraf is gegaan. Daarnaast dient meegenomen te worden dat aangeefster bij de politie de wens heeft uitgesproken haar aangifte te willen intrekken, hetgeen typerend is voor de aard van de relatie die verdachte en aangeefster hadden.

Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gedragsbeïnvloedende maatregel, evenals de voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een jeugdinrichting zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming, te ingrijpend zijn gelet op de ernst van het feit. De verdediging ziet in dat verdachte hulpverlening nodig heeft, doch wijst erop dat daartoe buiten het strafrecht ook voldoende mogelijkheden bestaan.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen jegens zijn ex-vriendin, aangeefster [aangever 1]. Hij heeft haar bedreigd met de dood en met het in brand steken van haar woning. Verdachte heeft hiermee een grote angst bij aangeefster teweeggebracht. Bij haar bestond de vrees dat verdachte daadwerkelijk uitvoering zou geven aan zijn bedreigende woorden. Zij kent hem goed en zij weet dat hij tot veel in staat is, zo meldt zij in haar schriftelijke slachtofferverklaring.

De rechtbank rekent verdachte het voorgaande zwaar aan. Tegelijkertijd houdt de rechtbank echter rekening met de omstandigheid dat de bedreigingen zijn geuit in een periode dat sprake was van een zogenaamde “knipperlichtrelatie” tussen aangeefster enerzijds en verdachte anderzijds. Het uiten van de bedreigingen door verdachte wordt binnen die context geplaatst. Verdachte en aangeefster maakten veel ruzie, maar zijn ondanks een contactverbod toch met elkaar blijven omgaan. Niet vastgesteld kan worden dat het steeds verdachte was die dan weer toenadering zocht. In haar schriftelijke slachtofferverklaring vermeldt aangeefster ook dat ze in die periode nog veel van verdachte hield.

Zorgelijk acht de rechtbank wel dat verdachte eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit dat in de relationele sfeer heeft plaatsgevonden. In zijn justitiële documentatie d.d. 8 mei 2012 is te lezen dat hij reeds tweemaal eerder met politie en justitie in aanraking is geweest in verband met delictgedrag jegens (ex)vriendinnen. Het betrof beide keren mishandelingen. De raad voor de kinderbescherming heeft in het rapport d.d. 13 juni 2012 geconcludeerd dat bij verdachte problemen bestaan in zijn relatievorming. De psycholoog heeft in haar rapport d.d. 1 maart 2012 uiteengezet dat het gedrag van verdachte past bij zijn narcistische persoonlijkheidsstoornis. Er is volgens de deskundige sprake van een gebrek aan aandacht voor het perspectief van de ander. Verdachte legt de schuld van relatieproblemen volledig buiten zich zelf en weet alleen op antisociale wijze te reageren wanneer hij zich gekrenkt voelt. Hij heeft moeite daarbij te reflecteren. Binnen relaties wordt de kans op recidive dan ook hoog ingeschat door de deskundige. Volgens de psychiater in zijn rapport d.d. 6 maart 2012 zal verdachte door zijn persoonlijkheidsstoornis gemakkelijker in relaties terecht komen waarin idealiseren en devalueren, versmelten, spelen met krenking over en weer, grote controlebehoefte over en weer, wantrouwen en heftige uitingen van agressie kunnen voorkomen. Vroeger of later is er dan kans op het ontstaan van een destructief patroon met (gewelds-)escalaties, aldus de psychiater.

Verdachte is thans onder behandeling bij De Bascule te Amsterdam. Het betreft een dagbehandeling gericht op zijn agressieproblematiek en narcistische trekken. Deze behandeling lijkt aan te slaan. Dit lijkt mede te maken te hebben met de vertrouwensrelatie die verdachte inmiddels met zijn behandelaar heeft opgebouwd. Voortzetting van deze behandeling wordt door de deskundigen noodzakelijk geacht. Ook de raad voor de kinderbescherming vindt dit wenselijk. Om te voorkomen dat verdachte afhaakt, adviseert de psycholoog de behandeling op te leggen in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf. De psychiater heeft ook de mogelijkheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel geopperd. De raad voor de kinderbescherming heeft geadviseerd een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen voor de duur van één jaar, in te vullen met een dagbehandeling bij De Bascule te Amsterdam, het volgen van de aanwijzingen van de jeugdreclassering in het kader van het ITB-plus traject, alsmede deelname aan een dagbestedingstraject van Titan. Om te waarborgen dat verdachte zich aan het voorgaande houdt, heeft de raad voor de kinderbescherming geadviseerd daarnaast de voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden die gelijk zijn aan de invulling van de gedragsbeïnvloedende maatregel.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de voorwaardelijke PIJ-maatregel, als de gedragsbeïnvloedende maatregel te ingrijpend zijn gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht het - gelet op de ernst van de persoonlijkheidsproblematiek bij verdachte - wel noodzakelijk dat de behandeling van verdachte wordt voortgezet binnen een verplicht kader en dat hij daarnaast ondersteuning krijgt op het gebied van zijn dagbesteding. Zij zal daarom het advies van de psycholoog volgen en volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, die in grote lijnen overeenkomen met de invulling van de gedragsbeïnvloedende maatregel zoals vermeld in het advies van de raad voor de kinderbescherming. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de oplegging van een contactverbod. Niet gebleken is dat zich sedert het bewezenverklaarde feit nog incidenten hebben voorgedaan tussen verdachte en aangeefster en daarnaast zijn aanwijzingen in het dossier te vinden dat het initiatief tot het aangaan van contact sedertdien van beide kanten afkomstig is geweest.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 332,99 voor het bewezenverklaarde feit, waarvan € 32,99 ter zake van materiële schade en € 300,-- ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 132,99 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 32,99 ter zake van materiële schade en € 100,-- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77x, 77y, 77z, 77aa en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd in het kader van de maatregel Hulp & Steun moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering, uit te voeren door Bureau Jeugdzorg Utrecht;

* dat verdachte gedurende 6 maanden van de proeftijd ITB-plus zal volgen, welk traject zal worden ingevuld met het dagbestedingsproject van Titan en/of The Colour Kitchen;

* dat verdachte meewerkt aan een ambulante behandeling door De Bascule te Amsterdam of een soortgelijke instelling, zolang als de behandelaar dat in overleg met de jeugdreclassering nodig acht;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van

€ 132,99, waarvan € 32,99 ter zake van materiële schade en € 100,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 132,99 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter en kinderrechter, mr. H.A. Brouwer en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 augustus 2012.