Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6660

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
16.655808-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak diefstal uit auto's, veroordeling voor opzetheling. Gevangenisstraf 7 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.655808-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1991] te [geboorteplaats] (Litouwen)

thans gedetineerd te PI Utrecht, HvB Wolvenplein

raadsvrouw mr. M.K.J. Dikkerboom, advocaat te Amersfoort

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is tegelijk maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer 16.655809-12.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 10 mei 2012 te Driebergen-Rijsenburg:

feit 1: primair samen met een ander navigatiesystemen uit auto’s heeft gestolen, subsidiair navigatiesystemen heeft geheeld;

feit 2: in Nederland heeft verbleven terwijl hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 1 en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1: de aangiften, de bevindingen van de verbalisanten en het onderzoek naar de herkomst van de navigatiesystemen. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte niet geloofwaardig.

Ten aanzien van feit 2: de beschikking tot ongewenstverklaring, het door verdachte ondertekende uitreikingsblad en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 augustus 2011.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair onder 1 ten laste gelegde feit en voert daartoe het volgende aan.

Het onderzoek naar de herkomst van de navigatiesystemen kan niet worden gebruikt als bewijs voor de auto-inbraken, omdat hiermee niet kan worden vastgesteld dat de bij verdachte aangetroffen navigatiesystemen afkomstig zijn uit de voertuigen waarvan aangifte is gedaan. Voor alle navigatiesystemen geldt dat in de aangifte het serienummer ontbreekt en voorts geldt voor een van de drie navigatiesystemen dat het onderzoek van de politie slechts heeft geleid naar een vermoedelijk voertuig. Bovendien is er geen sporenonderzoek gedaan, waardoor er onvoldoende bewijs is dat verdachte degene is die de bij hem aangetroffen navigatiesystemen heeft gestolen.

De verdediging is van mening dat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring kan komen van het subsidiair onder 1 en het onder 2 ten laste gelegde feit. De verdediging wijst daarbij op de verklaring van verdachte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vrijspraak

Feit 1, primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en overweegt hiertoe dat er onvoldoende bewijs is dat het verdachte was die de auto-inbraken, waarvan aangifte is gedaan, heeft gepleegd.

[verdachte] is, samen met medeverdachte [medeverdachte], weliswaar aangetroffen in de omgeving van de plaatsen waar is ingebroken in de voertuigen in het bezit van een drietal navigatiesystemen (bij in ieder geval twee navigatiesystemen is vastgesteld dat deze afkomstig waren uit de voertuigen waarvan aangifte is gedaan) maar het tijdstip van de inbraken in de auto’s (in de nacht van 9 op 10 mei 2012) is niet nauwkeurig genoeg om enkel aan de hand daarvan te kunnen vaststellen dat het verdachte (die tussen 4.05 en 4.22 uur met de navigatiesystemen is aangetroffen) was die, al dan niet samen met medeverdachte [medeverdachte], onderhavige navigatiesystemen daadwerkelijk uit de voertuigen heeft gestolen. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat er geen sporenonderzoek heeft plaatsgevonden.

4.3.2 Vaststelling van de feiten

Feit 1, subsidiair

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Op 10 mei 2012, omstreeks 4.05 - 4.22 uur , zijn verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte] te Driebergen-Rijsenburg aangehouden. In de fietstas van verdachte [medeverdachte] zijn door de politie navigatiesystemen aangetroffen. Twee van de navigatiesystemen bleken in de nacht van 9 op 10 mei 2012 uit auto’s te zijn ontvreemd.

Verdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij en medewerdachte [verdachte] door Poolse personen waren gevraagd of zij goederen wilden vervoeren naar Amsterdam. Zij kregen daarop fietsen met fietstassen waarin spullen zaten. Toen ze in de fietstassen keken zagen ze dat er onder andere navigatiesystemen in zaten.

[verdachte] heeft verklaard dat hij een fiets naar Amsterdam moest brengen en dat hij daarvoor geld zou krijgen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij in de tassen heeft gekeken en dat hij zag dat daarin navigatiesystemen zaten.

De rechtbank acht, gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan opzetheling.

Aanvullende bewijsoverweging

De verdediging heeft ten aanzien van het onderzoek naar de herkomst van de navigatiesystemen bepleit dat dit niet kan worden gebruikt voor het bewijs, omdat door de verdediging niet kan worden gecontroleerd hoe is onderzocht op welke wijze de navigatiesystemen aan de voertuigen zijn gelinkt.

De rechtbank overweegt dat het onderzoek naar de herkomst van de navigatiesystemen is uitgevoerd door het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit en dat de rechtbank geen reden heeft om aan het onderzoek te twijfelen.

Feit 2

De rechtbank acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Bij beschikking van de Minister voor Immigratie en Asiel d.d. 10 juni 2011 is verdachte ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet. Deze beschikking is op 22 juni 2011 aan verdachte in persoon uitgereikt. Op 10 mei 2012 is verdachte te Driebergen-Rijsenburg aangehouden.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 21 augustus 2012 erkend dat hij heeft getekend voor ontvangst van de ongewenstverklaring en dat aan hem is verteld dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard, maar dat hij desondanks na zijn uitzetting is teruggekeerd naar Nederland.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. Subsidiair

op 10 mei 2012 te Driebergen-Rijsenburg tezamen en in vereniging met een ander navigatiesystemen voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die navigatiesystemen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

2.

op 10 mei 2012 te Driebergen-Rijsenburg als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67, eerste lid aanhef onder b van de Vreemdelingenwet, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1, subsidiair: medeplegen van opzetheling.

Feit 2: als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van de periode die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het voldoende is om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte, ten tijde van de uitspraak, reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

De verdediging merkt daarbij het volgende op. Wat betreft de aanhouding zijn in het dossier onjuistheden geslopen ten aanzien van de tijdstippen. Dit is achteraf door de politie hersteld, maar voor de verdediging is de juistheid van de aanhouding niet meer verifieerbaar. Hierbij dient mede in overweging te worden genomen dat de weg welke centraal staat rond de melding en de aanhouding, de Arnhemsebovenweg, lang is en loopt van Zeist tot Driebergen. De tijdstippen zijn dan ook belangrijk. Naar de mening van de verdediging is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering waarvan verdachte nadeel heeft ondervonden. Dit dient te leiden tot strafvermindering.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht door in Nederland te verblijven, terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard en het hem dus niet was toegestaan in Nederland te verblijven. Verdachte was reeds uitgezet, maar is vervolgens weer teruggekeerd naar Nederland. Het opzettelijk handelen in strijd met de bepalingen van de vreemdelingenwetgeving en met de daarop gegronde beslissingen van de autoriteiten, is een voor de Nederlandse samenleving bezwarend delict.

Verdachte heeft zich voorts, terwijl hij hier te lande reeds tot ongewenst vreemdeling was verklaard, schuldig gemaakt aan heling nu hij navigatiesystemen voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat deze gestolen waren. Verdachte moest deze naar eigen zeggen voor anderen vervoeren. Verdachte heeft op deze wijze bijgedragen aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit, die immers alleen loont wanneer er afnemers zijn voor gestolen goederen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de justitiële documentatie van 12 juli 2012. Daaruit blijkt dat verdachte in de korte periode dat hij in Nederland verblijft eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder heling en auto-inbraken.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij klaarblijkelijk zijn eigen land heeft verlaten om in Nederland strafbare feiten te plegen. Door zo te handelen draagt hij er mede aan bij dat andere allochtonen, die zich in Nederland trachten te vestigen, daarbij steeds meer tegenwerking ondervinden.

De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dat dit dient te leiden tot strafvermindering. De rechtbank is met de verdediging van mening dat er in het dossier onduidelijkheden zitten met betrekking tot het tijdstip van de aanhouding van verdachte. Dit levert een vormverzuim ex artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering op. De rechtbank twijfelt echter niet aan de gang van zaken zoals deze door de politie is geverbaliseerd en is dan ook van oordeel dat de verdachte hiervan geen nadeel heeft ondervonden. De rechtbank zal om die reden dan ook geen consequenties verbinden aan voormeld vormverzuim.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal dan ook aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van de periode dat hij reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] geheel en hoofdelijk wordt toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2] hoofdelijk wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.343,- (de kosten van het inbouwen van een kluis zijn onvoldoende onderbouwd) en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu niet kan worden vastgesteld dat het navigatiesysteem dat bij verdachte is aangetroffen afkomstig is uit de auto van de benadeelde partij.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2] dient te worden afgewezen, omdat er naar de mening van de verdediging sprake is van heling en het aldus geen rechtstreekse schade betreft. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat, indien de rechtbank de voornemens is de vordering toe te wijzen, de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.343,-. De kosten van de inbouw van een kluis in de auto zijn te ver verwijderd van het tenlastegelegde feit.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [bedrijf 1] vordert een schadevergoeding van

€ 2.928,05 voor feit 1.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Niet kan worden vastgesteld dat het navigatiesysteem dat bij verdachte is aangetroffen afkomstig is uit de auto van deze leasemaatschappij. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [bedrijf 2] vordert een schadevergoeding van € 1.437,- voor feit 1.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Uit het dossier kan niet worden afgeleid of de leasemaatschappij het navigatiesysteem reeds terug heeft gekregen en in hoeverre dit de schade beperkt. Tevens is niet voldoende duidelijk in hoeverre de inbouw van een kluis valt onder schade door de heling van het navigatiesysteem. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat de Hoge Raad heeft beslist dat, bij bewezenverklaring van heling, de bestolen rechthebbende van het goed aanspraak kan maken op een vergoeding van zijn schade, omdat de strafbaarstelling van heling (mede) strekt ter bescherming van het belang van de rechthebbende van het geheelde goed (HR 24 maart 1998, NJ 1998, 537 en HR 30 maart 2004, NJ 2004, 343).

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft meegedeeld dat twee van de drie in beslag genomen navigatiesystemen reeds zijn teruggegeven aan de rechthebbende. Het derde navigatiesysteem dient te worden teruggegeven aan [bedrijf 1]

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het in beslag genomen navigatiesysteem.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van onderhavig navigatiesysteem weliswaar onderzoek is gedaan naar de herkomst ervan, maar dat tot op heden nog geen eigenaar kan worden aangewezen. Er is weliswaar een vermoedelijke eigenaar, maar nader onderzoek dient hierover uitsluitsel te geven.

De rechtbank zal dan ook de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het navigatiesysteem, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 197 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, subsidiair: medeplegen van opzetheling;

feit 2: als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen navigatiesysteem;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [bedrijf 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [bedrijf 2] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij Arval in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Vanwersch, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 september 2012.