Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6865

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
16-604066-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Verdachte reed veel harder dan de toegestane maximumsnelheid. Het slachtoffer, een fietser, liep zwaar lichamelijk letsel op. De rechtbank veroordeelt verdachte tot 100 uur voorwaardelijke werkstraf en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604066-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1971] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouw mr. B. Molleman, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen;

Subsidiair: zich zodanig op de openbare weg heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt dan wel het verkeer op die weg werd gehinderd.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op de verklaringen van de benadeelden, de geneeskundige verklaring betreffende de benadeelde [slachtoffer], de verklaringen van getuigen en het proces-verbaal verkeersongevalanalyse.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde feit. De verdediging wijst er daarbij op dat verdachte epilepsie heeft. Dat na het ongeval in het ziekenhuis is geconstateerd dat geen sprake was van een epileptisch insult bij verdachte ten tijde van het ongeval wil niet zeggen dat er op het moment van het ongeval niet enige vorm van een epileptische aanval aanwezig was. De verdediging voert daarbij aan dat verdachte zelf duidelijk aangeeft dat hij niet bij machte was om iets te doen en dat uit de koers die zijn auto heeft gevolgd ook blijkt dat hij niets kon doen. Daarnaast werd verdachte door het ambulancepersoneel wel contusioneel/

postictaal aangetroffen, aldus de verdediging. Posticaal is de toestand na een epileptisch insult. Naar de mening van de verdediging is daarom geen sprake van schuld in welk vorm dan ook en dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

De verdediging is voorts van mening dat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring kan komen van het subsidiair ten laste gelegde feit, maar dat ten aanzien van dit feit sprake is van afwezigheid van alle schuld, omdat er sprake is geweest van een toeval/partiële (epileptische) aanval dan wel een black out of een tijdelijke bewustzijnsstoornis waardoor verdachte niet bij machte was om keuzes te maken en zijn voertuig onder controle te houden. Verdachte dient daarom van het subsidiair ten laste gelegde feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de verdediging.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vanaf zijn twaalfde jaar epilepsie heeft en dat hij daarvoor medicatie slikt. In de periode waarin het ongeval plaatsvond maakte verdachte een moeilijke periode door. Er liep een scheidingsprocedure met zijn inmiddels ex-vrouw, zijn zoon stond onder behandeling wegens seksueel misbruik -hetgeen voor verdachte zwaar was omdat hij dit zelf ook had meegemaakt- en zijn huidige vriendin werd gestalkt door haar ex-vriend in verband waarmee een rechtszaak liep. Verdachte verklaarde dat hij door deze omstandigheden in die periode veel last had van stress en spanning.

Het rijden in een auto door personen die lijden aan epilepsie kan een groot risico opleveren en kan ernstige gevolgen hebben. Verdachte verklaarde hiermee bekend te zijn en dat hij juist om die reden niet vaak in een auto reed, alleen als het niet anders kon. In periodes van stress en spanning kunnen epileptische insulten of toevallen zich sneller voordoen. Verdachte verklaarde ook hiermee bekend te zijn. Verdachte gaf aan dat de stress en spanning in de periode van het ongeval mogelijk tot een wegraking/toeval hadden geleid op het moment dat hij in de auto reed en het ongeval plaatsvond.

Verdachte verklaarde voorts dat hij een half jaar voordat het ongeval plaatsvond nog een toeval/wegraking had gehad. Mogelijk hadden zich daarna ook nog toevallen/wegrakingen voorgedaan, maar dat wist verdachte niet, omdat hij er zelf niets van merkt en een toeval/wegraking dus onopgemerkt blijft als er niemand bij hem is.

De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte ten tijde van de opeenvolgende ongevallen zoals ten laste gelegd, in een toestand verkeerde waarin hij onmachtig was om een voertuig te besturen. De rechtbank acht eveneens aannemelijk dat deze toestand, welke door hem wordt aangeduid met een ‘toeval of wegraking’, zoals verdachte ook zelf stelt het gevolg was van de epilepsie waaraan verdachte lijdt. Verdachte wist dat een epileptische aanval dan wel een wegraking/toeval als gevolg van de epilepsie tijdens het autorijden ernstige gevolgen kon hebben voor zijn medeweggebruikers. Dat dergelijke ernstige gevolgen zich konden voordoen gold des te meer in de betreffende periode, omdat verdachte door genoemde persoonlijke omstandigheden in die periode veel stress en spanning ervoer en daardoor een verhoogde kans op een wegraking had. Dat verdachte wist dat hij een verhoogde kans liep op een wegraking en dat hij bekend was met de mogelijk enorme gevolgen in het verkeer voor zijn medeweggebruikers als hij in de auto achter het stuur in een bewusteloze toestand zou raken, heeft hem er niet van weerhouden om als bestuurder in de auto te stappen en met de auto te gaan rijden. Verdachte heeft daarmee bewust het risico genomen dat er wat zou gebeuren. De keuze van verdachte om in de auto te gaan rijden heeft vervolgens daadwerkelijk ernstige gevolgen gehad.

In de ‘Regeling eisen geschiktheid 2000’ zijn regels vastgelegd die gelden voor automobilisten met epilepsie. De algemene regel is dat mensen met epilepsie voor het kleine rijbewijs een jaar aanvalsvrij moeten zijn voordat zij (weer) mogen autorijden. Verdachte, die al vanaf zijn twaalfde jaar epilepsie heeft, mag worden verondersteld van deze regel op de hoogte te zijn en mòet zelfs van deze regel op de hoogte zijn. Verdachte heeft echter niet bij het CBR gemeld dat hij lijdt aan epilepsie en blijkbaar heeft hij verder ook geen acht geslagen op de regels die gelden voor het autorijden door mensen met epilepsie nu hij zelf verklaart (in ieder geval) een half jaar voor het ongeval nog een toeval te hebben gehad en hij mogelijk daarna nog wel eens een toeval heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte kan worden verweten dat hij, ondanks alle omstandigheden, als bestuurder in de auto is gestapt en als bestuurder met de auto is gaan rijden. Verdachte heeft daarmee zeer verwijtbaar gehandeld in die zin dat verdachte zeer onvoorzichtig is geweest.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Op 12 januari 2011 zag getuige [getuige] op de [adres] in Amersfoort een zwarte auto met hoge snelheid voorbij komen rijden over het trottoir en vervolgens weer over de weg. De zwarte auto raakte een andere auto en reed daarna door. De zwarte auto reed vervolgens met hoge snelheid tegen een meisje op een fiets aan. Het meisje vloog door de aanrijding met fiets en al door de lucht. De auto reed door en reed verderop tegen een boom aan , op het [adres]. Door de snelheid waarmee de bestuurder van de zwarte auto reed viel de boom om en viel deze op vier daar geparkeerd staande auto’s. Een vijfde auto raakte beschadigd door rondvliegende brokstukken van de zwarte auto.

Uit onderzoek van de politie is gebleken dat gezien de schade aan de Ford en de in tweeën gebroken boom het aannemelijk is dat de Ford over de gehele afstand is blijven accelereren en in ieder geval met een snelheid van boven de 100 kilometer per uur tegen de boom is gereden.

Benadeelde [benadeelde 1] was de bestuurder van de auto die door de zwarte auto werd geraakt. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij op 12 januari 2011 in zijn auto op de [adres] reed en dat hij een harde klap aan de achterzijde van zijn auto voelde. Direct daarna werd hij rechts ingehaald door een donkere personenauto, welke deels over de fietsstrook en deels over het trottoir reed. De auto reed met hoge snelheid door. De bumper aan de rechterachterzijde en het rechterachterlicht van zijn auto waren door de aanrijding kapot gegaan.

Benadeelde [benadeelde 2] liep over de stoep van de [adres] toen de donkere auto tegen het meisje op de fiets aanreed. Zij zag het meisje en haar fiets door de lucht vliegen. De fiets is vervolgens op het bovenlichaam van [benadeelde 2] terecht gekomen, waardoor zij met haar voorhoofd op de grond viel.

Ook benadeelde [benadeelde 3] liep op de [adres] toen de auto tegen het meisje op de fiets aanreed. Zij zag het meisje door de lucht vliegen en kreeg de fiets van het meisje tegen zich aan.

Het meisje op de fiets, [slachtoffer], is niet aanspreekbaar als de politie ter plaatse komt. Ten gevolge van de aanrijding heeft zij elf dagen in het ziekenhuis gelegen en is zij haar geheugen vanaf het ongeluk tot acht of negen dagen daarna kwijtgeraakt. Haar middenvoetsbeetjes waren gebroken, ze had gescheurde enkelbanden en een hersenkneuzing.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 12 januari 2011 op de [adres] de bestuurder van de zwarte Ford Galaxy was geweest. Verdacht moest iemand ophalen, maar hij reed de afslag die hij moest hebben voorbij. Verdachte wilde keren en terugrijden. In plaats van op de rem te trappen had verdachte op het gaspedaal getrapt. Verdachte verklaarde het gaspedaal helemaal te hebben ingetrapt en dat hij zijn voet niet van het gaspedaal had gehaald.

Verdachte heeft niet betwist dat hetgeen hiervoor is genoemd en ten laste is gelegd heeft plaatsgevonden en dat hij dit heeft veroorzaakt.

Gelet op het voornoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gehandeld en daardoor het ongeval zoals tenlastegelegd heeft veroorzaakt, waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ondanks het feit dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit komt en de rechtbank daarmee aan de bespreking van hetgeen de raadsvrouw ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft aangevoerd niet toekomt, overweegt de rechtbank nog dat indien je onder omstandigheden als waar in de onderhavige zaak sprake van is, als bestuurder in een auto stapt en daarmee bewust een risico voor de verkeersveiligheid neemt, vervolgens een beroep op afwezigheid van alle schuld voor een veroorzaakt verkeersongeval niet aan de orde kan zijn.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 12 januari 2011 te Amersfoort, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [adres], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig,

met het door hem bestuurde motorrijtuig te rijden met (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur

- tegen de rechterachterzijde van een voor hem rijdende personenauto en vervolgens

- tegen de achterzijde van een voor hem rijdende fiets bestuurd door [slachtoffer] waarna die fiets op het trottoir nog 2 voetgangers raakte en vervolgens

- ter hoogte van de T-splitsing met het [adres] tegen een (gezien zijn rijrichting aan de rechterzijde staande) boom waarna door het afgebroken deel van de boom, alsmede door rondvliegende autodelen nog 5 auto's werden beschadigd,

waardoor aan voornoemde fietsster, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel (te weten (onder andere) een hersenkneuzing en breuken in de rechter voorvoet) werd toegebracht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naast haar verzoek om vrijspraak voor het primair ten laste gelegde feit en ontslag van alle rechtsvervolging voor het subsidiair ten laste gelegde feit geen opmerkingen gemaakt over de eventueel op te leggen straf.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Het is aan de schuld van verdachte te wijten dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het ongeval heeft voor het meisje op de fiets grote gevolgen gehad en het is nog maar de vraag of zij ooit volledig zal herstellen. Ander slachtoffer hebben financiële schade opgelopen, doordat hun auto’s beschadigd zijn geraakt. Door te gaan rijden heeft verdachte een onaanvaardbaar groot risico genomen en heeft hij geen enkel verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van zijn medeweggebruikers getoond. Dat er geen sprake is geweest van nog ernstigere gevolgen is puur toeval geweest en is niet aan enig handelen van verdachte te danken.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 16 juli 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij er nog altijd veel last van heeft dat hij dit ongeval heeft veroorzaakt en dat het hem nog elke dag bezighoudt. Hij had na het ongeval contact opgenomen met de politie en de ouders van het meisje op de fiets, omdat hij wilde weten hoe het met haar ging. Hiermee heeft verdachte zijn betrokkenheid bij en bezorgdheid om het slachtoffer getoond. Verdachte verklaarde zich heel goed te realiseren dat het ook anders had kunnen aflopen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte is doordrongen van de ernst van hetgeen hij heeft gedaan. Verdachte had beter moeten weten en zijn verantwoordelijkheid moeten nemen door niet te gaan rijden. Ondanks dat verdachte zich bewust was van de verhoogde risico’s op dat moment heeft verdachte dat toch gedaan. Daar komt bij dat verdachte ter zitting aangaf dat hij van het CBR weer mag rijden. Zijn rijbewijs ligt klaar om opgehaald te worden. Uit de stukken die hij dienaangaande heeft overgelegd blijkt overigens dat hij op

17 maart 2011 tegenover de keuringsarts heeft verklaard dat hij denkt dat hij ten tijde van het door hem veroorzaakte ongeluk géén epileptische aanval heeft gehad. De keuringsarts concludeert vervolgens dat het niet geheel duidelijk is of het ongeval zich voordeed doordat betrokkene een epileptische aanval doormaakte. Verdachte heeft aangegeven dat hij zijn rijbewijs gaat ophalen, omdat hij toch weer wil kunnen autorijden als dat nodig is. De rechtbank acht dit zeer onverantwoord, te meer nu de informatie die verdachte aan de keuringsarts heeft gegeven wezenlijk anders is dan de informatie die hij ter zitting heeft gegeven, namelijk dat wèl sprake was van een epileptisch insult, in de vorm van een toeval/wegraking. De rechtbank is daarom van oordeel dat voor langere tijd moet worden voorkomen dat verdachte gaat rijden. Nu is gebleken dat verdachte zich niet vrijwillig van het autorijden zal onthouden, zal de rechtbank hem een lange onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen.

Daarnaast acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke werkstraf passend en geboden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte al ernstig genoeg is getroffen door wat er is gebeurd en dat een onvoorwaardelijke werkstraf in deze zaak geen toegevoegde waarde heeft. Het belangrijkste doel is dat verdachte voorlopig niet meer de weg op gaat en dat doel wordt gerealiseerd door de onvoorwaardelijke rijontzegging.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar, alsmede een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van honderd uur subsidiair vijftig dagen hechtenis passend en geboden en zij zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 5 jaar;

- bepaalt dat de tijd dat het rijbewijs van verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingeleverd is geweest in mindering wordt gebracht op de rijontzegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Somsen, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en

mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 september 2012.