Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6562

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
05-09-2012
Zaaknummer
16-512044-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank zal daarom de vordering na voorwaardelijke veroordeling toewijzen. Daarbij zal in acht genomen moeten worden d

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Parketnummer: 16/512044-10

Beslissing van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement, gedateerd 8 februari 2012 en ter zitting overgelegd, strekkende tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij het vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank van 1 mei 2012, in de zaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in HvB Wolvenplein te Utrecht,

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- een afschrift van voormeld vonnis;

- een bericht voortijdige negatieve beƫindiging van Reclassering Nederland, regio Utrecht-Arnhem, van 24 mei 2012.

Het onderzoek heeft plaats gevonden ter zitting van 7 augustus 2012, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn vader, de raadsman van de veroordeelde,

mr. H.S.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, en reclasseringswerkster mevrouw D. Bindenga.

2 De beoordeling

Aan veroordeelde is bij voormeld vonnis een jeugddetentie opgelegd voor de duur van 140 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daarbij een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder de voorwaarden dat veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen hem te geven door of namens de William Schrikker Groep en dat de veroordeelde zal meewerken aan elektronisch toezicht.

In voormeld vonnis zijn de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard. Op 11 mei 2012 is hoger beroep aangetekend tegen het eindvonnis. Op 7 juli 2012 is de veroordeelde aangehouden en op 9 juli 2012 is hij voorgeleid bij de rechter-commissaris naar aanleiding van de vordering voorlopige tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling. De rechter-commissaris heeft bij beschikking van dezelfde datum de voorlopige tenuitvoerlegging bevolen en daarnaast bevolen dat het onderzoek van de zaak ter zitting binnen 30 dagen na het bevel dient te geschieden.

De veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij de enkelband op 23 mei 2012 heeft doorgeknipt en dat hij wist van de voorwaardelijke straf die opgelegd was. De veroordeelde kan wel begrijpen dat de officier van justitie nu de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf heeft gevorderd, maar hij had het niet verwacht. De veroordeelde heeft verder ter zitting verklaard dat hij beter af is zonder de hulpverlening.

Blijkens zowel de inlichtingen van Reclassering Nederland, de toelichting van mevrouw Bindenga als ook de verklaring van de veroordeelde ter zitting, heeft de veroordeelde zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarde van elektronisch toezicht. De veroordeelde heeft zijn enkelband op 23 mei 2012 doorgeknipt. Daarnaast heeft de veroordeelde aan mevrouw Bindenga, maar ook ter zitting, aangegeven niet meer begeleid te willen worden. De officier van justitie heeft om die reden de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijke opgelegde straf gevorderd.

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf dan wel (subsidiair) dat de vordering moet worden afgewezen. De raadsman heeft dit onder meer onderbouwd door te stellen dat de vordering van de officier van justitie in strijd is met het legaliteitsbeginsel doordat deze ten onrechte uitgaat van toepasselijkheid van de bepalingen omtrent de voorlopige uitvoerbaarheid van voorwaardelijke sancties, zoals deze sinds 1 april 2012 gelden. De feiten waar veroordeelde voor is veroordeeld betreffen feiten van voor die datum. In de wet is niets bepaald ten aanzien van het overgangsrecht. Voor regels van sanctierecht heeft te gelden dat een sedert het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorlopige zaak ten gunste van die verdachte werkt. Aangezien de bepalingen omtrent de voorlopige uitvoerbaarheid voor veroordeelde ongunstiger zijn, dient het ten tijde van het feit geldende recht te worden toegepast. In dat geval is de voorwaardelijke straf waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd nog niet onherroepelijk en kan de tenuitvoerlegging nog niet worden gelast. Daar komt bij dat in voormeld vonnis ter zake de dadelijke tenuitvoerlegging niet verwezen wordt naar artikel 77za Sr. Daarnaast wordt in de vordering van de officier van justitie enkel verwezen naar artikel 14fa Sr, een bepaling uit het volwassenenstrafrecht, terwijl verwezen had moeten worden naar artikel 77cca Sr, welke bepaling specifiek voor jeugdigen geldt. Daar komt ten slotte nog bij dat er ten aanzien van het elektronisch toezicht geen termijn genoemd wordt in voormeld vonnis.

De eerste vraag die de raadsman heeft opgeworpen is dus of de rechtbank thans dient te beoordelen of de rechtbank in het vonnis van 1 mei 2012 terecht heeft geoordeeld dat de sedert 1 april 2012 geldende bepalingen over de voorlopige uitvoerbaarheid van voorwaardelijke sancties op grond van het overgangsrecht toepasselijk zijn. De rechtbank is van oordeel dat zij daar niet aan toekomt in het kader van de beoordeling van deze vordering tenuitvoerlegging. De vraag naar de uitleg van het overgangsrecht zal beoordeeld worden door de hoger beroepsinstantie. De rechtbank zal gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen van het vonnis van 1 mei 2012 dienen uit te gaan.

De rechtbank overweegt dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarde van het elektronisch toezicht, door de enkelband op 23 mei 2012 door te knippen. De veroordeelde heeft ter zitting aangegeven, dat hij van de voorwaardelijk opgelegde straf op de hoogte was, maar dat hij desondanks de gok heeft gewaagd. Hoewel in het vonnis van 1 mei 2012 met betrekking tot het elektronisch toezicht niet expliciet een termijn is opgenomen, was het alle betrokkenen duidelijk dat veroordeelde op 23 mei 2012 nog onder elektronisch toezicht stond omdat uit datzelfde vonnis en het proces-verbaal van de zitting van 17 april 2012 blijkt dat het elektronisch toezicht en de verplichting om op de door de reclassering te bepalen tijdstippen op de [adres] te Utrecht te verblijven, met elkaar samenhangende voorwaarden betreffen. Ten aanzien van de verplichting om op gestelde tijden op het verblijfsadres te verblijven is als maximale duur zes maanden opgenomen. Die zes maanden waren op 23 mei 2012 nog niet verstreken.

Ten aanzien van het ontbreken van verwijzing van wetsartikelen in de vordering van de officier van justitie, overweegt de rechtbank dat het voor de verdediging duidelijk was waar de vordering op zag.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank zal daarom de vordering na voorwaardelijke veroordeling toewijzen. Daarbij zal in acht genomen moeten worden dat deze termijn van 46 dagen is gaan lopen op 7 juli 2012.

3 De beslissing

De rechtbank:

gelast de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie, groot 46 dagen, welke voorwaardelijk was opgelegd bij vonnis van 1 mei 2012;

beveelt dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa cq 77cca Sr geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van der Meulen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 augustus 2012.