Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6725

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
SBR 12-2456
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Wob verzoek; informatie van politieke partijen betrokken bij het begrotings - of Lenteakkoord. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 12/2456

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 augustus 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. B.J.S.A.A.F. de Winter),

en

de minster van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J. Daalder).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd de door verzoekster met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gevraagde documenten over het begrotingsakkoord te verstrekken.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2012. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoekster is parlementair journaliste. Zij houdt zich onder meer bezig met het volgen van het verkiezingsproces. Eiseres heeft met een beroep op de Wob verzocht om alle informatie die verweerder heeft verstrekt aan de partijen die het begrotingsakkoord (ook: het Lenteakkoord of wandelgangenakkoord genoemd) hebben uitonderhandeld. Concreet heeft eiseres verzocht om:

1. De informatieverslagen die de politieke partijen PVV, CDA, VVD, D66, Groen Links, PvdA en ChristenUnie in de periode oktober 2011 tot en met april 2012 buiten de gewone Kamervragen om bij verweerder hebben ingediend, inclusief de inhoud van die aanvragen en alle bijbehorende documenten.

2. Iedere vorm van contact inclusief de datum, strekking en eventuele weergave/notulen daarvan, tussen de politieke partijen PVV, CDA, VVD, D66, Groen Links, PvdA dan wel ChristenUnie en vertegenwoordigers van het ministerie.

3. Interne en externe communicatie met inbegrip van gewisselde documenten.

Het gaat eiseres daarbij niet alleen om papieren gegevensdragers maar ook om computerbestanden en databases, waaronder brieven, memo’s, e-mail- en faxberichten, vergaderverslagen, voortgangsrapportages en planningen. Voor zover de gevraagde documenten niet of niet meer onder verweerder berusten, heeft eiseres verweerder verzocht om doorgeleiding van haar verzoek naar andere bestuursorganen.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit verklaard dat bepaalde documenten niet bestaan en voor het overige geweigerd om de gevraagde documenten op grond van de Wob openbaar te maken.

4. In het kader van het spoedeisend belang heeft verzoekster naar voren gebracht dat de documenten belangrijk zijn voor het publieke debat op weg naar de verkiezingen van 12 september 2012. Het belang voor een goede uitoefening van haar taak als journaliste bij openbaarmaking van de documenten op een moment vóór de verkiezingen vormt het spoedeisende belang. Verweerder heeft hiertegenover gesteld dat het verkrijgen van inzicht in de onderhandelingen tussen de betreffende fracties geen belang is dat de Wob beoogt te dienen nu de Wob niet beoogt om controle op de actoren in het politieke proces mogelijk te maken. Volgens verweerder staat dit ook op gespannen voet met de vrijheid om deel te nemen aan de verkiezingen zoals gegarandeerd in de internationale verdragen.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoekster heeft aangevoerd geen reden vormt om te oordelen dat er geen enkel spoedeisend is bij dit verzoek om voorlopige voorziening. Gelet op de komende verkiezingen van 12 september 2012 en het feit dat het begrotingsakkoord daarbij een thema kan vormen, volgt de voorzieningenrechter verzoekster in haar betoog dat er uit journalistiek oogpunt een mate van haast is. Dat het politieke proces, waarin verzoekster inzicht wil verkrijgen, als zodanig niet onder de werkingssfeer van de Wob valt, is geen reden om aan te nemen dat er sowieso geen spoedeisend belang zou zijn. Het gaat in deze zaak om het grensvlak tussen bestuur en politiek. Ook de vrijheid om deel te nemen aan verkiezingen is als zodanig geen reden om te oordelen dat daarom elk spoedeisend belang ontbreekt. Dat betekent dat de voorzieningenrechter inhoudelijk op de kwestie ingaat.

6. Het verzoek om openbaarmaking heeft betrekking op de documenten over de totstandkoming van het begrotingsakkoord dat op 26 april 2012 is gesloten tussen de Tweede-Kamerfracties van VVD, CDA, D66, GroenLinks en ChristenUnie over de begroting 2013. De door verweerder overgelegde stukken zien op een groot aantal e-mails die gedurende de besprekingen van de betrokken politieke partijen in de aanloop naar het begrotingsakkoord zijn verzonden en ontvangen door de plaatsvervangend directeur Algemene Financiële en Economische Politiek (AFEP) die verweerder bij zijn faciliterende activiteiten heeft begeleid. De e-mails bevatten verzoeken van de plaatsvervangend directeur AFEP aan andere ambtenaren van verweerders ministerie om informatie op verzoek dan wel ten behoeve van de onderhandelende politieke partijen. Daarnaast betreft het (vervolg) e-mails die binnen verweerders ministerie met andere ministeries zijn gewisseld met het oog op het verzamelen van informatie ten behoeve van de onderhandelende politieke partijen. De resultaten van die e-mailwisselingen zijn terug te vinden in de e-mails van de plaatsvervangend directeur AFEP. In verband met de hoeveelheid documenten waarop het verzoek ziet in relatie tot de beperkte tijd gelegen tussen het verzoek en de verkiezingen van 12 september 2012 en het feit dat het verzoek erop is gericht om vóór de verkiezingen over de documenten te kunnen publiceren, heeft de voorzieningenrechter uit een oogpunt van proceseconomie en realistische haalbaarheid aanvaard dat verweerder slechts een deel van de gevraagde documenten ter vertrouwelijke kennisneming heeft toegezonden aan de rechtbank. Ter zitting heeft verzoekster verklaard zich met deze aanpak van de voorzieningenrechter te kunnen verenigen. Gelet op de coördinerende rol van de plaatsvervangend directeur AFEP bij de onderhandelingen ligt het in de rede dat de voorzieningenrechter met de door verweerder toegezonden e-mails de kern van de zaak te pakken heeft.

7. Verzoekster heeft betoogd dat het verzoek om informatie te beperkt is opgevat, omdat het ziet op alle informatie in de aanloop naar het begrotingsakkoord, dus ook de informatie van alle betrokken politieke partijen over de periode vanaf het Catshuisoverleg, inclusief de vragen van de fracties van PvdA en PVV. Verweerder heeft verklaard dat in de periode oktober 2011 tot april 2012 geen van de betrokken politieke partijen zich rechtstreeks tot hem hebben gewend met vragen om informatie. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het vaste rechtspraak is dat de Wob alleen recht geeft op informatie voor zover deze is neergelegd in documenten en niet verplicht niet tot het vergaren van informatie dan wel het bewerken of opstellen van documenten. Wanneer, zoals in dit geval, een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van 20 oktober 2010 (LJN: BO1189). Verzoekster heeft in dat kader gesteld dat niet uit te sluiten valt dat meer partijen informatieverzoeken hebben ingediend. Verzoekster gaat op dit punt uit van veronderstellingen die ertoe strekken dat die informatieverzoeken zouden moeten bestaan. Dat deze stukken daadwerkelijk bestaan, is daarmee niet aannemelijk gemaakt. Van een onjuiste interpretatie van het verzoek om informatie door verweerder, zoals verzoekster heeft betoogd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom geen sprake. Voor zover het verzoek ziet op verweerders ministerie ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding te oordelen dat het verzoek onvolledig is afgehandeld.

8. Voorzieningenrechter overweegt dat ter zitting met partijen is afgestemd dat voor zover het verzoek om openbaarmaking ziet op informatie afkomstig van andere ministeries, verweerder in bezwaar daarover nader zal beslissen en zal bezien of doorgeleiding van het verzoek tot openbaarmaking aangewezen is. Datzelfde geldt voor de bezwaargrond van verzoekster die ziet op het passeren van haar gemachtigde als rechtsbijstandverlener. Deze gronden lenen zich ook niet goed voor een beoordeling in een voorlopige- voorzieningprocedure. Deze bezwaargronden zal de voorzieningenrechter daarom hier buiten bespreking laten.

9. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat het haar niet is te doen om enige gegevens die tot personen herleidbaar zijn, maar alleen om feiten. Voor zover de e-mails in het aan- of (b)cc-vak namen van ambtenaren, functieomschrijvingen of dergelijke kenmerken bevatten en voor zover de e-mails namen, functieomschrijvingen, telefoonnummers, kamernummers en dergelijke kenmerken bevatten, bestaat in ieder geval in het kader van deze voorlopige- voorzieningprocedure geen verschil van mening tussen partijen dat deze buiten openbaarmaking mogen worden gehouden.

10. De voorlopige-voorzieningprocedure in het bestuursrecht heeft nadrukkelijk betrekking op het al of niet treffen van een voorlopige voorziening die noodzakelijk is in afwachting van een bodembeslissing, hetzij de beslissing op bezwaar, hetzij de beslissing in rechte. Toewijzing van een verzoek om voorlopige voorziening in een Wob-zaak heeft naar haar aard juist geen voorlopige strekking, maar een definitieve, onomkeerbare strekking. Zo'n toewijzing houdt, toegespitst op het nu voorliggende geval, in dat verweerder de gegevens waarvan hij openbaarmaking heeft geweigerd aan verzoekster zou moeten verstrekken. Zoiets kan in ieder geval feitelijk niet meer ongedaan worden gemaakt. Daarom is de voorzieningenrechter over het algemeen heel terughoudend met het treffen van een voorlopige voorziening in Wob-zaken. Gelet hierop en gelet op de betrokken belangen, zal de voorzieningenrechter beoordelen of er zwaarwegende belangen zijn die tot openbaarmaking in het kader van deze voorlopige voorzieningprocedure nopen. Ook als buiten twijfel is dat een bepaald document of deel daarvan openbaar moet worden gemaakt, kan er aanleiding zijn om een voorlopige voorziening te treffen.

11. Met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter kennis genomen van de verstrekte documenten. Verzoekster heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

12. Verzoekster voert aan dat verweerder handelt in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur door openbaarmaking van de gevraagde informatie in zijn geheel te weigeren (containerbeslissing) in plaats van per document te beslissen. Dat het gaat om een grote hoeveelheid e-mails maakt een beslissing per document niet onmogelijk.

13. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en aangevuld ter zitting op het standpunt gesteld dat openbaarmaking van de e-mails wordt geweigerd wegens het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van de persoonlijke beleidsopvattingen van de betrokken ambtnaar. Los daarvan is verweerder van oordeel dat met oog op de komende verkiezingen en een nieuw te vormen kabinet, het belang van openbaarmaking van de e-mails niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de onderhandelingen betrokken politieke partijen of onevenredige bevoordeling van de overige politieke partijen.

14. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob, voor zover van belang, kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan. Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wob wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: (…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. (…);

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob, wordt, ingeval van een verzoek om informatie uit documenten opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gevraagde documenten over het begrotingsakkoord informatie bevatten over een voorbereiding van een bestuurlijke aangelegenheid en daarmee vallen onder het bereik van artikel 3, eerste lid, van de Wob. Daarvoor acht de voorzieningenrechter redengevend dat de documenten informatie bevatten over economische en budgettaire effecten van mogelijk in te brengen voorstellen van de betrokken vijf politieke partijen. Nu ingevolge artikel 1, aanhef, en onder b, van de Wob onder bestuurlijke aangelegenheid mede moet worden verstaan de voorbereiding van een bestuurlijke aangelegenheid en het woord "bestuurlijk” blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II 19 859, nr. 3, p. 25) ruim moet worden opgevat en betrekking heeft op het openbaar bestuur in al zijn facetten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de documenten van verweerder betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid. De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar de uitspraak van de ABRvS van 6 mei 2004 (LJN: AO8873). Dat, naar verweerder heeft gesteld, het initiatief om een begrotingsakkoord tot stand te brengen is uitgegaan van de betrokken fracties en niet van het kabinet, maakt dat niet anders, temeer daar het kabinet op 27 april 2012 heeft besloten om het door de fracties gesloten begrotingsakkoord over te nemen.

16. De voorzieningenrechter overweegt dat volgens de vaste rechtspraak van de ABRvS in beginsel per document of onderdeel daarvan moet worden afgewogen of er op basis van een uitzonderings- of beperkingsgrond dan wel een combinatie daarvan, reden is om niet tot openbaarmaking over te gaan. Daarvan kan onder omstandigheden worden afgezien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van 28 april 2010 (LJN: BM2629).

17. In het kader van de te maken belangenafweging in het kader van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob heeft verweerder naar voren gebracht dat de gevraagde informatie inzicht biedt in de voorstellen die de politieke partijen hebben overwogen en die vervolgens al dan niet zijn ingebracht in de onderhandelingen. Volgens verweerder doet openbaarmaking van die informatie afbreuk aan de bescherming van vertrouwelijkheid waarin deze standpunten zijn geformuleerd en kan het vertrouwen en de verstandhouding tussen regeringspartijen, kabinet, specifieke bewindspersonen en Kamerfracties verstoord raken en onder druk komen te staan en daardoor de uitvoering van het begrotingsakkoord door de regeringspartijen, kabinet en bewindspersonen en Kamerfracties belemmeren. Verweerder meent daarom dat het publiek belang dat kennis wordt genomen van wat vertrouwelijk tussen de Kamerfracties is gewisseld minder weegt dan het belang van de handhaving van de vertrouwelijkheid van het besluitvormingsproces binnen de Tweede Kamer. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen waarop verweerder zich heeft beroepen hier aan de orde zijn. Dat vergt dan dus een afweging van belangen. De e-mails bieden inzicht in al dan niet daadwerkelijk in de onderhandelingen ingebrachte en al dan niet gehandhaafde interne standpunten van de betrokken vijf politieke partijen die het begrotingsakkoord tot stand hebben gebracht en eventuele andere politieke partijen die uiteindelijk geen deel hebben uitgemaakt van het skkorrd. Zij zijn in die zin vergelijkbaar met de documenten over de (in)formatieonderhandelingen waarover de ABRvS in haar hiervoor al genoemde uitspraak van 6 mei 2004 (LJN: AO8873) heeft geoordeeld dat deze een geheimhouding rechtvaardigen. De documenten bieden niet alleen inzicht in wat tussen partijen is besproken maar ook in wat niet is besproken. Het begrotingsakkoord van 26 april 2012 is gelijk te stellen aan het maken van politieke keuzes waarop de informatiefase bij de totstandkoming van een nieuw kabinet betrekking heeft en de financiële begrotingsverantwoordelijkheid die daarbij centraal staat. Dat bij het begrotingsakkoord geen (later politiek verantwoordelijke) ministers en staatssecretarissen zijn benoemd, is juist, maar dat is geen doorslaggevend verschil met de documenten over de (in)formatiefase. Ook voor de informatiefase geldt dat alleen als die wordt gevolgd door een geslaagde formatiefase er een verband kan worden gelegd tussen die informatiebesprekingen enerzijds en de latere politieke verantwoordelijkheiddragers anderzijds. Deze redenering van verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelding voor bijna alle (delen van) documenten. Daarvoor heeft verweerder zich dus op het standpunt mogen stellen dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob zich verzet tegen openbaarmaking van de gevraagde documenten. Een kleine categorie delen van documenten behoeft hierna onder 19 aparte bespreking. Dat, naar verzoekster heeft gesteld, "de politieke partijen" zelf geen bezwaar hebben tegen openbaarmaking van de informatie, acht de voorzieningenrechter daarbij niet van doorslaggevend belang. In de eerste plaats is niet gebleken dat dit om alle betrokkenen gaat. In de tweede plaats gaat het niet alleen om de huidige gespreksdeelnemers, maar ook om het belang bij toekomstige besprekingen als deze. Evenmin acht de voorzieningenrechter doorslaggevend dat de politieke partijen zelf het begrotingsakkoord zouden hebben ondermijnd door aan te kondigen dat zij met eigen plannen een nieuwe begroting willen.

18. De voorzieningenrechter stelt in het kader van artikel 11, eerste lid, van de Wob vast dat verreweg de meeste e-mails, op een enkele na, zijn gewisseld tussen ambtenaren onderling en in zoverre interne beraadslaging vormen. Sommige berichten bevatten niet alleen persoonlijke beleidsopvattingen, maar ook naakte feiten, zoals cijfers, ramingen en prognoses voor de economie. Zo bevatten sommige e-mails neutrale informatie, soms futiel van aard, soms van geobjectiveerde aard. Daarnaast bevatten de e-mails persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren al dan niet in de vorm van een kennelijk door die ambtenaar of een collega-ambtenaar gemaakte berekening of overzicht over een onderwerp dat mogelijk door de betrokken fracties voor de totstandkoming van het begrotingsakkoord relevant wordt geacht.

19. Voor zover het gaat om e-mails tussen ambtenaren en voor zover die e-mails betrekking hebben op "harde" cijfermatige gegevens die niet door de betrokken ambtenaren zelf zijn opgesteld, kan niet eenvoudig en categoraal worden geoordeeld dat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wob, terwijl de onevenredige benadeling van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob ook niet eenvoudig en categoraal aan het besluit ten grondslag kan worden gelegd. Gelet op de positie van een verzoeker die in een Wob-procedure per definitie minder eenvoudig kan achterhalen waarop een weigeringsgrond precies betrekking heeft, oordeelt de voorzieningenrechter dat de motivering waarop verweerder op (delen van) documenten een bepaalde weigerinsgrond van toepassing acht in ieder geval zo inzichtelijk moet maken dat in dit geval verzoekster zich daar in rechte voldoende tegen kan keren. Op het punt van "harde" cijfermatige gegevens die niet door de betrokken ambtenaren zelf zijn opgesteld, behoeft verweerders motivering in de beslissing op bezwaar aanvulling. De algemene overwegingen dat ook die gegevens inzicht geven, in het bijzonder over datgene waaraan mogelijk géén aandacht is besteed bij de besprekingen, en dat ook openbaarmaking daarvan een inbreuk is op de toegezegde vertrouwelijkheid, zijn onvoldoende om dit te motiveren, zeker nu niet vast staat dat algehele vertrouwelijkheid aan alle gespreksdeelnemers is toegezegd. De enkele veronderstelling dat dat naar zijn aard hoort bij dit soort besprekingen, is onvoldoende.

20. Ook op een ander punt zal verweerder, indien hij aan dat standpunt vasthoudt, in de beslissing op bezwaar nader moeten motiveren of, zoals ter zitting gesteld, de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob betrekking heeft op alle (delen van) documenten. De e-mails bevatten immers ook allerhande gegeven van futiele aard, waarvan dat niet zo maar inzichtelijk is. De voorzieningenrechter realiseert zich dat deze omschrijving ("allerhande gegevens van futiele aard") ook voor verweerder lastig hanteerbaar is, maar in het kader van deze voorlopige-voorzieningprocedure en gelet op het delicate karakter van het geven van een omschrijving zonder de inhoud van de documenten prijs te geven, moet hiermee worden volstaan.

21. Verzoekster voert vervolgens aan dat de documenten deels milieu-informatie bevatten en dat weigering tot openbaarmaking daarvan in strijd is met het Verdrag van Århus.

22. In de stukken en in wat verzoekster heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat de gevraagde documenten milieu-informatie bevatten waarop het Verdrag van Århus betrekking heeft.

23. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat weigering van openbaarmaking van de documenten een inbreuk maakt op het recht op vrije nieuwsgaring, zoals dat is gegarandeerd in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoekster heeft vanwege haar functie als parlementair journaliste een rol als publieke waakhond binnen het maatschappelijke debat. Volgens verzoekster wordt door de categorale weigering gezien de komende verkiezingen de vrijheid van meningsuiting onaanvaardbaar aangetast. Verzoekster heeft hiervoor verwezen naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 14 april 2009, Társaság a Szabadságjogokért tegen Hongarije (LJN: BJ2197). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Wob in dit geval een voldoende wettelijke grondslag biedt om een eventuele inperking van een uit artikel 10, eerste lid, van het EVRM voortvloeiend recht op informatie te rechtvaardigen.

24. Voorop staat dat in de Nederlandse openbaarheidswetgeving, waarbij als uitgangspunt geldt dat "openbaar voor één, is openbaar voor allen", niet snel ruimte bestaat om een journalist een andere plek toe te bedelen dan enig andere verzoeker om openbaarheid. Zoals volgt uit de uitspraken van de ABRvS van 19 januari 2011 (LJN: BP1315 en BP1316) vereist artikel 10 van het EVRM niet dat alle informatie wordt verstrekt of wordt openbaar gemaakt en biedt dat artikel staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaarmaken van gegevens en documenten. Bijvoorbeeld in het belang om in vertrouwelijke sfeer te kunnen "brainstormen" zonder vrees voor gezichtsverlies en het kunnen waarborgen dat bij de vormgeving van het beleid de betrokkenen in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen kunnen uiten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met de bepalingen van de Wob en dus bij wet de beperking van het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM vervatte recht om inlichtingen te ontvangen is voorzien. In dit geval bestaat geen aanleiding om te oordelen dat de inperking verder gaat dan artikel 10, tweede lid, van het EVRM toelaat. Verweerder heeft dan ook met juistheid overwogen dat artikel 10 van het EVRM niet is geschonden door niet tot openbaarmaking van de e-mails over te gaan. Het betoog slaagt niet.

25. Waar verzoekster heeft gezegd dat als dan niet hele documenten openbaar kunnen worden gemaakt, dan toch eenvoudig met samenvattingen zou kunnen worden volstaan, miskent zij de systematiek van de Wob. Pas als een document openbaar moet worden gemaakt, is de daarna volgende vraag op welke wijze dat openbaar moet worden gemaakt en daarbij kan het verstrekken van een samenvatting een rol spelen.

26. Waar verzoekster met een beroep op enige beginselen (fair play, verbod van détournement de procédure en rechtszekerheid) heeft betoogd dat verweerder obstructie pleegt om te voorkomen dat zij tijdig over de stukken kan beschikken, constateert de voorzieningenrechter dat verweerder zich totnogtoe heeft gehouden aan de hem gestelde termijnen om te reageren op verzoeken dan wel rechtsmiddelen van verzoekster en er geen aanleiding is aan te nemen dat hij dat verder niet zal doen. Dat er stomweg weinig tijd ligt tussen het begrotingsakkoord en de komende verkiezingen, maakt niet dat moet worden geoordeeld dat verweerder genoemde beginselen heeft geschonden.

27. Zoals de voorzieningenrechter hiervoor heeft geoordeeld zal verweerder in de beslissing op bezwaar, indien hij aan zijn standpunt wenst vast te houden, wat bepaalde categorieën van delen van documenten betreft nader moeten motiveren waarom openbaarmaking daarvan wordt geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, of artikel 11, eerste lid, van de Wob. Dat staat hiervoor onder 19 en 20. Verder staan hiervoor onder 8 en 9 drie punten die buiten deze voorlopige-voorzieningprocedure zijn gebleven, maar die in de beslissing op bezwaar wel aandacht behoeven. Dat wat onder 19 staat, betekent nog niet dat daarmee buiten twijfel staat dat er geen grond bestaat om openbaarmaking te weigeren. Voor het grootste deel vallen de e-mails immers naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob en voor de overige delen van documenten geldt dat hiervan nader moet worden gemotiveerd of zij vallen onder de sfeer van dat artikelonderdeel of dat van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Dat het nadere motivering behoeft, betekent niet dat buiten twijfel staat dat het openbaar moet worden gemaakt. Wat onder 20 staat, gaat alleen over de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob. Het belang dat verzoekster als journaliste bij haar verzoek heeft, te weten het schrijven van een artikel voor de verkiezingen van 12 september 2012 levert weliswaar een groot belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, maar de gevoeligheid van de informatie, mede in relatie tot de recentheid daarvan, leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat daarom geen sprake is van een zo zwaarwegend spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

28. Over het verzoek van verzoekster om zelf in de zaak te voorzien overweegt de voorzieningenrechter dat dat, zoals besproken ter zitting, sowieso te ver gaat. Ook treft hij, zoals volgt uit het voorgaande, geen voorlopige voorziening door het geven van aanwijzingen aan verweerder over het openbaarmaken van stukken. Ten slotte ziet hij geen aanleiding om te beslissen dat de verkiezingen worden opgeschort, omdat deze oplossing juridisch in te ver verwijderd verband staat tot het besluit waarover de voorlopige-voorzieningprocedure gaat. Dat ze feitelijk met elkaar verband houden, is daarvoor onvoldoende. Het verzoek wordt dus afgewezen.

29. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

30 augustus 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.