Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6978

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-08-2012
Datum publicatie
10-09-2012
Zaaknummer
16/655787-12 en 16/600381-11 tulalg [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met mishandeling, bedreiging en wederspannigheid tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655787-12 en 16/600381-11 tulalg [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1979] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

verblijvende te PPC [naam]

raadsvrouw mr. N. Assouiki, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 6 mei 2012 te Zeist:

1. [slachtoffer] heeft mishandeld;

2. [slachtoffer] heeft bedreigd;

3. zich met geweld heeft verzet tegen politieambtenaren.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft het eerste feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot feit 2 is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daarbij heeft de verdediging betoogd dat er geen duidelijkheid over de uitlatingen is, dat verdachte wel een greep in zijn jaszak heeft gedaan, maar dat hij greep naar zijn mobiele telefoon, dat verdachte geen stekende beweging heeft gemaakt en dat in zijn jaszak geen steekwapen is aangetroffen. Voorts hebben naar de mening van de verdediging aangeefster en getuige hun verklaringen op elkaar afgestemd. De verdediging heeft verzocht om vrijspraak van het ten laste gelegde, omdat er onvoldoende bewijs is.

Ten aanzien van feit 3 is de verdediging eveneens van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daarbij heeft de verdediging er op gewezen dat door verdachte ter terechtzitting is verklaard dat hij niet heeft gehoord dat hij was aangehouden. Verdachte voelde zich bedreigd door de handelwijze van de agenten, verdachte begreep niet wat de bedoeling was -hij had zelf kort daarvoor met de politie willen bellen omdat hij zich door aangeefster bedreigd voelde-, verdachte reageerde geschrokken en heeft een agent ter hoogte van de borst weggeduwd. Het gebruik van de pepperspray door de politie merkt de verdediging in dit verband als disproportioneel aan. Naar de mening van de verdediging dient verdachte ook voor dit feit te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 13 augustus 2012 ;

- de aangifte van [slachtoffer] van 6 mei 2012 ;

- de geneeskundige verklaring d.d. 7 mei 2012 betreffende [slachtoffer] .

Feit 2

Aangeefster heeft op 6 mei 2012 te 16:30 uur verklaard dat zij, nadat zij van verdachte een klap tegen haar gezicht had gekregen, heel boos werd en naar verdachte toeliep. Aangeefster zag verdachte op een afstand van anderhalve meter van haar vandaan staan, zag dat verdachte met zijn vinger naar aangeefster wees en aangeefster indringend aankeek. Aangeefster hoorde verdachte tegen haar zeggen: ‘pas op, ik steek je neer’ of woorden van gelijke strekking. Direct daarna zag aangeefster dat verdachte met twee handen één van de zakken van zijn jasje openmaakte. Aangeefster schrok daar zo van dat zij haar rug naar verdachte toedraaide en wegliep.

Aangeefster heeft verklaard dat zij bang is dat verdachte haar daadwerkelijk zal neersteken, omdat verdachte weet waar aangeefster werkt.

Getuige [getuige] heeft op 6 mei 2012 tussen 15:15 en 15:30 uur verklaard dat zij op 6 mei 2012 samen met [slachtoffer] over de Sanatoriumlaan te Zeist fietste. Getuige zag dat verdachte, nadat hij aangeefster had geslagen, wegliep, zag dat aangeefster van haar fiets afstapte en hoorde aangeefster tegen verdachte zeggen: ‘Waarom doe je zoiets?’ Getuige heeft verklaard dat zij verdachte hoorde zeggen: ‘Als je achter me aankomt dan steek ik je….dan steek ik je!’ Daarbij zag getuige dat verdachte met zijn hand naar zijn jaszak ging alsof hij wilde dreigen dat hij daar iets uit wilde pakken om aangeefster te steken. Getuige hoorde dat verdachte het op een erg agressieve toon zei, hoorde dat verdachte hard sprak en zag woede in het gezicht van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde tweede feit op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Dat de getuige haar verklaring zou hebben afgestemd met aangeefster acht de rechtbank niet aannemelijk, aangezien getuige van [getuige] meteen na het incident is gehoord.

Feit 3

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van Politie Utrecht, hebben verklaard dat zij op 6 mei 2012 in uniform gekleed surveilleerden en dat zij reden in een als zodanig opvallend politie surveillance voertuig. Verbalisanten zagen iemand op de Oude Arnhemseweg te Zeist lopen die voldeed aan het signalement dat was verstrekt van een hardloper die op de Sanatoriumlaan een meisje had geslagen, zijnde verdachte. Verbalisanten besloten verdachte aan te houden ter zake van mishandeling. Op het moment dat verbalisanten bij verdachte stonden, heeft verbalisant [verbalisant 1] aan verdachte meegedeeld dat hij was aangehouden ter zake van mishandeling. Omdat verbalisant [verbalisant 1] het verleden van verdachte kende en er mee bekend was dat verdachte in een moment van opwelling van ogenschijnlijk rustig naar heel boos en agressief kan worden, besloot verbalisant [verbalisant 1] om verdachte meteen de transportboeien aan te leggen.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij de rechter arm van verdachte heeft vastgepakt om verdachte te kunnen boeien, dat hij zag en voelde dat verdachte daarop met kracht zijn arm terugtrok en lostrok vanuit de greep van verbalisant. Verbalisanten zagen dat verdachte, nadat hij op enig moment zijn rechter arm van achter zijn rug haalde, met zijn rechterhand verbalisant [verbalisant 1] bij zijn keel greep. Verbalisant [verbalisant 1] voelde de duim van verdachte aan de linkerzijde van zijn keel en de vingers van verdachte aan de rechterzijde van zijn keel. Verbalisant [verbalisant 1] voelde dat verdachte zijn duim iets naar zijn vingers toe bracht, en zag dat verdachte hem aankeek. Om te voorkomen dat verdachte de keel van verbalisant [verbalisant 1] zou dichtknijpen, heeft verbalisant [verbalisant 1] zijn pepperspray gepakt en verdachte in zijn gezicht gesprayd. Verbalisant [verbalisant 1] zag en voelde dat verdachte de keel van verbalisant losliet. Vervolgens is verdachte geboeid en naar het bureau van politie overgebracht.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 6 mei 2012 te Zeist, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met vlakke hand heeft geslagen in het gezicht, waardoor voornoemde Vlug letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

op 6 mei 2012 te Zeist, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde Vlug dreigend de woorden toegevoegd : "pas op, ik steek je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en daarbij een hand in zijn, verdachtes, jaszak deed en aldus bij die Vlug de indruk wekte dat hij een mes, althans een scherp voorwerp wilde pakken;

3.

op 6 mei 2012 te Zeist, toen een aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaar, te weten [verbalisant 1] (hoofdagent van Politie Utrecht) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een strafbaar feit, had aangehouden en had vastgegrepen, althans vast had, teneinde verdachte ter geleiding voor een hulpofficier van justitie over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen genoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden en voornoemde [verbalisant 1] bij de keel te pakken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. mishandeling;

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

3. wederspannigheid.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van de dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte met onmiddellijke ingang op vrije voeten te stellen, aangezien verdachte tot en met de dag van de terechtzitting al 99 dagen in voorarrest heeft doorgebracht en naar de mening van de verdediging alleen het eerste feit bewezen kan worden geacht.

De verdediging heeft voorts aandacht gevraagd voor het eventuele verlies van de eigen woning van verdachte indien bij een voortzetting van de gevangenhouding de gegevens in de GBA veranderen en de verhuurder daar mogelijk consequenties aan gaat verbinden.

De verdediging heeft er op gewezen dat verdachte gebaat is bij een eigen woning, behoud van zijn Wajong-uitkering, (vrijwilligers)werk en sporten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij merkt dat hij wordt tegengewerkt door de medewerkers van de Van der Hoevenkliniek, Altrecht en Kade 17, dat hij elk vertrouwen in deze medewerkers heeft verloren en dat hij zich niet thuis voelt op het PPC [naam]. Om die reden wenst verdachte, zodra hij vrij komt, zelf een (vrijgevestigde) psychiater te zoeken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van een voor hem onbekende vrouw. Hiermee heeft hij gevoelens van angst en onveiligheid bij haar teweeggebracht, vooral omdat die mishandeling en bedreiging zonder aanleiding op straat hebben plaatsvonden. Daarnaast heeft verdachte zich verzet tijdens zijn aanhouding, waarbij hij een politieagent bij de keel heeft gegrepen. Met deze reactie op zijn aanhouding heeft verdachte het ambtelijk gezag aangetast en inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de betreffende politieagent.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 juli 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld in verband met geweldsdelicten. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met een brief d.d. 8 mei 2012 van M. Boas, psychiater bij het NIFP Utrecht, die heeft gerapporteerd dat verdachte niet wil meewerken aan een Pro Justitia onderzoek en dat op basis van het korte consult een paranoïde waansysteem bij verdachte niet is uit te sluiten. De rechtbank gaat er vanuit dat er bij verdachte sprake is van psychiatrische problematiek, gelet op de eerdere opnames in psychiatrische instellingen, deels van recente datum. Op zitting maakte verdachte op de rechtbank geen stabiele indruk. In hoeverre de psychiatrische problematiek heeft geleid tot een eventuele verminderde toerekeningsvatbaarheid kan de rechtbank echter niet beoordelen omdat verdachte niet heeft willen meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 4 maanden passend en geboden.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 17 augustus 2011 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het belang bij het behoud van zijn woning, zijn precaire psychische toestand en de omstandigheid dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank wel in staat kan worden geacht een werkstraf te verrichten, zal de verdachte in de gelegenheid worden gesteld een werkstraf te verrichten in plaats van de (voorwaardelijk opgelegde) gevangenisstraf te ondergaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14g, 22c, 22d, 27, 57, 180, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: mishandeling

Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 3: wederspannigheid.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 17 augustus 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600381-11 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf zal worden vervangen door een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en mr. M.C. Oostendorp, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 augustus 2012.