Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7424

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
16-653033-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor een diefstal en een bedreiging met zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/653033-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1997] te [geboorteplaats],

wonende aan de [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1: [aangever 1] op straat heeft beroofd, dan wel heeft geprobeerd die [aangever 1] op straat te beroven;

feit 2: [aangever 1] heeft bedreigd met een mes.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat dit een diefstal met geweld oplevert. De officier van justitie acht eveneens bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat derhalve de samenloopbepaling van toepassing is.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten op het standpunt gesteld dat er wettig bewijs is, maar geen overtuigend bewijs. Derhalve is de raadsman van mening dat de feiten niet bewezen kunnen worden. Subsidiair komt de raadsman hooguit tot een poging diefstal. Verdachte ontkent niet dat hij het mes heeft vastgehad en op een dreigende manier heeft getoond en in de tas heeft gestoken. Zijn cliënt heeft echter niets gestolen en het mes niet bij de nek van aangever gehouden.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Bewijs ten aanzien van feit 2

Aangever ([aangever 1]) heeft verklaard dat verdachte op 15 maart 2012 te Utrecht op de [adres] een mes uit zijn broekzak pakte en bij de nek van aangever hield. Vervolgens heeft verdachte een paar keer met het mes in de tas met waterballonnen gestoken.

Verdachte heeft bij de politie en ook bij de rechter-commissaris verklaard dat hij aangever heeft bedreigd door het mes dicht bij aangever te houden en de zak met waterballonnen open te snijden.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft ter zitting gedeeltelijk zijn betrokkenheid bij het onder 2 ten laste gelegde feit ontkend, in tegenstelling tot zijn eerder afgelegde bekennende verklaringen bij zowel de politie als ook bij de rechter-commissaris. De rechtbank acht de andersluidende verklaring van verdachte ter zitting niet aannemelijk, ook gelet op de overige (hierna genoemde) bewijsmiddelen.

Bewijs ten aanzien van feit 1 primair

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij op 15 maart 2012 te Utrecht samen met zijn broertje [betrokkene 2] en [aangever 1] op het [adres] was. [aangever 1] had een plastic zak met waterballonnen bij zich. Nadat verdachte in de plastic zak met waterballonnen had gestoken (feit 2) is de plastic zak gevallen en hebben verdachte en de jongens met wie hij was ballonnen gepakt . Verdachte heeft verklaard dat hij twee waterballonnen heeft gepakt .

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bedreigende handelingen heeft verricht met het oogmerk om de diefstal van waterballonnen voor te bereiden. De bedreiging en de diefstal zijn naar het oordeel van de rechtbank twee los van elkaar staande gebeurtenissen. De rechtbank acht dan ook alleen de ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde geweld.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Primair

hij op of omstreeks 15 maart 2012 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen waterballonnen, toebehorende aan [aangever 1],

2.

op 15 maart 2012 te Utrecht [aangever 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- een mes aan die [aangever 1] getoond en voorgehouden en

- vervolgens met dat mes meermalen in de tas van die [aangever 1] gestoken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1 primair: diefstal

feit 2: bedreiging met zware mishandeling.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van de verdachte laten voorlichten door

drs. A. Laurijssen-Timmers, kinder- en jeugdpsycholoog, die op 5 juni 2012 een rapport heeft uitgebracht.

Uit het rapport van Laurijssen-Timmers blijkt dat bij verdachte geen expliciete ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling is vastgesteld. De aanwezigheid van een taalstoornis en een niet helder vast te stellen stoornis in zijn gedrag en impulsbeheersing kunnen echter niet worden uitgesloten. Verder onderzoek is nodig. Het onderzoek wijst uit dat verdachte moeite heeft om zijn emoties te begrijpen, te onderdrukken en te sturen. Het controleren en sturen van hierbij horend gedrag is te weinig onder controle, alsook het op een juiste manier afstemmen op zijn omgeving. Verdachte zal hierdoor eerder geneigd zijn ondoordacht en oppositioneel opstandig reageren. Hij is daarbij nog onvoldoende in staat om zelf controle uit te oefenen over deze acties. De aanwezige problematiek zorgt er wel voor dat er sprake is van een toegenomen neiging tot het agressief ontladen. Zijn wilsvrijheid wordt voor een klein deel beperkt. Hoewel nog geen expliciete stoornis is vastgesteld bij verdachte, kan wel gesteld worden dat verdachte niet in staat is om op de juiste manier zijn gevoelens te kanaliseren en over te brengen in woorden. Er is te weinig reflectie op eigen gedrag en motieven. Hij externaliseert en bagatelliseert. Vanuit de gedragsproblematiek die hij laat zien vertoont hij zelfbepalend en intimiderend gedrag. Autoriteitsproblematiek zorgt ervoor dat hij de neiging heeft om hierin grenzen op te zoeken. Zijn eigen behoeftebevrediging komt steeds meer voorop te staan.

Nu uit de rapportage niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit, is verdachte strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 160 uur subsidiair 80 dagen vervangende jeugddetentie waarvan 80 uur subsidiair 40 dagen vervangende jeugddetentie voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, met een proeftijd van 2 jaar met daarbij de bijzondere voorwaarde Hulp en Steun, waarvan drie maanden ITB-criem en daarnaast de bijzondere voorwaarde dat verdachte dient deel te nemen aan een herstelgesprek.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, maar de verdediging heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat zij, in geval van een bewezenverklaring, een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf met de door de officier van justitie genoemde bijzondere voorwaarden passend vindt.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een jongetje van tien jaar oud bedreigd. Het slachtoffertje wilde met zijn vriendjes met waterballonnen gaan spelen en werd uit het niets door verdachte bedreigd met een mes. Toen de plastic zak met waterballonnen was gevallen, heeft verdachte twee waterballonnen gepakt. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan strafbaar feiten. De rechtbank acht in het bijzonder het gebruik van het mes bijzonder ernstig. Verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor het slachtoffertje. Het handelen van verdachte moet zeer beangstigend zijn geweest voor het slachtoffertje en zijn vriendjes. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke strafbare feiten nog lange tijd gevoelens van angst kunnen ondervinden. De rechtbank neemt bovenstaande verdachte kwalijk.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 juni 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld;

- een de verdachte betreffend rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 20 april 2012;

- een de verdachte betreffend rapport van het Bureau Jeugdzorg van 1 augustus 2012;

- een de verdachte betreffend rapport van drs. A. Laurijssen-Timmers, kinder- en jeugdpsycholoog, genoemd onder 5.2.

Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op 29 maart 2012 heeft verdachte zich laten begeleiden door het Bureau Jeugdzorg in het kader van de ITB-criem. Uit de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en het Bureau Jeugdzorg blijkt dat zij beide adviseren om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke werkstraf op te leggen met daarbij de maatregel Hulp en Steun, waarvan drie maanden ITB-criem. De heer Kamouni heeft ter zitting toegelicht dat verdachte meewerkt, maar dat de begeleiding relatief veel tijd kost omdat verdachte geen prater is. De rechtbank zal bij haar straf rekening houden met de hierboven genoemde adviezen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie voldoende recht doet aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook niet terugsturen naar de jeugdgevangenis, maar conform de eis van de officier van justitie, een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf opleggen. Het voorwaardelijke deel maakt een verplichte begeleiding door Bureau Jeugdzorg, waaronder drie maanden IBT-criem, mogelijk. De rechtbank zal het aantal uren enigszins matigen, gelet op de beperktere bewezenverklaring.

7. Beslag

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het in beslag genomen (knip)mes (tevens aansteker) vatbaar is voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat het bewezen verklaarde feit is begaan met behulp van dit voorwerp.

Daarnaast zal de rechtbank de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen kleding aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 252,54 wegens materiële schade en

€ 800,00 wegens immateriële schade.

De officier van justitie heeft afwijzing gevorderd van de materiële schade en ten aanzien van de immateriële schade matiging gevorderd tot een bedrag van € 500,00. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade moet worden afgewezen, nu de vernieling of beschadiging van de fiets geen onderdeel is van de tenlastelegging. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman betoogd dat de vordering aan de hoge kant is nu het lijkt te gaan om een pesterijtje op straat.

De rechtbank is van oordeel dat er geen causaal verband is tussen het bewezenverklaarde en de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat deze een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 250,00.

Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit:1 primair: diefstal;

feit 2: bedreiging met zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 60 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

- bepaalt dat van deze werkstraf, een gedeelte bestaande uit 60 uren, te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

- stelt daarbij een proeftijd vast voor de duur van twee jaren;

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

* de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking

verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als

bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

- dat de veroordeelde in het kader van de maatregel Hulp en Steun zich gedurende de

proeftijd gedraagt naar de door of namens Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling

Jeugdreclassering, te geven aanwijzingen, waarvan drie maanden ITB-criem, zolang die

instelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de

naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- dat de veroordeelde deelneemt aan een vorm van herstelgesprek.

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling.

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen kleding;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen (knip)mes (tevens aansteker);

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 15 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [aangever 1],

€ 250,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op bij het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. P.W.G. de Beer en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 augustus 2012.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.