Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7007

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
SBR 12-2711
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kapvergunning voor 61 bomen Groenekanseweg De Bilt ivm gronduitgifte ten behoeve van tankstation Larenstein. Verweerder heeft ervan uit kunnen gaan dat de kap niet in strijd is met in de Ffw opgenomen verbodsbepalingen. De te kappen bomen vertegenwoordigen niet zodanige cultuurhistorische, natuur- en/of landschappelijke waarden dat verweerder de kapvergunning in redelijkheid niet had mogen verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 12/2711

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling De Bilt en omstreken, te De Bilt, verzoekster,

(gemachtigden: ir. P. Greeven en ir. S.E. van Nooten)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.C.Y. Mayr).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente De Bilt, vergunninghoudster,

(gemachtigden: ing. C. Smits, projectleider realisatie bedrijventerrein ‘Larenstein’ en ing. A.B. Quaak, projectleider).

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de gemeente De Bilt (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het kappen van 61 bomen op het perceel C. de Haasweg 2 te Bilthoven (het perceel).

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2012. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden voornoemd.

Overwegingen

1. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in dit stadium (de bezwaarfase) is in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in een eventuele bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De gemeenteraad van de gemeente De Bilt heeft bij besluit van 7 september 2006 het bestemmingsplan ‘Bedrijvenpark Larenstein, herziening ex artikel 30 WRO’ (het bestemmingsplan) vastgesteld. In dit bestemmingsplan is onder meer voorzien in de realisering van een tankstation in het zuidelijke gedeelte (het voormalig MOB Complex) van bedrijvenpark Larenstein. Vergunninghoudster heeft op 14 maart 2012 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ten behoeve van het kappen van 61 bomen op het perceel in verband met de beoogde gronduitgifte en de ontsluiting van het terrein waarop het tankstation is voorzien. Bij besluit van 16 mei 2012 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend, waarbij aan vergunninghoudster de verplichting is opgelegd om vóór 31 december 2012 een herinrichtingsvoorstel ter goedkeuring in te dienen waarin wordt aangegeven hoe compensatie, bomen/inheemse beplanting passend in de bosstrook, zal plaatsvinden.

3. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst (ambtshalve) voor de vraag gesteld of verzoekster kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarmee of zij ontvankelijk is in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2011, LJN BP211) bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

4. Uit de in artikel 3 van de statuten van verzoekster opgenomen doelstelling blijkt dat deze ruim is geformuleerd en de nadruk legt op educatie en bewustwording van de bevolking, maar dat ook de bescherming van de natuur, het landschap en het milieu (vermeld in artikel 3, aanhef en onder e) daartoe behoort. Verzoekster tracht haar doelstelling te bereiken door middel van de in artikel 4 van de statuten genoemde werkzaamheden. Aan de beoogde bescherming van natuur en landschap wordt daarbij, naast het voeren van juridische procedures (artikel 4, eerste lid onder d), feitelijk invulling gegeven door (werkzaamheden inhoudende) het op positieve wijze beïnvloeden van het beleid en de activiteiten van de plaatselijke overheid op het gebied van natuur- en milieu(educatie) (artikel 4, eerste lid, onder b). Mede in aanmerking genomen de door verzoekster ter zitting gegeven toelichting op de door haar verrichtte werkzaamheden, zoals onder mee haar participatie in het (voormalige) duurzaamheidsoverleg met de gemeente en haar betrokkenheid bij bestemmingsplanprocedures, en de op haar website daaromtrent opgenomen informatie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij onderhavige kapvergunning.

5. Op grond van artikel 4:11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening De Bilt 2009, zoals die luidt sinds 1 oktober 2010 (de APV), is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen. In het vierde lid is bepaald dat de vergunning kan worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

Op grond van het zesde lid kan het bevoegd gezag een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, blijkens de bewoordingen van artikel 4:11, vierde lid, van de APV, een discretionaire bevoegdheid van verweerder is, de aanwending waarvan door de rechtbank terughoudend wordt getoetst. Ter beoordeling is daarom of verweerder in redelijkheid tot het verlenen van de kaptoestemming heeft kunnen komen. Voorts heeft te gelden dat de opsomming van de weigeringsgronden in artikel 4:11 van de APV limitatief van aard is. Dit betekent dat een vergunning slechts kan worden geweigerd indien zich één of meer van de in dat artikel omschreven weigeringsgronden voordoet of voordoen en het belang van verlening daar niet tegen opweegt.

7. Verzoekster heeft aangevoerd dat gelijktijdig met onderhavige omgevingsvergunning de omgevingsvergunning voor het oprichten van het tankstation en de ontsluiting daarvan had moeten worden beoordeeld en dat tevens de besluitvorming met betrekking tot de rotonde ter hoogte van het Beukenlaantje ten behoeve van de verkeersafwikkeling rond het bedrijvenpark had moeten worden afgewacht. Niet duidelijk is volgens haar wat het ruimtebeslag van het tankstation zal zijn en welke bomen daarvoor noodzakelijkerwijs moeten worden gekapt. Volgens verzoekster had het de voorkeur verdiend dat verweerder ook voor de onderhavige omgevingsvergunning de zienswijzeprocedure had gevolgd.

8. Dit betoog slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de ABRS (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 augustus 2011, LJN BR4883) dient een aanvraag om een vergunning om te kappen te worden getoetst aan het beoordelingskader van de lokale van toepassing zijnde verordening, dat losstaat van het beoordelingskader voor bijvoorbeeld bouwen, aanleggen of planologische voorschriften van de Wet ruimtelijke ordening of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dat de exacte locatie van het tankstation nog niet vast staat brengt dan ook niet mee dat verweerder niet bevoegd was de kaptoestemming te verlenen. Het bestemmingsplan waarin het bouwvlak voor het tankstation is voorzien is inmiddels onherroepelijk. Verweerder heeft aannemelijk kunnen achten dat het tankstation c.s. zal worden opgericht overeenkomstig de bij de aanvraag om onderhavige omgevingsvergunning ingediende tekening. Dit te meer nu, zoals ter zitting is toegelicht, over deze locatie en bijbehorend groenplan verschillende alternatieven ter tafel hebben gelegen. Voor het verlenen van de kaptoestemming was niet vereist dat de benodigde toestemmingen voor het oprichten van het tankstation ook reeds zijn afgerond.

De door verzoekster gewenste samenloop in de besluitvorming was bovendien uit praktisch oogpunt voor verweerder niet realiseerbaar, zo is ter zitting toegelicht. Teneinde het in het bestemmingsplan voorziene tankstation te kunnen realiseren heeft de gemeente, als huidig eigenaar van de grond, zich jegens de toekomstig exploitant verplicht de grond bouwrijp op te leveren. Daartoe dienen de bomen te worden gekapt, waarvoor onderhavige vergunning is aangevraagd. De exploitant van het tankstation zal vervolgens de omgevingsvergunning aanvragen voor het tankstation en de ontsluitingsweg. Dit maakt een gelijktijdige (beoordeling van de) aanvraag van de kapvergunning en die van de benodigde toestemmingen voor de oprichting van het tankstation en de inrichting van bedrijvenpark Larenstein niet alleen niet vereist, maar ook thans niet mogelijk.

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder terecht de reguliere voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft gevolgd. De omgevingsvergunning voor het kappen is immers niet opgenomen in artikel 3.10 van de Wabo, waarin is neergelegd voor welke activiteiten de uitgebreide voorbereidingsprocedure dient te worden gevolgd. Evenmin heeft verweerder bepaald dat voorbereiding van dit besluit met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb dient plaats te vinden. Het volgen van de reguliere voorbereidingsprocedure is ook anderszins niet in strijd met enige rechtsregel.

9. Ter beoordeling is of verweerder na afweging van de in het geding zijnde belangen in redelijkheid het belang van vergunninghoudster bij de kap van de bomen groter heeft kunnen achten dan het belang van handhaving van de bomen. Gezien het bepaalde in artikel 4:11, vierde lid, van de APV dient verweerder te beoordelen of de te kappen bomen waarden vertegenwoordigen als daar genoemd en vervolgens het belang van het behoud van die waarden af te wegen tegen het belang bij het kappen van de bomen.

10. Verzoekster heeft aangevoerd dat de kap van de bomen een sterke aantasting van de waardevolle groenstrook ter plaatse tot gevolg heeft, zowel in ecologisch als in landschappelijke opzicht. De groenstrook is volgens haar van grote betekenis voor de ecologische structuur van de kernen De Bilt en Bilthoven. Voorts is de groenstrook vanuit het oogpunt van de groene beeldkwaliteit van belang omdat deze is gelegen bij een van de groene entrees van de kernen De Bilt en Bilthoven. De kap van de bomen heeft daarmee een sterke aantasting van de landschappelijke waarde van de groenstrook tot gevolg. Verzoekster verwijst naar een onderzoek uit 1999 van Bureau Oranjewoud waarin de grote natuur- en landschappelijke waarde van de groenstrook wordt benoemd.

Volgens verzoekster is het bestreden besluit voorts onvoldoende zorgvuldig voorbereid omdat onvoldoende flora- en faunaonderzoek is gedaan. In het kader van het flora- en faunaonderzoek van Els & Linde hebben slechts twee veldbezoeken plaatsgevonden.

Vanwege de (mogelijke) betekenis van de groenstrook voor de vleermuizen, zoals ook uit het onderzoek van Van Jaarsveld en Van Scherpenzeel uit 2004 naar voren gekomen, had nader onderzoek conform het vleermuizenprotocol moeten plaatsvinden teneinde te kunnen vaststellen of een ontheffing nodig op grond van de Flora- en faunawet.

Verzoekster stelt verder dat er alternatieven ten aanzien van de situering van het tankstation, de ontsluitingsweg en de rotonde voorhanden zijn, die tot een veel geringere aantasting van het zogenaamde groene casco leiden. Verweerder had op deze grond tot een andere belangenafweging moeten komen.

11. In de toelichting op het bestemmingsplan wordt verwezen naar een in het verleden uitgevoerde brede inventarisatie en een veldverkenning van het groen in het plangebied, waarvan ook een specifiek onderzoek naar het bomenbestand in het plangebied deel uitmaakte. Daaruit is gebleken dat de oude lanen (de beukenlaan langs de oostrand en het eikenlaantje tussen het MOB-terrein en de sportvelden), zowel uit ecologisch, cultuurhistorisch als landschappelijk oogpunt als (zeer) waardevol zijn aan te merken. Daarnaast vormt de westelijke bosrand een belangrijke schakel in de ecologische bosinfrastructuur. De oude lanen, alsmede de westelijke bosrand zijn in de uitgangspunten bij het bestemmingsplan opgenomen als zijnde te behouden elementen. Deze elementen vormen het zogenaamde ‘groene casco’ van Larenstein. Verder is in de toelichting opgenomen dat afzonderlijk van het groene casco enkele bomen langs de Groenekanseweg behouden zullen blijven. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat de groenstrook langs de Groenekanseweg waar de te kappen bomen staan niet tot het – vanwege cultuurhistorische, natuur- en landschappelijke waarden te behouden – zogenoemde groene casco behoort. Verzoekster heeft haar stelling dat het betreffende bosperceel wel degelijk beschermingswaardig is, niet gestaafd met stukken of anderszins onderbouwd, hetgeen in het licht van de gedingstukken alsmede de in het kader van het bestemmingsplan reeds uitgevoerde inventarisaties en daaraan verbonden conclusies voor het groen in het plangebied, waarvan onderhavig perceel deel uitmaakt, wel op haar weg lag.

12. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder een ecologisch onderzoek heeft laten uitvoeren. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de Quick scan ecologie benzinestation Larenstein van april 2012 van Els & Linde B.V. Daarin wordt aangegeven dat er geen beschermde planten zijn aangetroffen of zijn te verwachten, dat er geen beschermde (dier)soorten met een vaste verblijfplaats aanwezig zijn, dat er wel een kans is op jagende dieren (vleermuizen) langs de rand van de groenstrook maar dat het geen essentieel jachtgebied betreft. Geadviseerd wordt de werkzaamheden niet te starten tijdens het broedseizoen. Voor de ontwikkeling van het benzinestation zijn blijkens de Quick scan geen belemmeringen vanwege aanwezigheid van beschermde soorten. Er is volgens de Quick scan dus geen ontheffing nodig op grond van de Flora- en faunawet, of een verklaring van geen bedenkingen. Verweerder heeft, gelet op de bevindingen in de Quick scan, naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding hoeven zien voor nader flora- en faunaonderzoek. Verzoekster heeft haar standpunt dat de groenstrook mogelijk wel dient als belangrijke foerageerroute, baltsplaats of verblijfplaats voor vleermuizen niet onderbouwd met nadere, schriftelijke, stukken. Een verwijzing naar het onderzoeksrapport van Van Jaarsveld en Van Scherpenzeel uit 2004 is daartoe niet toereikend, mede in aanmerking genomen dat sedertdien met de inrichting van het bedrijventerrein is begonnen als gevolg waarvan de omgeving ingrijpend is gewijzigd. Verzoekster heeft derhalve geen aanknopingspunten aangereikt op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de volledigheid of de uitkomst van de Quick scan.

13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt hieruit dat verweerder ervan heeft kunnen uitgaan dat geen sprake is van strijdigheid van de kap met in de Flora- en Faunawet opgenomen verbodsbepalingen. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat ten behoeve van de kap van de bomen geen ontheffing nodig is, of een verklaring van geen bedenkingen op de voet van artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 75d van de Flora- en faunawet. Evenmin kan worden volgehouden dat verweerders onderzoek dat tot deze conclusie leidt, onvolledig of onzorgvuldig is geweest.

14. Op grond van het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder, mede gelet op het belang van vergunninghouder bij het kunnen opleveren van de grond aan de exploitant van het op te richten tankstation, op goede gronden tot de slotsom is gekomen dat de te kappen bomen niet zodanig beeldbepalend zijn dan wel zodanige cultuurhistorische, natuur- en/of landschappelijke waarden vertegenwoordigen dat hij in redelijkheid de kapvergunning niet had mogen verlenen.

15. Voor de goede orde wordt nog het volgende opgemerkt. Ter zitting is onduidelijkheid gerezen over de vraag of onderhavige werkzaamheden al dan niet zijn geschaard onder de kennelijk – blijkens de toelichting op het bestemmingplan – voor de uitvoering van het bestemmingsplan afgegeven ontheffing op grond van de Flora- en faunawet.

Verweerder heeft primair het standpunt ingenomen dat voor de in geding zijnde kap geen zodanige ontheffing is vereist. Het ligt op de weg van verweerder in de te nemen beslissing op bezwaar duidelijkheid te verschaffen over de vraag of deze kap inderdaad valt onder enige reeds afgegeven, nog geldende Flora- en faunawet ontheffing. Is zulks het geval dan is de vraag of een dergelijke ontheffing al dan niet is vereist immers niet langer relevant.

16. Met betrekking tot de door verzoekster genoemde alternatieven voor de situering van het tankstation overweegt de voorzieningenrechter dat ter zitting is gebleken dat reeds veel alternatieven zijn besproken, waarbij niet alleen de natuurwaarden zijn betrokken maar ook (bijvoorbeeld) het belang van een goede verkeersontsluiting en dat uiteindelijk is gekozen voor de locatie van het tankstation, zoals aangegeven op de bij de aanvraag om kaptoestemming behorende tekening. Er is daarbij gekozen om een deel van de bomen in de groenstrook te behouden zodat het zicht vanaf de Groenekanseweg groen blijft. Overigens brengt het bestaan van eventuele alternatieven, gelet op het hiervoor genoemde toetsingskader, niet mee dat de onderhavige omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. De voorzieningenrechter ziet hierin derhalve geen grond voor de conclusie dat de belangenafweging door verweerder niet deugdelijk is.

17. Tenslotte heeft verzoekster aangevoerd dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd omdat de inhoud van de herplantplicht daaruit niet blijkt.

Blijkens artikel 4:11, zesde lid, van de APV worden aan de inhoud van een op te leggen herplantplicht geen nadere eisen gesteld. Verweerder heeft volstaan met het opleggen van de verplichting aan vergunninghouder om voor 31 december 2012 een herinrichtingsvoorstel ter goedkeuring in te dienen. Aldus is helemaal niet inzichtelijk of, wanneer en op welke wijze volgens verweerder aan die herplantplicht invulling zal moeten worden gegeven. Dat acht de voorzieningenrechter in dit geval te mager, mede gegeven het feit dat – zoals ter zitting is gebleken – er al een concreet herinrichtingsvoorstel met betrekking tot de herplant ligt, maar dat dit voorstel nog moet worden goedgekeurd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nadere concretisering van de op te leggen herplantplicht niet zover hoeft te gaan dat thans reeds een exact groenplan moet vastliggen. Wel moet in elk geval inzichtelijk zijn of compensatie in het betreffende gebied zal plaatsvinden of elders, en hoe die herplant zich voor wat betreft aard en omvang verhoudt met de te kappen houtopstanden.

Nu verweerder in het kader van de heroverweging in bezwaar nadere invulling kan geven aan de herplantplicht ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding de verleende omgevingsvergunning te schorsen.

18. Hetgeen door verzoekster is aangevoerd geeft de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om te veronderstellen dat het bestreden besluit na heroverweging in bezwaar dan wel in een eventuele de bodemprocedure niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.