Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6599

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
16-655684-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld en mishandeling, beide in de relationele sfeer. Vrijspraak van poging zw mishandeling, rb is van oordeel dat het opgelopen letsel gekwal kan worden als zwaar lichamelijk letsel, hetgeen niet door het OM is tll.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655684-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. R. van Veen, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. op 15 april 2012 met geweld of door middel van bedreiging met geweld een Blackberry en een ring van [aangever 1] heeft gestolen;

2. op 15 april 2012 geprobeerd heeft zijn vriendin zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij haar heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaringen en het letsel van aangeefster en de verklaringen van verdachte.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde. De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het door verdachte gebruikte geweld niet bedoeld was om zich de voorwerpen toe te eigenen. Op het moment dat de telefoon van aangeefster op de grond viel ontstond bij verdachte het idee om deze te ruilen voor de ring. Daarbij had hij niet het oogmerk om zich de voorwerpen toe te eigenen. Bovendien ontbrak het opzet op de diefstal met geweld. Ten aanzien van feit 2 primair heeft de verdediging naar voren gebracht dat verdachte niet de intentie had om zijn toenmalige vriendin meer letsel toe te brengen dan het door haar opgelopen letsel.

De verdediging stelt dat het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Vrijspraak feit 2 primair

De rechtbank is van oordeel dat de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank overweegt daartoe dat [aangever 1] onder andere een gebroken linkeroogkas en oogletsel heeft opgelopen. Aan haar oogkas is zij geopereerd en tot op heden heeft zij verminderd zicht in het linkeroog. Er kan nog geen uitsluitsel gegeven worden over het al dan niet volledig herstel van haar zicht. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het hier zwaar lichamelijk letsel. Het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is echter niet ten laste gelegd.

De rechtbank zal, nu van het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat “de uitvoering van het misdrijf niet (is) voltooid”, verdachte daarvan vrijspreken.

4.3.2. Bewezenverklaring

De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL091A 2012084803. De door de rechtbank in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

Feit 1 en 2 subsidiair.

[aangever 1] heeft verklaard dat zij op 15 april 2012 samen met haar toenmalige vriend [verdachte] (hierna te noemen: verdachte) op een feestje was. In de loop van de nacht kregen zij ruzie. Zij gingen beiden naar buiten waar zij wederom ruzie kregen. Tijdens deze ruzie heeft verdachte haar geslagen. Verdachte sloeg haar met gebalde vuisten waar hij haar maar raken kon. Zij viel op de grond en verdachte begon haar te schoppen, waarna zij direct pijn voelde. Verdachte schopte haar tegen haar benen, haar buik en haar achterhoofd. Zij is vervolgens in een taxi gestapt, die door een omstander was gebeld. Zij is weer uitgestapt toen zij merkte dat verdachte het goed wilde maken. Zij voelde dat verdachte in haar jaszak graaide en hoorde verdachte zeggen dat hij haar Blackberry had. Zij riep tegen verdachte dat hij “de kanker” kon krijgen. Verdachte gooide haar op de grond en heeft vervolgens, terwijl zij op haar buik op de grond lag, haar arm op haar rug gedraaid en heeft haar ring van haar vinger gehaald.

Verdachte heeft haar op enig moment ook nog hard tegen haar linkeroog geslagen, waarna haar neus begon te bloeden.

Ten gevolge van de mishandeling had zij bulten op haar achterhoofd, waren haar benen bont en blauw en in het ziekenhuis werd geconstateerd dat haar linkeroogkas was gebroken.

[aangever 1] heeft ten gevolge van de mishandeling onder andere een gebroken linkeroogkas opgelopen, waaraan zij geopereerd is en waarbij een metalen plaatje is aangebracht. Daarnaast is tot op heden het zicht in haar linkeroog nog niet volledig terug.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 15 april 2012 met zijn vriendin [aangever 1] op een feestje was en dat hij daar een grote hoeveelheid (ongeveer 1 fles whisky) had gedronken. Op het feestje heeft hij ruzie met [aangever 1] gekregen. Buiten op straat hadden zij weer ruzie gekregen. Nadat [aangever 1] in een taxi was gestapt en weer was teruggekomen ging de ruzie verder. [aangever 1] zei op enig moment “kankermoeder” waarna hij, verdachte, de controle over zichzelf verloor en [aangever 1] tegen de grond had getrapt. Hij had [aangever 1] meerdere malen getrapt. Hij heeft vervolgens de telefoon van [aangever 1] gepakt. Terwijl [aangever 1] op de grond lag heeft hij haar arm gepakt en de ring van haar vinger gepakt. [aangever 1] heeft ook op enig moment tegen hem gezegd dat hij “de kanker” kon krijgen. Hij heeft haar toen met zijn vuist in haar gezicht geslagen.

Nadere bewijsoverwegingen

Feit 1

- Was er verband tussen het geweld en de diefstallen?

Verdachte heeft verklaard dat hij zijn toenmalige vriendin [aangever 1] heeft mishandeld nadat zij hem had uitgescholden en daarbij woorden “kanker en moeder” gebruikte, waarna hij de controle over zichzelf verloor. Hij wilde de telefoon van [aangever 1] ruilen tegen de ring die zij van zijn, verdachte’s, moeder had gekregen vlak voor haar overlijden. Hij vond dat zij door deze uitlatingen die ring niet waard was. Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij inderdaad soortgelijke woorden tegen verdachte heeft gebruikt, wetende dat verdachte’s moeder het jaar daarvoor aan kanker was overleden.

De rechtbank is van oordeel dat, in dit licht bezien, het door verdachte gebruikte geweld (zoals ten laste is gelegd onder de eerste drie gedachtestreepjes bij feit 1) niet gekoppeld kan worden aan de diefstal van de Blackberry en de ring van aangeefster. De rechtbank zal verdachte derhalve vrij spreken van de geweldshandelingen zoals deze ten laste zijn gelegd onder de eerste drie gedachtestreepjes van feit 1. Bovendien kunnen de handelingen, zoals genoemd onder het vierde gedachtestreepje, niet worden gekoppeld aan de diefstal van de Blackberry.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door middel van geweld de ring van aangeefster heeft afgenomen. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte de arm van [aangever 1] op haar rug heeft gedraaid en vervolgens de ring van haar vinger heeft getrokken teneinde deze in zijn bezit te krijgen.

- Was er sprake van diefstal van de Blackberry?

Verdachte heeft verklaard dat hij de Blackberry van [aangever 1] niet wilde wegnemen, maar hem als ruilmiddel wilde gebruiken om de ring van [aangever 1] in zijn bezit te krijgen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op het moment van het wegnemen van de gsm handelde als heer en meester van die gsm. Op dat moment was het immers verdachte die kon beslissen wat te doen met de Blackberry en hij besloot dat hij de telefoon als pressiemiddel wilde gebruiken. Daar komt bij dat verdachte, nadat hij de ring in zijn bezit had, de Blackberry niet aan aangeefster heeft teruggegeven en deze ten tijde van zijn aanhouding in zijn onderbroek had. Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve sprake van wederrechtelijke toe-eigening.

feit 2 subsidiair

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn toenmalige vriendin [aangever 1] heeft mishandeld.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 15 april 2012 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Blackberry) en een ring toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal van de ring werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te

maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- de arm van die [aangever 1] op de rug heeft gedraaid en de ring van haar vinger heeft afgetrokken/gehaald;

2. Subsidiair

op 15 april 2012 te Utrecht opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [aangever 1], meermalen tegen het hoofd/in het gezicht heeft gestompt/geslagen (ten gevolge waarvan die [aangever 1] op de grond viel) en vervolgens (terwijl die [aangever 1] op de grond lag) meermalen, althans éénmaal tegen het hoofd/ in het gezicht en in de buik heeft geschopt/getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

- feit 1:

diefstal

en

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

- feit 2 subsidiair:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte laten voorlichten door

drs. F. Overeem-van Pel, psycholoog, die op 12 juni 2012 een rapport heeft uitgebracht.

Uit dit rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een aandachtsstoornis met hyperactiviteit, gecombineerde type (ADHD), daarnaast is er sprake van persoonlijkheidsproblematiek met borderline en enige antisociale trekken. Volgens de deskundige zijn deze psychische problematiek en beperkingen van invloed geweest op het tenlastegelegde. Geadviseerd wordt om verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de voormelde conclusies over en maakt deze tot de hare.

Nu uit de rapportages of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf van 77 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden:

- een contactverbod met [aangever 1];

- verplicht reclasseringscontact, ook als dit inhoudt:

* een behandelverplichting bij De Waag en deelname aan een training

agressieregulatie;

* een alcoholverbod, en de controle hierop door de reclassering door middel van urinecontroles;

- een werkstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.

Daarnaast vordert de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde werkstraf verzocht deze te matigen, dan wel deels voorwaardelijk op te leggen. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat een (hoge) onvoorwaardelijke werkstraf problematisch voor verdachte kan zijn. Verdachte werkt sinds kort weer en werkt hard om zijn schulden af te lossen. De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin, [aangever 1]. Verdachte heeft hierdoor geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van [aangever 1] en deze op ernstige wijze aangetast. Bovendien heeft verdachte ervoor gezorgd dat het gevoel van veiligheid en vertrouwen van [aangever 1], zijn toenmalige vriendin, is verminderd, terwijl zij zich juist veilig zou moeten voelen bij haar partner. Slachtoffers van huiselijk geweld kunnen daar nog lange tijd de vervelende gevolgen, zoals gevoelens van onveiligheid en angst, van ondervinden.

Tevens heeft verdachte haar telefoon afgepakt en met geweld haar ring gestolen. Verdachte heeft hierbij op geen enkele manier rekening gehouden met de gevolgen voor [aangever 1].

De rechtbank houdt er rekening mee dat [aangever 1] ten gevolge van de mishandeling ernstig letsel heeft opgelopen aan haar oog/oogkas en dat er nog geen uitsluitsel kan worden gegeven met betrekking tot het al dan niet volledig herstel hiervan. [aangever 1] ondervindt tot op heden nog steeds de lichamelijke en psychische gevolgen van de mishandeling.

Wat betreft de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met:

- het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 mei 2012 waaruit blijkt dat verdachte op 21 maart 2012 door de politierechter is veroordeeld voor openlijk geweld tot één maand voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van 200 uur. Verdachte liep voor deze veroordeling nog in een proeftijd, hetgeen verdachte er kennelijk niet van weerhouden heeft zich korte tijd hierna opnieuw aan een strafbaar feit schuldig te maken;

- het omtrent verdachte uitgebrachte psychologisch rapport opgemaakt door F. Overeem-van Pel d.d. 12 juni 2012, waarin de deskundige concludeert dat verdachte gebaat is bij een ambulante behandeling, psychotherapie en ondersteuning door een maatschappelijk werker.

De rechtbank houdt er verder rekening mee dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij ter zitting er blijk van heeft gegeven oprecht spijt te hebben van hetgeen er is gebeurd en wil voorkomen dat dit zich in de toekomst herhaalt.

Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte inziet dat hij hulp nodig heeft bij zijn problemen en dat er inmiddels contact met De Waag is gelegd en dat De Waag aan heeft gegeven dat de behandeling binnenkort van start kan gaan.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat [aangever 1] tijdens de ruzie bewust woorden richting verdachte heeft gebruikt, waarvan zij wist dat deze verdachte zeer zouden kwetsen. Dit betekent uiteraard niet dat zij de gevolgen daarvan zelf over zich heeft afgeroepen; verdachte is daardoor echter wel “getriggerd”.

Verdachte had toch een andere keuze moeten maken.

De rechtbank overweegt dat, gelet op het op te leggen verplichte reclasseringscontact, de behandeling bij De Waag en het werk van verdachte, er geen tot weinig ruimte bij verdachte is voor het verrichten van een werkstraf. De rechtbank is derhalve van oordeel dat een werkstraf geen toegevoegde waarde heeft en zal aan verdachte geen werkstraf opleggen. De rechtbank zal in plaats daarvan aan verdachte een hogere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegende, en rekeninghoudende met de strafmaat in soortgelijke zaken, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 137 dagen passend en geboden is. De rechtbank acht begeleiding van verdachte door Reclassering Nederland en behandeling van verdachte noodzakelijk, voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte een flinke stok achter de deur nodig heeft om hem ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Tevens acht de rechtbank een verbod op het gebruik van alcohol door verdachte noodzakelijk, nu verdachte ten tijde van de onderhavige feiten een grote hoeveelheid alcohol had gedronken en verdachte aan heeft gegeven dat - hoewel hij niet vaak alcohol drinkt - als hij drinkt, hij véél alcohol drinkt. De rechtbank zal derhalve een deel van voornoemde gevangenisstraf, te weten 90 dagen, voorwaardelijk opleggen.

Wat betreft de begeleidende instelling overweegt de rechtbank nog dat verdachte aanvankelijk is bezocht door Reclassering Nederland, en dat contact met deze instelling is opgelegd als voorwaarde bij de schorsing van de voorlopige hechtenis. Dit contact is ook tot stand gekomen.

Weliswaar noemt de psycholoog Centrum Maliebaan als reclasseringsinstelling waarmee verdachte reeds contact zou hebben, maar gelet op de aard van de problematiek en gelet op de geadviseerde behandeling is de rechtbank van oordeel dat het contact met Reclassering Nederland moet worden voortgezet.

De rechtbank gelast de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden, omdat dit ten gunste van verdachte is en het voor verdachte van belang is dat de hulp en begeleiding snel in gang wordt gezet, hetgeen verdachte ook heeft bevestigd.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 3.373,86, waarvan

€ 3.000,00 ter zake immateriële schade en € 373,86 ter zake materiële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de door de benadeelde partij [aangever 1] ingediende vordering tot schadevergoeding toe te wijzen met oplegging van de maatregel tot schadevergoeding.

De raadsman heeft verzocht het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij te matigen, nu onderhavig feit niet vergelijkbaar is met – want minder ernstig is dan – de in bijlage van de vordering aangehaalde zaken.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden.

De rechtbank stelt de door [aangever 1] geleden immateriële schade in redelijkheid vast op

€ 1.500,00.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 273,86 (te weten: eigen risico zorgverzekering, verblijfkosten ziekenhuis en reiskosten) een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van de post “eigen risico rechtsbijstand”, te weten € 100,00, begrijpt de rechtbank dat deze kosten zijn gemaakt met betrekking tot het instellen van de vordering benadeelde partij. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten niet zijn aan te merken als buitengerechtelijke kosten. De rechtbank zal deze kosten derhalve aanmerken als gerechtskosten. Ook deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het immateriële deel van haar vordering, omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank, met uitzondering van de hiervoor genoemde gerechtskosten, tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. Het beslag

8.1. De teruggave

De rechtbank zal de terug gave gelasten van de in beslag genomen ring aan [aangever 1], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 36f, 57, 304, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal

en

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

feit 2 subsidiair: mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 137 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of niet een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal hebben en/of opnemen met [aangever 1];

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland

* dat verdachte zich hiertoe binnen vijf dagen na dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en zich zal blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland

dit gedurende de proeftijd nodig acht;

* zal meewerken en deelnemen aan een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en zal meewerken aan de, ter controle hierop, door Reclassering Nederland

af te nemen blaastesten of urinecontroles;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- beveelt dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan, dadelijk uitvoerbaar zijn;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan [aangever 1] van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

- een ring (voor de helft bezet met edelsteentjes);

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 1.773,76, waarvan € 273,76 ter zake van materiële schade en € 1.500,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 100,00;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 1.873,76 te betalen en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 27 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 augustus 2012.