Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6615

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
815255 UE VERZ 12-544 SM 4183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Individuele werknemer is belanghebbende als bedoeld in artikel 36 WOR. De kantonrechter draagt de werkgever op er voor zorg te dragen dat een medezeggenschapsorgaan wordt ingesteld dat voldoet aan de bepalingen van de WOR. Artikel 22 WOR biedt geen gronds

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 2
Wet op de ondernemingsraden 6
Wet op de ondernemingsraden 22
Wet op de ondernemingsraden 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/255
AR-Updates.nl 2012-0802
RAR 2012/167
JAR 2012/255
ROR 2012/26

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 815255 UE VERZ 12-544 SM 4183

beschikking d.d. 31 augustus 2012

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verzoeker],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. B.L.A. van Drunen,

tegen:

de besloten vennootschap

Ormit B.V.,

gevestigd te De Bilt,

verder ook te noemen Ormit,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.A. de Jager.

1. Het procesverloop

[verzoeker] heeft een verzoekschrift ex artikel 36 van de WOR ingediend.

Ormit heeft bij akte producties overgelegd.

De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 26 juli 2012.

[verzoeker] heeft na de zitting een akte genomen. Ormit heeft daarop geantwoord.

Daarna is uitspraak bepaald.

2. De feiten

1.1. Ormit is een onderneming die zich bezighoudt met management- en leiderschapsontwikkeling. Bij Ormit zijn ongeveer 90 personen in dienst. De medewerkers van Ormit kunnen worden onderverdeeld in een “kernbezetting”, bestaande uit haar directie en staf (indirecten) en “management trainees” in het kader van het “Incompany Programma” of het “Multicompany Programma”. De management trainees worden aangenomen voor een periode van maximaal 26 maanden en zijn werkzaam bij een van de (multinationale) bedrijven die deel uitmaken van het netwerk van Ormit, door Ormit aangeduid met “participanten”.

1.2. [verzoeker] is sinds 1 maart 2011 bij Ormit in dienst als management trainee in het kader van het Incompany Programma. Zijn arbeidsovereenkomst met Ormit eindigt op 31 december 2012 en zal niet worden verlengd.

1.3. Bij brief van 12 januari 2012 heeft [verzoeker] aan Ormit meegedeeld dat hij het voornemen heeft de Bedrijfscommissie Markt I (de bedrijfscommissie van de SER voor ondernemingen in commerciële sectoren, hierna: de Bedrijfscommissie) om bemiddeling te verzoeken, omdat Ormit niet heeft voldaan aan zijn verzoek over te gaan tot het instellen van een ondernemingsraad (OR) die voldoet aan de eisen van de Wet op de ondernemingsraden (WOR). Bij dit schrijven heeft hij Ormit geïnformeerd over de aan dit verzoek verbonden (geschatte) kosten.

1.4. Bij brief van 27 januari 2012 heeft [verzoeker] bij de Bedrijfscommissie een bemiddelingsverzoek als bedoeld in artikel 36 lid 3 WOR ingediend.

1.5. De Bedrijfscommissie heeft op 24 april 2012 het volgende bemiddelingsadvies uitgebracht:

“(…)

De huidige medezeggenschapstructuur voldoet niet aan de minimum bevoegdheden die de medezeggenschap binnen Ormit op grond van de WOR toekomt, derhalve de minimum bevoegdheden van een OR. Dit betekent dat de medezeggenschap binnen ORMIT geformaliseerd dient te worden, (…).

Verweerder heeft aangegeven de Raad van medewerkers, die inmiddels is opgericht en op 4 april 2012 voor het eerst bijeen zou komen, te zullen gebruiken als startpunt voor de oprichting van een medezeggenschapsorgaan dat voldoet aan de WOR. Binnen de Raad van Medewerkers zal worden bepaald welke (verdere) bevoegdheden dit medezeggenschapsorgaan zal krijgen

(…).”

1.6. Ormit heeft de medezeggenschap in haar onderneming vorm gegeven door middel van de Raad van Medewerkers (RvM) en een met RvM gesloten convenant het “Convenant Raad van Medewerkers ORMIT B.V” (hierna: het Convenant) met bijlage. In het Convenant is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

Doel van Raad van Medewerkers

(…)

3. De Raad van medewerkers beschikt ten minste over dezelfde rechten en verplichtingen die aan een ondernemingsraad toekomen ingevolge de WOR, daaronder begrepen: het adviesrecht (ex artikel 25 WOR, het beroepsrecht (ex artikel 26 WOR en het instemmingsrecht (ex artikel 27 WOR)

(zie bijlage 1).

Samenstelling Raad van medewerkers

1. De raad van Medewerkers bestaat uit maximaal 11 wisselende leden. Bij voorkeur 6 trainees, 3 indirecte medewerkers of consultants en 2 flexibele plekken.

2. De Raad van Medewerkers bestaat uit minimaal 7 leden.

3. elke medewerker kan zich aanmelden voor de eerstvolgende Raad van Medewerkers.

De plekken worden verdeeld op volgorde van aanmelding. Medewerkers die nog niet eerder deel hebben genomen krijgen voorrang.

(…).

8. De directie is met twee leden vertegenwoordigd in het overleg met de Raad van Medewerkers voor het voeren van de dialoog met de medewerkers, maar heeft geen stem- en besluitrecht voor onderwerpen die vanuit de Wet op de OndernemingsRaden (WOR) advies- of instemmingplichtig zijn. Zie voor een overzicht van de onderwerpen waarvoor advies- of instemmingsrecht geldt bijlage 1.

(…).

(…)

Bijeenkomsten

1. De Raad van Medewerkers komt minimaal drie keer per jaar bijeen (…)

(…)

3. In principe duren de bijeenkomsten van 18.00 uur tot 21.00 uur en vinden plaats bij ORMIT in De Bilt.

(…).

(…)

Besluitvorming in de Raad van medewerkers

1. De raad van Medewerkers besluit bij gewone meerderheid van stemmen namens alle medewerkers. De directie-leden hebben geen stemrecht bij een uit te brengen advies of instemmingsbesluit

(…).

Verslag van de bijeenkomsten

1. binnen twee weken na iedere bijeenkomst van de Raad van medewerkers maakt de secretaris daarvan een conceptverslag en zendt hij dit toe aan de leden. (…)

(…)”

1.7. Ormit heeft het Convenant op 31 mei 2012 aan de Bedrijfscommissie gezonden. Bij brief van 13 juni 2012 heeft de Bedrijfscommissie geconstateerd dat aan de RvM advies-, beroeps- en instemmingsrecht is toegekend conform de WOR, maar dat de wijze waarop de RvM wordt samengesteld (niet verkozen), de steeds wisselende samenstelling van de RvM en het feit dat de directie onderdeel lijkt uit te maken van de RvM, niet in overeenstemming is met de WOR.

2. Het Verzoek

2.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter te bepalen dat:

(i) Ormit gevolg dient te geven aan hetgeen bij of krachtens de WOR is bepaald, meer in het bijzonder de verplichting om binnen haar onderneming een ondernemingsraad in te stellen;

(ii) Ormit er zorg voor dient te dragen dat uiterlijk per 1 juli 2012 een ondernemingsraad is ingesteld binnen haar onderneming, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor elke dag dat Ormit vanaf 1 juli 2012 in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen;

(iii) de kosten van juridische bijstand dient te voldoen tot op heden begroot op een bedrag van € 10.625,00 exclusief BTW;

(iv) Ormit te veroordelen in de kosten van dit geding;

een en ander voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.2. [verzoeker] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Ormit op grond van artikel 2 lid 1 WOR verplicht is een OR in te stellen, maar dat Ormit er, ondanks het verzoek dat [verzoeker] reeds medio 2011 heeft gedaan, welk verzoek volgens hem werd ondersteund door verschillende medewerkers, niet bereid is om binnen haar onderneming een medezeggenschapsorgaan op te richten dat minstens de wettelijke bevoegdheden heeft van een OR op grond van de WOR. De kosten van juridische bijstand baseert [verzoeker] op artikel 22 van de WOR.

2.3. Ormit stelt dat het verzoek tot instelling van een OR, dat volgens haar pas is ingediend nadat de onderhandelingen vanwege een arbeidsconflict tussen [verzoeker] en Ormit waren mislukt, moet worden bezien in de context van dat arbeidsconflict. [verzoeker] tracht thans Ormit de voet dwars te zetten. Bovendien heeft [verzoeker] volgens Ormit geen belang bij zijn verzoek omdat zijn arbeidsovereenkomst op 31 januari 2013 van rechtswege eindigt. Voorts stelt Ormit dat het verzoek alleen door [verzoeker] is ingediend en niet door andere werknemers wordt gedragen. Uit inspraakrondes is Ormit gebleken dat bij haar werknemers in het geheel geen behoefte bestaat aan een formele OR. De structuur van Ormit waarbij slechts een beperkte kern van medewerkers in vaste dienst is (de indirecten) en een veel grotere groep van management trainees met een kortdurend dienstverband werkzaam is bij andere bedrijven, leent zich volgens Ormit ook niet goed voor de formele medezeggenschapsstructuur op grond van de WOR. Ormit stelt dat zij daarom in goed overleg met haar medewerkers de RvM heeft opgericht en met de RvM het Convenant heeft gesloten dat voorziet in een vorm van medezeggenschap die beter past bij de aard van Ormit. Het Convenant verleent de leden van de RvM volgens Ormit dezelfde de rechten en bevoegdheden als aan een OR toekomen, maar voorziet voorts in een alternatieve en uitgebreidere vorm van medezeggenschap die voor iedere medewerker van Ormit bereikbaar is.

3. De beoordeling

3.1. Vaststaat dat bij Ormit meer dan 50 personen werkzaam zijn, zodat zij op grond van artikel 2 WOR verplicht is een ondernemingsraad in te stellen.

3.2. Het betoog van Ormit dat er op neer komt dat [verzoeker] misbruik maakt van recht treft naar het oordeel van de kantonrechter geen doel. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag.

3.3. [verzoeker] is werknemer van Ormit, zodat hij een belanghebbende is als bedoeld in artikel 36 van de WOR. Het enkele feit dat zijn dienstverband binnen half jaar eindigt, maakt niet dat hij geen gebruik zou mogen maken van de hem op grond van dit artikel toekomende bevoegdheid. Voorts bepaalt artikel 36 WOR dat deze bevoegdheid “iedere” belanghebbende toekomt en er is geen wettelijke of rechtsregel aan te wijzen die de eis stelt dat een dergelijk verzoek door meer dan een werknemer moet worden gedragen. [verzoeker] was dan ook bevoegd de kantonrechter te verzoeken Ormit opdracht te geven te voldoen aan haar verplichtingen op grond van artikel 2 WOR. Er kan slechts sprake zijn van misbruik van deze bevoegdheid indien [verzoeker] daarvan gebruik heeft gemaakt met geen ander doel dan Ormit te schaden. Het enkele feit dat sprake is van een arbeidsconflict tussen [verzoeker] en Ormit is onvoldoende voor deze conclusie.

3.4. Ter beoordeling staat of Ormit heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen op grond van de WOR. Daarbij is de naam of vormgeving van het medezeggenschaporgaan niet doorslaggevend, maar of (minimaal) is voldaan aan de rechten en bevoegdheden die op grond van de WOR aan het medezeggenschapsorgaan moeten worden toegekend.

3.5. Volgens [verzoeker] voldoet het Convenant op de volgende punten niet aan de eisen die de WOR stelt:

(i) de leden van de RvM worden niet verkozen;

(ii) de samenstelling van de RvM wisselt steeds;

(iii) de directie maakt deel uit van de RvM;

(iv) er is ten onrechte een maximum gesteld aan het aantal leden dat de RvM

mag hebben;

(v) het Convenant bevat een voorrangsregeling voor nieuwe ten opzichte van oude leden;

(vi) het Convenant voorziet niet in een adviesrecht bij besluiten inzake benoeming en ontslag van bestuurders;

(vii) de vergadertijd van 18.00 tot 19.00 uur valt buiten de werktijd;

(viii) het Convenant biedt niet de mogelijkheid tot overleg buiten aanwezigheid van het bestuur;

(ix) het vaststellen van de notulen van de MvR is niet conform de WOR;

(x) het Convenant biedt geen waarborg voor het zelfstandig en zonder aanwezigheid van het bestuur kunnen stemmen door de RvM.

[verzoeker] heeft daaraan toegevoegd dat het convenant bepalingen bevat die in een door het medezeggenschapsorgaan zelf vast te stellen reglement thuishoren.

3.6. Ormit heeft naar voren gebracht dat de ratio van een verkozen medezeggenschapsorgaan is om te waarborgen dat de gekozen leden de kiezende werknemers daadwerkelijk vertegenwoordigen. Dat is bij Ormit niet nodig, omdat de werknemers zich zelf kunnen vertegenwoordigen in de RvM. Per vergadering worden 6 management trainees verwacht deel te nemen en daarboven zijn er nog 2 flexibele plaatsen gereserveerd bij iedere RvM voor de management trainees die onderwerpen willen aandragen nadat de uitnodiging al is verstuurd. De wisselende samenstelling van de RvM komt volgens Ormit tegemoet aan de aard van haar onderneming. Zij stelt dat indien wordt voldaan aan de eis van de WOR dat de leden gekozen moeten worden, vele jonge, nieuwe werknemers niet worden vertegenwoordigd doordat zij bijvoorbeeld niet actief kiesgerechtigd waren op het moment van de verkiezingen, of nog niet passief verkiesbaar waren omdat zij op dat moment nog geen jaar in dienst waren. Verder staat volgens Ormit de aanwezigheid van de directie bij de vergaderingen van de RvM niet in de weg aan zelfstandige oordeelsvorming door OR. De directie heeft geen stemrecht in de RvM en indien er wordt gestemd verlaat zij de vergadering. De RvM is bovendien vrij om een vooroverleg te plannen en anderen naar hun mening te vragen.

3.7. De kantonrechter overweegt als volgt

De samenstelling van de RvM

3.8. In artikel 6 lid 1 WOR is dwingendrechtelijk bepaald dat de OR bestaat uit leden die door de in de onderneming werkzame personen rechtstreeks uit hun midden worden gekozen. De wijze waarop in het Convenant de samenstelling van de RvM is geregeld (zie 1.6) onder “samenstelling Raad van medewerkers” voldoet niet aan dit voorschrift. Het betoog van Ormit dat desondanks is voldaan aan de ratio van een verkozen medezeggenschapsorgaan omdat het Convenant aan alle medewerkers de gelegenheid biedt om vertegenwoordigd te zijn in de OR kan haar niet baten, aangezien het dwingendrechtelijk karakter van artikel 6 lid 1 geen ruimte biedt om bij de samenstelling van het medezeggenschapsorgaan af te wijken van de eis dat de leden direct verkozen moeten worden. De stelling van Ormit dat de structuur van haar onderneming zich niet leent voor de formele verkiezingsprocedure volgens de WOR kan daarom niet leiden tot een ander oordeel.

3.9. Gelet op het voorgaande is de wisselende samenstelling van de RvM op basis van aanmelding van individuele werknemers per bijeenkomst van de RvM eveneens in strijd met de eis van artikel 6 lid 1 WOR, dat de OR door middel van verkiezing moet worden samengesteld. Dit geldt eveneens voor de overige regelingen die de plaatsing in de RvM regelen, te weten het voorschrift dat de plaatsen worden verdeeld op volgorde van aanmelding en dat medewerkers die nog niet eerder hebben deelgenomen voorrang krijgen.

3.10. Uit de tekst van het convenant blijkt dat het aantal leden van de RvM minimaal 7 en maximaal 11 is. Dit is niet in overeenstemming met artikel 6 lid 1 WOR waarin is bepaald dat in een onderneming waarvan het aantal werkzame personen tussen de 50 en 100 bedraagt, het aantal OR leden 5 dient te zijn. Weliswaar biedt artikel 6 voorlaatste volzin, de mogelijkheid voor een afwijkend aantal leden, maar deze bevoegdheid is voorbehouden aan de OR zelf die dit - met toestemming van de ondernemer - in zijn reglement kan bepalen. In het geval van de RvM is echter reeds op voorhand in het Convenant een afwijkend aantal leden vastgesteld. Het feit dat het Convenant is gesloten met de RvM is niet van doorslaggevend belang. Gelet op het feit dat de RvM niet door middel van verkiezingen is samengesteld is het Convenant niet aan te merken als een reglement van een medezeggenschapsorgaan als bedoeld in artikel 14 van de WOR.

3.11. Voorts is de positie van de directie in de vergadering van de RvM niet duidelijk geformuleerd. Het Convenant vermeldt onder punt 8 van het kopje “Samenstelling Raad van Medewerkers” dat de directie met twee personen “is vertegenwoordigd” bij het overleg, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat de directie geen lid is van de RvM, terwijl uit het gebruik van het begrip “directie-leden” onder het kopje “Besluitvorming” kan worden afgeleid dat ook de directie lid is van de RvM.

3.12. Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog het volgende naar aanleiding van het standpunt van Ormit, dat de op grond van de WOR vereiste diensttijd voor het actief en passief kiesrecht moeilijk in te passen is in haar onderneming waar de trainees slechts maximaal 26 maanden in dienst zijn. In de eerste plaats is ter zitting gebleken dat de verhouding tussen de indirecten in vaste dienst en de trainees met een kort dienstverband ongeveer 1/3:2/3 is, zodat het probleem rond de verkiezingen voor 1/3 van de werknemers niet aan de orde is. In de tweede plaats kent artikel 6 lid 5 van de WOR aan de OR de bevoegdheid toe om in zijn reglement af te wijken van de voor actief kiesrecht vereiste diensttijd van ten minste 6 maanden (artikel 6 lid 2 WOR) en de voor passief kiesrecht vereiste diensttijd van ten minste een jaar (artikel 6 lid 3), indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR in de onderneming. Daarbij moet worden opgemerkt dat deze bevoegdheid slechts de OR zelf toekomt, nadat zij via de geëigende weg, dus door middel van verkiezingen, is samengesteld.

De besluitvorming in de RvM

3.13. De kantonrechter is er niet van overtuigd dat het Convenant voldoende waarborgen biedt dat meningsvorming en besluitvorming door de RvM onafhankelijk van het bestuur kan plaatsvinden, zoals de WOR vereist. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag. Zoals hiervoor in 3.11 reeds is geconstateerd, is de positie van het bestuur niet duidelijk geformuleerd in het convenant. Verder is de stelling van Ormit dat het bestuur de vergadering verlaat indien er gestemd wordt, niet in het Convenant vastgelegd. Daarbij komt dat de formulering in het convenant “De directie-leden hebben geen stemrecht bij een uit te brengen advies of instemmingsbesluit” de mogelijkheid openlaat dat het bestuur over andere onderwerpen dan het formele advies- en instemmingsrecht van de OR wel haar stem kan uitbrengen.

3.14. Daargelaten welke de positie het bestuur in de vergadering van de RvM precies inneemt, is het Convenant - waar wordt uitgegaan van structurele aanwezigheid van het bestuur bij de vergadering van de RvM - niet in overeenstemming met het uitgangspunt in de WOR dat het de OR is die in haar reglement voorschriften geeft omtrent de gevallen waarin de OR bijeen komt (artikel 14 lid 2 aanhef en onder a WOR), en dat slechts op verzoek van ondernemer of OR overleg plaatsvindt tussen ondernemer en OR (artikel 23 WOR). Daarbij is in aanmerking genomen dat het Convenant, zoals hiervoor reeds is overwogen vanwege de wijze van tot stand komen daarvan, niet kan worden gelijkgesteld aan een reglement van de OR.

3.15. Ook het feit dat de uitoefening van het stemrecht in de vergadering van de RvM in het Convenant is vastgelegd, is niet in overeenstemming met de WOR waarin is bepaald dat de OR dit in haar reglement regelt (artikel 14 lid 2 aanhef en onder d).

De advies- en instemmingbevoegdheden

3.16. In het Convenant is bepaald dat de advies- en instemmingbevoegdheid van de RvM dezelfde is als die in de artikelen 25 en 27 van de WOR en zijn de betreffende onderwerpen in verkorte vorm in de bijlage verwoord. Een verwijzing naar artikel 30 van de WOR waarin de adviesbevoegdheid van de OR over het voorgenomen besluit van de ondernemer tot benoeming of ontslag van bestuurder van de onderneming is neergelegd, ontbreekt echter. Ook voor het overige bevat de tekst van het Convenant geen bepaling waaruit de adviesbevoegdheid op dit punt kan worden afgeleid. De algemene formulering dat de RvM ten minste beschikt “over dezelfde rechten en verplichtingen die aan een ondernemingsraad toekomen ingevolge de WOR” is daarvoor onvoldoende. Het Convenant is dan ook in strijd met de WOR doordat de in artikel 30 WOR neergelegde adviesbevoegdheid niet is geregeld.

De werkwijze van de RvM

3.17. De werkwijze betreffende het opmaken van de agenda van het medezeggenschapsorgaan, het bekendmaken van de agenda en de werkwijze bij het opmaken en bekendmaken van de verslagen van de vergaderingen dienen op grond van artikel 14 WOR door de OR te worden geregeld in haar reglement. Ook deze punten mocht Ormit daarom niet bij het Convenant regelen, maar had zij dienen over te laten aan het medezeggenschaporgaan. Hetzelfde geldt voor het tijdstip van vergaderen. Dit laat onverlet dat de leden van het medezeggenschapsorgaan indien zij - zoals Ormit stelt - een voorkeur hebben voor vergaderingen buiten de reguliere werktijden, dit in hun reglement kunnen bepalen.

Slotsom

3.18. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het Convenant niet voldoet aan hetgeen in de WOR is geregeld ten aanzien van de inrichting van een medezeggenschaporgaan. Het standpunt van Ormit dat bij haar werknemers geen behoefte bestaat aan een OR kan daar niet aan afdoen. Een peiling door middel van e-mail is een ander instrument dan het uitschrijven van verkiezingen, en door af te zien van een gekozen OR ontneemt Ormit haar werknemers de kans om zich daarvoor kandidaat te stellen. Het standpunt van Ormit dat zij juist reële medezeggenschap beoogt en dat het formele kader van de WOR voor haar onderneming niet geschikt is, leidt niet tot een ander oordeel. De door Ormit geschetste praktische problemen bij het instellen van een OR zijn niet onbegrijpelijk, maar de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing van de voorschriften van de WOR is op grond van artikel 5 van de WOR voorbehouden aan de SER. De kantonrechter is niet bevoegd een afwijkende regeling toe te staan. Het betoog van Ormit - onder verwijzing naar litteratuur - dat de WOR niet langer past in de maatschappelijke ontwikkelingen kan evenmin tot een ander oordeel leiden. De SER is bij uitstek de instantie die is toegerust om deze ontwikkelingen in het licht van de WOR te kunnen beoordelen en daarop in te spelen.

3.19. Nu de mogelijkheid tot het indienen van een ontheffingsverzoek bij de SER reeds ter zitting van de Bedrijfscommissie aan de orde is geweest, ziet de kantonrechter geen grond de zaak aan te houden om Ormit alsnog in de gelegenheid te stellen een dergelijk verzoek bij de SER in te dienen, zoals door Ormit ter zitting is verzocht. Bovendien kon Ormit na de brief van 13 juni 2012 van de Bedrijfscommissie ervan op de hoogte zijn dat het Convenant niet voldoet aan de wettelijke eisen voor een medezeggenschapsorgaan zodat zij, indien zij dat wenste, ook toen reeds een ontheffingsprocedure had kunnen beginnen.

3.20. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter de vordering van [verzoeker] toewijzen en bepalen dat Ormit binnen twee maanden na de datum van deze beschikking een medezeggenschapsorgaan dient in te stellen dat voldoet aan de bepalingen van de WOR.

3.21. De kantonrechter ziet voorts gronden voor toewijzing van de verzochte dwangsom, met dien verstande dat deze zal worden gematigd tot een bedrag van € 2.500,00 per dag met een maximum van € 100.000,00.

3.22. De kantonrechter ziet geen aanleiding het verzoek de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren af te wijzen. Het belang van Ormit om, in afwachting van een door haar in te stellen hoger beroep, voort te kunnen gaan op de door haar ingeslagen weg betreffende het medezeggenschapsorgaan weegt naar het oordeel van de kantonrechter niet zwaarder dan het belang dat haar onderneming beschikt over een medezeggenschapsorgaan dat voldoet aan de eisen van de WOR. Daar komt bij dat niets er aan in de weg staat dat Ormit bovenop de medezeggenschap die voldoet aan de wettelijke eisen, vorm geeft aan haar eigen ideeën over een goede medezeggenschap en daarmee, zoals zij heeft aangeduid een “OR+” instelt.

3.23. Ter zitting is aan de orde geweest dat Ormit [verzoeker] per e-mail heeft bericht hem persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de kosten die zij zou dienen te maken als hij zou blijven aansturen op het instellen van een OR. Ormit kon desgevraagd geen helderheid verschaffen op welke kosten zij doelde, zij heeft de aansprakelijkheid echter gehandhaafd. Voor zover Ormit hiermee bedoeld heeft dat de kantonrechter in het kader van de onderhavige procedure [verzoeker] tot betaling van de kosten dient te veroordelen is dat verzoek niet toewijsbaar omdat daartoe de wettelijke grondslag ontbreekt. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat voor aansprakelijkheid van [verzoeker] voor eerdergenoemde kosten op zijn minst vereist zal zijn dat hij misbruik heeft gemaakt van procesrecht. Zoals in het voorgaande reeds is overwogen is daarvan echter geen sprake.

De kosten van rechtsbijstand

3.24. [verzoeker] vordert op grond van artikel 22 van de WOR de kosten die hij heeft gemaakt om Ormit er toe te bewegen een OR in te stellen. Het betreft kosten van juridische bijstand die hij heeft gemaakt in het kader van de bemiddeling door de Bedrijfscommissie en de kosten voor de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter.

3.25. Ormit stelt onder meer dat er voor het vergoeden van kosten op grond van artikel 22 WOR in dit geval geen grond is.

3.26. De kantonrechter overweegt als volgt. In artikel 22 WOR is omschreven welke kosten van de ondernemingsraad en de commissies van de ondernemingsraad voor vergoeding in aanmerking komen. Voor vergoeding van kosten gemaakt door een individueel lid van de ondernemingsraad of een individuele werknemer biedt dit artikel geen grondslag. De kantonrechter ziet geen aanknopingspunten om een ruimere uitleg aan dit artikel te geven, in die zin dat bij het ontbreken van een OR, de kosten van de individuele werknemer die zich inspant om instelling van de OR te bewerkstelligen, voor vergoeding in aanmerking komen, zoals [verzoeker] kennelijk voorstaat.

Ook overigens is er naar het oordeel van de kantonrechter geen wettelijke grondslag om in een procedure als de onderhavige een veroordeling uit te spreken met betrekking tot de in de voorfase gemaakte kosten.

De kantonrechter ziet voorts te minder aanleiding een veroordeling met betrekking tot de kosten van de voorfase uit te spreken, nu ter zitting is gebleken dat Ormit een (zeer) groot deel van de declaratie van de advocaat van [verzoeker], te weten een bedrag van omstreeks € 9.500, , reeds heeft voldaan.

3.27. Het verzoek van [verzoeker] tot vergoeding van de kosten van juridische bijstand op grond van artikel 22 van de WOR zal daarom worden afgewezen.

3.28. Ormit heeft nog aangevoerd dat het bedrag dat zij reeds aan [verzoeker] heeft vergoed in verband met de bemiddeling door de Bedrijfscommissie moet worden verrekend, dan wel op [verzoeker] moeten worden verhaald, indien vast komt te staan dat de kosten op grond van artikel 22 WOR niet voor vergoeding in aanmerking komen.

3.29. Voor zover Ormit hiermee een verzoek tot verrekening of terugbetaling wegens onverschuldigde betaling heeft willen indienen zal de kantonrechter hieraan voorbijgaan, nu de aanhangige verzoekprocedure tot het instellen van een OR zich niet leent voor een dergelijk (tegen)verzoek. Dit nog daargelaten dat Ormit dit punt pas bij antwoordakte na de zitting kenbaar heeft gemaakt en niet valt in te zien dat zij dit niet eerder had kunnen doen.

3.30. De kosten van de onderhavige verzoekschriftenprocedure komen op grond van artikel 289 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor vergoeding in aanmerking. Ormit zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [verzoeker]. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de kantonrechter echter geen aanleiding. De kosten van deze procedure worden daarom conform het door het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren (LOVCK) opgestelde liquidatietarief begroot op € 473,00 (2 punten x tarief € 200,00 voor salaris advocaat en € 73,00 griffierecht)

4. De beslissing

De kantonrechter:

4.1. Bepaalt dat Ormit gevolg dient te geven aan hetgeen bij of krachtens de Wet op de ondernemingsraden is bepaald, meer in het bijzonder dient Ormit er zorg voor te dragen dat uiterlijk twee maanden na de datum van deze beschikking in haar onderneming een medezeggenschapsorgaan is ingesteld dat voldoet aan de bepalingen van de WOR,

4.2. Bepaalt dat Ormit een dwangsom verbeurt van € 2.500,00 per dag voor elke dag dat Ormit niet aan de in 4.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

4.3. veroordeelt Ormit tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoeker], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 473,00 waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemachtigde;

4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2012.