Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6607

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
10-09-2012
Zaaknummer
SBR 11-3745
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beeindiging uitkering ogv artikel 3:19, zesde lid, Wet Wajong. Onttrekking aan tenuitvoerlegging van straf of maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/3745

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 september 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H. Brouwer),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: J. Kouveld).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) per 1 augustus 2011 beëindigd.

Bij besluit van 21 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2012. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde W.A. Postma. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de behandeling van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 28 juni 2012. Eiseres is, onder berichtgeving daartoe, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt een Wajong-uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de Wajong-uitkering van eiseres beëindigd. Verweerder heeft daarvoor de volgende motivering gegeven.

‘Volgens onze informatie zou u vanaf 26 mei 2011 een door justitie opgelegde straf of maatregel moeten ondergaan. U heeft zich echter onttrokken aan de tenuitvoerlegging van uw straf of maatregel. Daarom beëindigen wij met ingang van 1 augustus 2011 uw uitkering.‘

Verweerder heeft artikel 3:19, zesde lid, van de op 1 januari 2010 in werking getreden Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) aan zijn besluit ten grondslag gelegd en verwezen naar een zich tussen de gedingstukken bevindend overzicht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: Justitie) dat de navolgende gegevens bevat:

“bsn nr geb datum tijdvak L-betaling datum straf reg. nummer groep

[BSN-nummer] 23-03-1987 20110401 26-05-2011 [Registratienummer].”

3. Op 22 juni 2012 heeft verweerder de rechtbank nadere informatie van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) doen toekomen waaraan kan worden ontleend dat aan eiseres een taakstraf is opgelegd, welke taakstraf vanwege het niet uitvoeren daarvan op 2 februari 2011 door de politierechter is omgezet in een vervangende hechtenis van 13 dagen. Op 26 mei 2011 is eiseres naar aanleiding van deze uitspraak gesignaleerd in het opsporingsregister.

4. Op grond van artikel 3:19, vijfde lid van de Wet Wajong eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien de jonggehandicapte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.

Op grond van artikel 3:19, zesde lid, van de Wet Wajong eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien de jonggehandicapte zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

Op grond van artikel 3:19, zevende lid, van de Wet Wajong eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de jonggehandicapte die op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft op grond van het zesde lid, in afwijking van het vijfde lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming ingaat.

Op grond van artikel 1.1 van de Wet Wajong wordt onder vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel verstaan: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

5. In de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden is vastgelegd dat gedetineerden geen recht hebben op een uitkering tijdens detentie. De wetgever heeft de situatie dat personen die zich onttrekken aan de (verdere) tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel wel een uitkering ontvingen, eveneens onwenselijk geacht. Om die reden is onder meer artikel 3:19, zesde lid, van de Wet Wajong op 1 januari 2011 ingevoerd.

6. Het onderhavige besluit gaat om de intrekking van een eerder toegekend recht op een Wajong-uitkering, een voor eiseres belastend besluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij een besluit als het onderhavige slechts gebruik kan maken en ook wordt geacht te maken van de door Justitie verstrekte gegevens. Nu de wetgever voor ogen heeft gestaan dat de ontneming van de sociale zekerheidsrechten start vanaf de eerste dag dat een persoon zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging (toelichting bij TK, 2010-2011, 35 520, nr. 6), ligt in het samenstel van de voornoemde wettelijke bepalingen naar dezerzijds oordeel het uitgangspunt besloten dat verweerder in het kader van de primaire besluitvorming in beginsel ter motivering van zijn besluit mag uitgaan van de door Justitie verstrekte informatie. Zodra de betrokkene in het kader van zijn bezwaar tegen de intrekking van zijn uitkering enigszins aannemelijk maakt dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat hij zich niet heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel dient verweerder nader te onderzoeken of terecht is geconcludeerd dat de belanghebbende zich heeft onttrokken.

7. Door de wetgever is in de wetsgeschiedenis geen toelichting gegeven op het begrip dan wel wanneer er sprake is van ‘zich onttrekken’ als bedoeld in artikel 3:19, zesde lid, van de Wet Wajong. Mede gezien de eerdergenoemde samenhang en beoogde gelijkschakeling met gedetineerden, zal de rechtbank de datum van signalering van een betrokkene in het opsporingsregister als gevolg van het niet ondergaan van de vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel, aanmerken als de datum met ingang waarvan een betrokkene ‘zich onttrekt‘. Daarbij tekent de rechtbank aan dat volgens de “Aanwijzing executie” van het Openbaar Ministerie (OM) een persoon als onvindbaar wordt gesignaleerd in het opsporingsregister, indien de politie tenminste driemaal, waarvan éénmaal ’s-avonds, daadwerkelijk het bevolkingsadres of bekende verblijfadres heeft bezocht met een arrestatiebevel voor die persoon. Hoewel de rechtbank daarbij opmerkt dat het mogelijk is dat een betrokkene niet bekend is met het gegeven dat de politie aan de deur is geweest en dat het dus mogelijk is dat die persoon zich in het kader van deze wet onttrekt aan detentie zonder zich daarvan (volledig) bewust te zijn, acht de rechtbank een zekere objectivering van het begrip ‘onttrekken’ hier op zijn plaats. Immers, indien dat niet het geval zou zijn, betekent dit dat verweerder in ieder individueel geval bij het primaire besluit zou moeten onderzoeken en beoordelen in hoeverre die persoon zich ook in subjectieve zin onttrekt aan detentie, hetgeen ondoenlijk is en ook door de rechtbank strijdig wordt geacht met (de intentie van) artikel 3:19, zesde lid, van de Wet Wajong.

8. Het bovenstaande betrekkend op eiseres, stelt de rechtbank vast dat eiseres in haar bezwaarschrift van 30 augustus 2011 slechts heeft aangevoerd dat zij wel is begonnen met haar taakstraf maar halverwege ziek is geraakt. Een dezer dagen zal zij hervatten. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij geen gevangenisstraf heeft uitgezeten, noch daartoe verplicht te zijn. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij zich niet heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een strafmaatregel, omdat zij van 14 september tot en met 21 oktober 2011 gedetineerd heeft gezeten. Conform het beleid van verweerder stelt zij dat zij recht heeft op doorbetaling van de uitkering in de periode van 14 september tot en met 14 oktober 2011 en op herleving van haar uitkering op 21 oktober 2011. Eiseres heeft geen aanleiding gezien haar gronden in bezwaar op de hoorzitting of op de beide zittingen van de rechtbank toe te lichten.

9. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Vast staat dat, in strijd met wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd, bij vonnis van de politierechter van 2 februari 2011 de door haar niet uitgevoerde taakstraf is omgezet in een vervangende hechtenis van 13 dagen. Dit vonnis is, zo blijkt uit de door verweerder overgelegde informatie van Justitie en het CJIB, bij eiseres bekend nu het is gewezen op tegenspraak en onherroepelijk is. Verder staat vast dat eiseres op 26 mei 2011 in het opsporingsregister is gesignaleerd omdat het arrestatiebevel niets heeft opgeleverd en eiseres niet woonachtig was op het adres waar zij is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Hieruit kan –gelet op het onder 6 en 7 overwogene- de rechtbank geen andere conclusie trekken dan dat eiseres zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van het vonnis van 2 februari 2011. Met betrekking tot het betoog van eiseres in beroep dat zij van 14 september tot en met 21 oktober 2011 gedetineerd is geweest en recht heeft op doorbetaling gedurende de eerste maand van detentie merkt de rechtbank nog op dat die situatie is geregeld in artikel 3:19, vijfde lid, van de Wet Wajong en in dit geding niet aan de orde is.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, en mr. J.R. van Es-de Vries en mr. T. Pavicevic, leden, in aanwezigheid van mr. J.J.A.G. van der Bruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.