Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7309

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
309055 - HA ZA 11-1345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissement, overeenkomst van borgtocht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119a
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 850
Burgerlijk Wetboek Boek 7 851
Burgerlijk Wetboek Boek 7 852
Burgerlijk Wetboek Boek 7 856
Faillissementswet
Faillissementswet 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2013/7
JOR 2013/27 met annotatie van mr. R.I.V.F. Bertrams
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector Handel en kanton, handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 309055 / HA ZA 11-1345

Vonnis van 12 september 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VICT INFORMATICI B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. R.J.M. van Dalen te Eindhoven,

tegen

naamloze vennootschap

AFAB HOLDING N.V. (thans genaamd VACH HOLDING N.V.),

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Vict en AFAB genoemd worden. Gedaagde wordt omwille van de lesbaarheid van dit vonnis niet met haar huidige naam aangeduid, maar met haar voormalige naam, omdat het geschil tussen partijen is ontstaan voor de naamswijziging en de overgelegde bescheiden haar oude naam vermelden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 oktober 2011;

- de voorafgaand aan de comparitie door Vict genomen akte overlegging producties en vermeerdering van eis;

- het proces-verbaal van comparitie van 31 januari 2012;

- de conclusie van repliek van Vict, tevens houdende akte wijziging van eis, met producties;

- de conclusie van dupliek van AFAB, tevens antwoord na eiswijziging, met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Vict heeft in 2003 een overeenkomst gesloten met Uveco Groep B.V. (hierna: Uveco), betreffende door Vict aan Uveco te leveren ICT-producten en -diensten, onder meer inhoudende: softwarepakket Voffice, aanpassingen en maatwerk Voffice, hosting (opslag, dataverkeer), helpdesk, jaarlijks onderhoud software en website onderhoud, tegen een maandvergoeding door Uveco, bij vooruitbetaling te voldoen. Na afloop van de contractsperiode hebben Vict en Uveco afgesproken om hun samenwerking voort te zetten voor de duur van tien jaar tegen betaling door Uveco aan Vict van € 20.000,- per maand, hetgeen blijkt uit de orderbevestiging van 28 april 2005.

2.2. Uveco was tot 2005 volledig eigendom van [A] Holding B.V. In november 2005 heeft [A] Holding B.V. een gedeelte van de aandelen in het kapitaal van Uveco overgedragen aan AFAB Intermediaire Diensten Holding N.V. (hierna: AID). In januari 2008 heeft AID de volledige eigendom van Uveco verkregen. AID was een 100% dochter van AFAB, maar is op 13 september 2011 verzelfstandigd.

2.3. Op 25 augustus 2006 zijn Vict, Uveco en AFAB ter zake van de onder 2.1. genoemde overeenkomst aanvullende afspraken overeengekomen. In de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde bevestiging van deze aanvullende afspraken d.d. 16 oktober 2006 staat het volgende:

“(…) De aanvullende afspraken luiden als volgt: (…) De looptijd van de tussen Vict en Uveco geldende overeenkomst wordt aangepast. Vanaf het ondertekenen van dit schrijven is overeengekomen dat de looptijd van de overeenkomst d.d. 28 april 2005 zal eindigen op 31 december 2011. De overeenkomst zal per 31 december 2011, mits geen opzegging heeft plaatsgevonden, steeds automatisch met één jaar worden verlengd. (…) De tussen Vict en Uveco in de overeenkomst d.d. 28 april 2005 overeengekomen maandelijkse kosten zal worden aangepast. Vanaf 1 januari 2007 zullen de maandelijkse kosten niet meer € 20.000,= (incl. OB) zijn, maar zal dit een bedrag van € 18.000,= (incl. OB) zijn. AFAB Financiële Diensten Holding N.V. staat garant voor de betaling van de maandelijkse kosten. (…) ”

2.4. In februari 2010 is de statutaire naam van AFAB gewijzigd van AFAB Financiële Diensten Holding N.V. in de naam AFAB Holding N.V.

2.5. Uveco heeft op 27 november 2009 via een statutaire naamswijziging de statutaire naam gewijzigd in Adviesplus B.V. (hierna: Adviesplus). Adviesplus is op 31 augustus 2010 failliet verklaard. De curator heeft Vict bij brief van 22 november 2010 op de hoogte gesteld van het faillissement van Adviesplus. In de als productie D bij conclusie van antwoord overgelegde brief van de curator staat onder meer het volgende:

“ (…)Bij vonnis van Rechtbank Utrecht d.d. 31 augustus 2010 werd de besloten vennootschap Adviesplus B.V. (voorheen h.o.d.n. Uveco) (…) in staat van faillissement verklaard. (…) In verband met het faillissement verzoek ik u alle (eventueel) door curanda bij uw maatschappij aangehouden overeenkomsten per direct te beëindigen en mij een en ander te bevestigen (…) ”.

2.6. Vict heeft na het faillissement van Adviesplus voor de periode van december 2010 tot en met juli 2011 facturen ten behoeve van de maandelijkse kosten van

€ 18.000,- aan AFAB verzonden. AFAB heeft deze facturen, ondanks aanmaningen en sommatie, niet betaald.

3. Het geschil

3.1. Vict vordert, na vermeerdering en wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, AFAB veroordeelt tot betaling van

a) een bedrag van € 144.000,- wegens maandelijkse kosten over de periode van december 2010 tot en met juli 2011;

b) een bedrag van € 18.000,- per maand over de periode van augustus 2011 tot en met februari 2012;

c) de wettelijke rente ex artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) over de vervaldata van alle maandtermijnen tot aan de dag der algehele voldoening;

d) een bedrag ad € 18.000,- voor elke kalendermaand dat de overeenkomst tussen partijen d.d. 25 augustus 2006 na februari 2012 nog zal voortduren, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over elke maandtermijn vanaf de 15e van iedere maand waarop deze termijn betrekking heeft tot aan de dag der algehele voldoening;

e) een bedrag van € 1.158,- wegens buitengerechtelijke kosten van incasso;

f) de kosten van deze procedure.

3.2. Vict legt primair aan haar vordering ten grondslag dat AFAB de tussen Vict, AFAB en Uveco gesloten overeenkomst van 25 augustus 2006, waarin AFAB zich volgens Vict naast Uveco als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden voor betaling van de maandelijkse kosten, dient na te komen. Vict betoogt subsidiair dat AFAB de maandelijke kosten dient te betalen aan Vict omdat zij van de diensten van Vict heeft geprofiteerd. Door niet voor die diensten te betalen heeft AFAB zich ongerechtvaardigd verrijkt, aldus Vict. Meer subsidiair legt Vict aan haar vordering ten grondslag dat AFAB onrechtmatig heeft gehandeld door van de diensten van Vict gebruik te blijven maken maar betaling van die diensten te ontlopen.

3.3. AFAB concludeert dat de rechtbank aan Vict haar vorderingen zal ontzeggen, met veroordeling van Vict in de proceskosten, inclusief de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis.

3.4. AFAB voert ten aanzien van de vordering van Vict tot nakoming van de overeenkomst als verweer dat niet tussen partijen is overeengekomen dat AFAB zich naast Uveco als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden voor de betaling van de maandelijkse kosten, maar dat sprake is van een overeenkomst van borgtocht. AFAB voert voorts aan dat de curator de overeenkomst tussen Vict en Adviesplus heeft opgezegd, waardoor de verplichting tot betaling van de maandelijkse kosten is opgehouden te bestaan en daarmee de borgtocht als afhankelijk recht eveneens. AFAB voert daarnaast aan dat zij, ook indien de curator de overeenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd, niet gehouden kan worden tot enige betaling, aangezien Vict de ICT-diensten sinds het faillissement van Adviesplus niet heeft geleverd, omdat dat absoluut onmogelijk was. Bovendien leidt ook toepassing van de Faillissementswet (artikel 37 en 37a) volgens AFAB tot de conclusie dat nakoming van de overeenkomst niet gevorderd kan worden. Met betrekking tot het door Vict gedane beroep op ongerechtvaardigde verrijking stelt AFAB dat zij niet is verrijkt door het handelen van Vict. Daarnaast stelt AFAB dat uit de door Vict gestelde feiten niet kan worden afgeleid dat AFAB zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een onrechtmatige daad.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Vordering tot nakoming

4.1. De rechtbank zal, gelet op hetgeen door Vict op de eerste plaats aan haar vordering ten grondslag is gelegd, dienen te beoordelen of AFAB gehouden is de onder 2.3. genoemde overeenkomst na te komen in die zin dat AFAB op grond daarvan de door Vict gevorderde maandelijkse kosten moet betalen.

Is sprake van een overeenkomst van borgtocht of van een andere vorm van hoofdelijkheid?

4.2. Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, blijkt dat hen op de eerste plaats verdeeld houdt de vraag of AFAB zich als hoofdelijk medeschuldenaar of als borg heeft verbonden voor hetgeen Uveco uit hoofde van voornoemde overeenkomst aan Vict verschuldigd is.

4.3. Volgens artikel 7:850 BW is sprake van borgtocht als een partij, de borg, zich tegenover de andere partij, de schuldeiser, verbindt tot nakoming van een verbintenis, die een derde, de hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen. Dat wil zeggen dat de borg zich presenteert als iemand die slechts zekerheid aan de schuldeiser wil verschaffen voor het geval de hoofdschuldenaar niet (volledig) presteert. De wet bevat geen bepalingen waarin met zoveel woorden is geregeld hoe het onderscheid tussen borgtocht en andere vormen van hoofdelijke aansprakelijkheid moet worden gemaakt. Of in een concreet geval sprake is van borgtocht dan wel van een andere vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria waarmee het tot stand komen van overeenkomsten pleegt te worden beoordeeld, zoals wil, verklaring, vertrouwen en het Haviltex-criterium, inhoudende dat voor de beantwoording van de vraag hoe de rechtsverhouding van partijen is geregeld het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de in de overeenkomst opgenomen bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, LJN: AG4158). Het gaat dus om de tekst van de overeenkomst en de context, waarbij alle omstandigheden van het concrete geval vóór en ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van belang zijn (en waarop latere omstandigheden nog hun licht kunnen werpen).

4.4. Met inachtneming van dit juridische kader overweegt de rechtbank met betrekking tot de letterlijke interpretatie van hetgeen tussen partijen op papier is gezet dat de tekst van de overeenkomst duidt op borgtocht en niet op een andere vorm van hoofdelijke aansprakelijkheid, nu de rechtbank de woorden “garant staan voor de maandelijkse betalingen” zo begrijpt dat daarmee bedoeld wordt dat AFAB instaat voor de betaling van de maandbedragen die Uveco op grond van haar met Vict gesloten overeenkomst verschuldigd is aan Vict, doch die zij onbetaald laat. Dit strookt met de onweersproken stelling van AFAB dat zij in verband met de sterk wisselende cash flow van Uveco zekerheid wilde verschaffen aan Vict voor betaling van de maandelijkse kosten. De rechtbank is daarnaast met AFAB van oordeel dat het onlogisch zou zijn dat AFAB zich naast Uveco als zelfstandig hoofdelijk medeschuldenaar zou willen verbinden voor betaling van de maandelijkse kosten, aangezien AFAB niet zelfstandig diensten afnam van Vict. De rechtbank is, gelet op deze omstandigheden, van oordeel dat Vict onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat de tekst van de overeenkomst anders door haar geïnterpreteerd mocht worden dan als een overeenkomst van borgtocht. De rechtbank overweegt daartoe nog het volgende. Vict heeft ter onderbouwing van haar stelling dat AFAB zich als zelfstandig hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden voor de betaling van de kosten aangevoerd dat AFAB elke maand de back-up van alle data zou ontvangen, dat de overeenkomst slechts is ondertekend door Vict en [naam A], directielid van AFAB, en dat [naam A] namens AFAB bij Vict heeft aangegeven dat de maandelijkse kosten lager moesten worden en dat AFAB in ruil daarvoor een garantie voor de betaling van de maandtermijnen wilde stellen. AFAB heeft daar echter tegenover gesteld dat [naam A] in de contacten met Vict handelde in zijn hoedanigheid als bestuurder van Uveco, dat [naam A] zowel namens AFAB als Uveco de overeenkomst ondertekend heeft en dat de overeenkomst is opgesteld op briefpapier van Uveco. Met betrekking tot de back-up van de data heeft AFAB aangevoerd dat Uveco geen afdeling ICT-beveiliging had en dat de back-up daarom naar het hoofd ICT-beveiliging voor Uveco, werkzaam bij AFAB, werd gestuurd. Hetgeen Vict heeft aangevoerd is daarmee voldoende ontzenuwd.

4.5. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat Vict redelijkerwijs niet had mogen verwachten dat AFAB met het sluiten van de overeenkomst de bedoeling had dat op haar een zelfstandige betalingsverplichting zou komen te rusten. Daarmee staat vast dat AFAB zich als borg heeft verbonden voor de betaling van de maandelijkse kosten die Uveco uit hoofde van de onder 2.3. genoemde overeenkomst aan Vict verschuldigd is.

Beëindiging van de overeenkomst?

4.6. De volgende vraag die partijen verdeeld houdt is de vraag of de tussen Vict en Uveco gesloten overeenkomst betreffende door Vict aan Uveco te leveren ICT-producten en -diensten beëindigd is. Dit is van belang omdat uit artikel 7:851 lid 1 BW blijkt dat borgtocht afhankelijk is van de verbintenis van de hoofdschuldenaar waarvoor zij is aangegaan. Indien de hoofdverbintenis strekkende tot betaling van de maandelijkse kosten teniet is gegaan, geldt dat voor de borgtocht als afhankelijk recht eveneens.

4.7. Bij de beoordeling van de vraag of en zo ja op welk moment voornoemde overeenkomst tussen Vict en Uveco beëindigd is, stelt de rechtbank voorop dat een faillietverklaring op bestaande wederkerige overeenkomsten niet de minste invloed uitoefent; de verbintenissen van de gefailleerde en diens medecontractant worden er niet door gewijzigd. De onder 2.3. genoemde overeenkomst is derhalve niet enkel als gevolg van het faillissement van Adviesplus beëindigd.

4.8. AFAB heeft gesteld dat de overeenkomst per 22 november 2010 is opgezegd door de curator. De rechtbank is van oordeel dat die stelling faalt en overweegt daartoe dat de curator, gelet op de in de Faillissementswet neergelegde regeling, niet bevoegd is om de in het geding zijnde overeenkomst vóór de contractvervaldatum van 31 december 2011 op te zeggen, nu die bevoegdheid voor haar faillissement ook niet aan Adviesplus toekwam. De rechtbank volgt AFAB echter wel in haar stelling dat de brief van de curator heeft te gelden als een opzeggingsbrief tegen die contractvervaldatum. Niet gesteld of gebleken is dat opzegging in de overeenkomst gebonden is aan een vormvereiste en de opzegging is derhalve vormvrij. Nu uit de bewoordingen van de brief van de curator duidelijk blijkt dat de curator wil dat de overeenkomst beëindigd wordt, beschouwt de rechtbank de tussen Vict en Uveco gesloten overeenkomst als opgezegd per de contractvervaldatum van 31 december 2011. Zoals uit hetgeen onder 4.6. is overwogen blijkt dat daarmee ook de uit de tussen AFAB met Vict gesloten overeenkomst van borgtocht voortvloeiende verbintenis voor AFAB tot het betalen van de maandelijkse kosten eindigt op 31 december 2011.

Vordering tot nakoming

4.9. Nu uit het voorgaande blijkt dat zowel de overeenkomst tussen Vict en Uveco als de overeenkomst van borgtocht tussen Vict en AFAB per 31 december 2011 is beëindigd, zal de rechtbank de door Vict gevorderde betaling door AFAB van de maandelijkse kosten voor de periode vanaf 31 december 2011 afwijzen. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de vordering van Vict tot betaling door AFAB van de maandelijkse kosten voor de periode december 2010 tot en met december 2011 wel voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank zal hier aan de hand van de door AFAB gevoerde verweren nader op ingaan.

4.10. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het de strekking van een overeenkomst van borgtocht is dat de borg het risico neemt om te worden aangesproken als de hoofdschuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt. Als de borg wordt aangesproken, kan hij niet aan de schuldeiser tegenwerpen dat de hoofdschuldenaar niet tot nakoming van de gewaarborgde verbintenis kan worden gedwongen omdat de hoofdschuldenaar is gefailleerd. De toerekenbare tekortkoming van de hoofdschuldenaar houdt dan verband met diens insolventie, die in de rechtsverhouding tussen schuldeiser en borg voor risico komt van de borg.

4.11. AFAB heeft aangevoerd dat zij niet tot nakoming van de overeenkomst gehouden kan worden omdat het voor Vict absoluut onmogelijk was om de overeengekomen ICT-diensten te leveren aan Uveco/Adviesplus. De rechtbank overweegt daartoe dat de onmogelijkheid voor Vict om de overeengekomen diensten aan Uveco/Adviesplus te leveren gelegen is in het faillissement van Adviesplus. Zoals hiervoor is overwogen is het faillissement van de hoofdschuldenaar een omstandigheid die voor risico van de borg komt. Het verweer van gedaagde stuit hierop derhalve af.

4.12. AFAB heeft voorts aangevoerd dat toepassing van artikel 37 Faillissementswet (hierna: Fw) zou moeten leiden tot de conclusie dat Vict niet de bevoegdheid heeft om van Uveco/Adviesplus te vorderen dat zij de overeenkomst nakomt en dat daarom ook geen nakoming van AFAB kan worden gevorderd. Kennelijk heeft AFAB bedoeld te betogen dat de borgtocht afhankelijk is van de verbintenis van de hoofdschuldenaar en zich niet verder uitstrekt dan de gewaarborgde verbintenis. Naar de rechtbank de stellingen van AFAB verstaat, doelt zij er daarbij op dat een mededeling van de curator ex artikel 37 Fw tot niet-gestanddoening van de overeenkomst tot gevolg heeft dat de wederpartij van de gefailleerde geen beroep meer kan doen op nakoming. Of in casu van een zodanige mededeling met dat gevolg sprake is, kan in het midden blijven. Ook als deze vraag bevestigend moet worden beantwoord betekent dit naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet dat dit ertoe zou leiden dat Vict ook geen nakoming meer kan vorderen van AFAB. De rechtbank overweegt daartoe dat het afhankelijke karakter van de borgtocht niet zover reikt dat op de enkele grond dat de curator heeft laten weten dat hij de overeenkomst niet gestand doet zou moeten worden geconcludeerd dat het recht van de schuldeiser om nakoming van de overeenkomst door de borg te vorderen teniet is gegaan. Daartoe is doorslaggevend de in rechtsoverweging 4.10. genoemde strekking van de overeenkomst van borgtocht en het eveneens in die rechtsoverweging genoemde beginsel dat de borg niet aan de schuldeiser kan tegenwerpen dat de hoofdschuldenaar failliet is gegaan. Daarnaast geldt bovendien dat uit artikel 7:852 lid 1 BW blijkt dat de borg zich alleen kan beroepen op de verweermiddelen van de hoofdschuldenaar voor zover die zien op het bestaan, de inhoud of het nakomingstijdstip van de hoofdverbintenis. Het verweer van AFAB dat de hoofdvordering na een mededeling tot niet-gestanddoening van de curator niet meer jegens de curator kan worden afgedwongen door Vict en daarom ook niet meer jegens AFAB, ziet niet op het bestaan van de hoofdverbintenis (en evenmin op inhoud of nakomingstijdstip), nu een dergelijke mededeling van de curator de hoofdverbintenis niet teniet doet gaan. Zolang, zoals in de onderhavige zaak, niet door Vict is gekozen voor ontbinding van de overeenkomst dan wel voor vervangende schadevergoeding, blijft de hoofdverbintenis immers bestaan. De eventuele niet-afdwingbaarheid jegens de failliet dan wel de curator doet daaraan niet af. De verbintenis tot het betalen van de maandelijkse kosten is derhalve, ook indien die op grond van artikel 37 Fw niet afdwingbaar zou zijn jegens de hoofdschuldenaar, wel afdwingbaar jegens de borg.

4.13. AFAB heeft voorts nog aangevoerd dat uit het subsidiaire karakter van de borgtocht volgt dat Vict niet van AFAB kan eisen dat AFAB de overeenkomst nakomt, omdat niet vaststaat dat de curator niet nakomt en/of dat Uveco/Adviesplus in verzuim is. Reeds uit het feit dat de maandvergoeding bij vooruitbetaling verschuldigd was en dat geen van de desbetreffende maanden (tijdig) is voldaan, volgt dat ten aanzien van al die maanden van het genoemde verzuim sprake is. Aangezien eind november 2010 duidelijk was dat voor december 2010 niet betaald is en dat ook voor de daarop volgende maanden niet betaald zou gaan worden, is het verzuim (althans zijn de wettelijke gevolgen van verzuim) ten aanzien van alle desbetreffende maanden reeds eind november 2010 ingetreden. De stelling van AFAB faalt derhalve.

4.14. Voor het overige zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de vordering van Vict tot nakoming door AFAB van de onder 2.3. genoemde overeenkomst zou moeten worden afgewezen. De rechtbank wijst de vordering van Vict tot betaling door AFAB van de maandelijkse kosten van € 18.000,- voor de periode december 2010 tot en met december 2011 op grond van het vorenstaande derhalve toe. AFAB is op grond hiervan gehouden om aan Vict een bedrag van € 234.000,- te voldoen.

Wettelijke handelsrente

4.15. Partijen twisten over de vraag of AFAB wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW verschuldigd is over het toegewezen bedrag. Op grond van artikel 7:856 lid 1 BW is de borg slechts wettelijke rente verschuldigd over het tijdvak dat hijzelf in verzuim is. De artikelen 6:81 e.v. BW bepalen wanneer de borg in verzuim is. De rechtbank is met Vict van oordeel dat de brief van advocaat Van Dalen namens Vict aan AFAB van 24 december 2010 (productie 28) heeft te gelden als een ingebrekestelling van AFAB. AFAB is op grond van deze brief met betrekking tot de maand december 2010 gesommeerd om binnen twee weken na dagtekening van de brief te betalen. Ten aanzien van deze maandtermijn is AFAB derhalve per 7 januari 2011 in verzuim geraakt. In de brief wordt AFAB tevens gesommeerd om de resterende termijnen tot en met 31 december 2011 stipt op de vervaldata van de factuur, zijnde 14 dagen na datum van de factuur, te voldoen. Ten aanzien van deze termijnen is AFAB derhalve steeds per voornoemde vervaldatum van de factuur in verzuim. De rechtbank wijst de door Vict gevorderde wettelijke handelsrente toe vanaf voornoemde data waarop AFAB in verzuim is geraakt.

Buitengerechtelijke kosten

4.16. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. Uit de door Vict gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Vict vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Proceskosten

4.17. AFAB zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van Vict op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 76,31

- griffierecht 3.537,00

- salaris advocaat 6.000,00 (3,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 9.537,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt AFAB om aan Vict te betalen een bedrag van € 234.000,00- (tweehonderdvierendertig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over:

- het bedrag van € 18.000,-, vanaf 7 januari 2011 tot de dag van volledige betaling (ten aanzien van de maand december 2010);

- telkens een bedrag van € 18.000,- ten aanzien van de maanden januari 2011 tot en met december 2011, vanaf 14 dagen na de aanvang van de dag volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen tot de dag van volledige betaling;

5.2. veroordeelt AFAB in de proceskosten, aan de zijde van Vict tot op heden begroot op € 9.537,00-;

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Verhoef en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2012.?