Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7379

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
16-512598-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/512598-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1996] te [geboorteplaats],

wonende aan de [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met (een) ander(en) heeft geprobeerd [aangever 1] op straat te beroven.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd en dat dit een poging afpersing in vereniging oplevert.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 7 augustus 2012 ;

- de aangifte van [aangever 1] .

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op 30 oktober 2011 te Leusden, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan voornoemde [aangever 1],

zijnde en hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader

- op die [aangever 1] afgelopen en die [aangever 1] benaderd en

- vervolgens een mes ter hand genomen en een mes in de richting van die [aangever 1] gehouden en getoond en

- daarbij tegen die [aangever 1] gezegd dat hij geld wilde zien,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van de verdachte laten voorlichten door

D. van Luijk, psycholoog, die op 22 februari 2012 een rapport heeft uitgebracht.

Uit het rapport van Van Luijk blijkt dat bij verdachte sprake is van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis. Vanuit deze stoornis verkeert verdachte regelmatig in conflict met zijn omgeving en laat zich moeilijk corrigeren in zijn gedrag. Zijn vermogen tot zelfreflectie en zelfsturing is gering, waardoor problemen kunnen escaleren. De houding van verdachte is vijandig en hij is geneigd de intenties van anderen negatief in te kleuren. Hoewel verdachte inzicht lijkt te hebben in de ontoelaatbaarheid van zijn handelen, is hij vanuit zijn stoornis geneigd de grenzen van het toelaatbare op te zoeken. Dit lijkt ook bij het ten laste gelegde een rol te hebben gespeeld, evenals een beperkt inlevingsvermogen, zijn emotioneel vlakke indruk en het onvoldoende rekening kunnen houden met anderen.

Verdachte kan op grond van het voorgaande als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd, aldus Van Luijk.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige met betrekking tot de toerekenbaarheid over en maakt deze tot de hare.

Nu uit de rapportage niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit, is verdachte strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een werkstraf voor de duur van 120 uur/60 dagen vervangende jeugddetentie;

- 6 weken jeugddetentie voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, met een proeftijd van 2 jaar met daarbij de bijzondere voorwaarde Hulp en Steun, ook als dat inhoudt een (individuele) behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij minderjarige jongens in de leeftijd van verdachte uitermate voorzichtig moet worden omgegaan met het opleggen van straffen en het verplicht onder behandeling stellen van een hulpverlener. Om die reden heeft de raadsman gesteld dat een voorwaardelijke werkstraf met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, een juiste afdoening van deze zaak zou zijn.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met een mededader geprobeerd een joggende vrouw af te persen. Het slachtoffer liep op een zondag op de dijk in Leusden en werd uit het niets door verdachte en zijn mededader overvallen. Daarbij is het slachtoffer bedreigd met een mes. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Dat het bij een poging is gebleven, is niet aan het handelen van verdachte of zijn mededader te danken, maar aan de koelbloedige reactie van het slachtoffer. Verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor het slachtoffer. Het handelen van verdachte en zijn mededader moet zeer beangstigend zijn geweest voor het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke strafbare feiten nog lange tijd gevoelens van angst kunnen ondervinden. De rechtbank neemt bovenstaande verdachte kwalijk.

Ten voordele van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte zich zowel ten overstaan van de politie als ter terechtzitting open en verantwoordelijk heeft opgesteld. Hij heeft inzicht getoond in zijn gedrag en heeft laten blijken (achteraf) de ernst ervan in te zien. Verdachte heeft ter zitting zijn spijt betuigd. De rechtbank heeft de indruk gekregen dat verdachte oprecht gevoelens van schuld heeft.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte d.d. 26 juni 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld en derhalve first offender is. De rechtbank neemt ook mee dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit verminderd toerekeningsvatbaar was.

Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op 1 december 2011 heeft verdachte zich in het kader van de opgelegde schorsingsvoorwaarden laten begeleiden door het Bureau Jeugdzorg in het kader van de maatregel Hulp en Steun. Hij heeft zich, volgens de toelichting van mevrouw Dijkman ter zitting, aan de afspraken gehouden en zich open opgesteld, ondanks dat het hem soms zwaar viel om over zijn gevoelens te praten. Het Bureau Jeugdzorg heeft in het kader van de afdoening van deze zaak geadviseerd om de maatregel Hulp en Steun op te leggen, ook als dat inhoudt een individuele behandeling bij De Waag. De Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat zij zich aansluiten bij het advies van het Bureau Jeugdzorg. De rechtbank zal bij haar straf aansluiten bij de hierboven genoemde adviezen. Anders dan de raadsman heeft bepleit ziet de rechtbank in het geval van verdachte er wel de noodzaak van in om hem te laten begeleiden c.q. behandelen teneinde recidive te voorkomen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstaf passend en geboden is. De voorwaardelijke werkstraf maakt zowel een verplichte begeleiding in het kader van de maatregel Hulp en Steun door het Bureau Jeugdzorg mogelijk als ook de individuele behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling. Bij de duur van de werkstraf is nog rekening gehouden met het feit dat het contact met het Bureau Jeugdzorg, maar zeker ook de behandeling bij De Waag, intensief en tijdrovend is.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 140 uren, te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 70 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Bepaalt dat van deze werkstraf, een gedeelte bestaande uit 60 uren, te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

- stelt daarbij een proeftijd vast voor de duur van twee jaren;

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking

verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als

bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

dat de veroordeelde in het kader van de maatregel Hulp en Steun zich gedurende de

proeftijd gedraagt naar de door of namens Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling

Jeugdreclassering, te geven aanwijzingen, zolang die instelling dat nodig acht, ook als dat

inhoudt een individuele training bij De Waag of een soortgelijke instelling, met opdracht

aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en

steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag in verzekeringstelling.

Voorlopige hechtenis

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. E.A.A. van Kalveen en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 augustus 2012.