Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6411

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
16/654479-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Medeplegen overval tankstation. De rechtbank veroordeelt verdachte tot zes maanden voorwaardelijke jeugddetentie, een werkstraf van 80 uur. Als bijzonder voorwaarde wordt jeugdreclassering (Hulp en Steun, ITB-plus) opgelegd. Daarnaast wordt de leerstraf stay-a-way opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Parketnummer: 16/654479-12 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1996] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

De verdachte is bijgestaan door mr. J.W. Verhoef, advocaat te Zeist

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 augustus 2012.

2 DE TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting gewijzigd.

Aan de verdachte is, kort gezegd, het volgende ten laste gelegd:

het op 14 april 2012 samen met een ander of anderen plegen van een gewapende overval op een [tankstation] te Bunschoten.

De volledige, gewijzigde, tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging eventuele kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en heeft daarbij onder meer gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is eveneens van mening dat de rechtbank, met uitzondering van de woorden ‘pak sigaretten’ tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde kan komen en voert daarbij aan dat er sprake is van een eendaadse samenloop van het ten laste gelegde feitencomplex, omdat beide onderdelen van de tenlastelegging onder de norm van bescherming van eigendommen valt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan en heeft hierbij gelet op het volgende.

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 21 augustus 2012;

- de aangifte van [benadeelde 1].

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 14 april 2012 te Bunschoten, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in een tankstation gevestigd aan [adres]) heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 500 euro en 10, althans één of meer pakje(s) sigaretten, toebehorende aan [tankstation], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] (medewerkster van voornoemd tankstation), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

en

met het oogmerk zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 1] (medewerkster van voornoemd tankstation) heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en één of meer pakje(s) sigaretten, toebehorende aan [tankstation],

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader

- dat tankstation zijn binnengegaan en

- (in de tankshop) twee, althans een of meer, vuurwapen(s), althans (een) op (een) vuurwapen(s) gelijkend voorwerp(en), op die [benadeelde 1] hebben gericht en op (ongeveer) 25 centimeter van het hoofd van die [benadeelde 1] hebben gehouden en

- tegen die [benadeelde 1] (op luide en dreigende toon) hebben geroepen: "we willen geld" en "pak sigaretten";

Wat verder is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

eendaadse samenloop van:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

7 STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Door C.M.A. van Laarhoven, GZ-psycholoog, is een rapport d.d. 4 juli 2012 omtrent verdachte opgemaakt. Hieruit komt, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren.

[verdachte] is een vijftienjarige jongen waarbij een matige gedragsstoornis is vastgesteld, type beginnend in de kindertijd. Ook is er sprake van middelenafhankelijkheid. Scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling wordt waargenomen. Problemen op het gebied van empathie vormen het onderliggend mechanisme dat de gebrekkige cognitieve deformatie en de verstoorde gewetensfunctie verklaren waardoor [verdachte] onvoldoende in staat was om zijn immoreel handelen te beoordelen en te doen stoppen. Behoefte aan aandacht en de wens om te imponeren zijn aspecten van de gedragsproblematiek en vormen triggers voor zijn handelen. [verdachte] was ten tijde van het delict onder invloed van drugs en in de voorbereidingstijd gebruikte hij overmatig veel alcohol. Zijn afhankelijkheid aan drugs- en alcoholgebruik en deviante leefstijl maken hem onnadenkend en roekeloos en bevordert zijn kwetsbaarheid voor negatieve beïnvloeding. De druk vanuit de groep kan derhalve het gedrag van [verdachte] zonder weerstand van [verdachte] zelf beïnvloeden. Dit gebeurde in lichte mate ten tijde van het plegen van de overval. Er was naast de behoefte om te imponeren ook sprake van planning en een berekende instelling. Geconcludeerd wordt dat [verdachte] licht verminderd toerekeningsvatbaar kan worden genoemd.

De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog, te weten dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten was ten tijde van het plegen van het delict, over en maakt deze tot de hare.

De verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 DE OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun, waarvan de eerste zes maanden ITB-plus, een werkstraf voor de duur van 120 uren met aftrek van het voorarrest en een leerstraf van 20 uren.

Het standpunt van de verdediging

De advocaat refereert zich ten aanzien van een op te leggen straf aan de rapportage van Bureau Jeugdzorg en aan de vordering van de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een gewapende overval op een benzinestation te Bunschoten. Bij die overval is gebruik gemaakt van twee (op) vuurwapens (gelijkende voorwerpen), waarmee de medewerkster van de tankshop, een jonge vrouw, is bedreigd en één op zeer korte afstand, ongeveer 25 centimeter, van die [benadeelde 1] is gehouden. De medewerkster zag twee vermomde jongens haar tankshop binnen komen. De jongens richtten beiden een vuurwapen op haar. Dit is bijzonder beangstigend. Algemeen bekend is dan ook dat bij slachtoffers van een dergelijk ernstig feit gevoelens van schrik en angst teweeg worden gebracht, die lang kunnen blijven bestaan. Voorts veroorzaken dit soort feiten gevoelens van angst en van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.

De rechtbank houdt er ten voordele van verdachte rekening mee dat uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 12 juli 2012, blijkt dat verdachte een blanco strafblad heeft.

De rechtbank heeft voorts bij de strafoplegging rekening gehouden met eerdergenoemd rapport van de psycholoog, C.M.A. van Laarhoven, waarin wordt geadviseerd dat aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd als stok achter de deur, met als bijzondere voorwaarde dat [verdachte] zich in het kader van de maatregel Hulp en Steun houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering.

De rechtbank heeft eveneens rekening gehouden met het rapport van Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering d.d. 16 juli 2012, waarin wordt geadviseerd aan verdachte een geheel voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen en een (deels) onvoorwaardelijke taakstraf waarvan deels een werkstraf en deels een leerstraf in de vorm van ‘Stay-a-way’ met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun, waarvan de eerste zes maanden ITB-plus.

De Raad voor de Kinderbescherming geeft een advies gelijk aan de jeugdreclassering.

De rechtbank heeft ten voordele van verdachte ook rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en zijn licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Daarnaast heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte reeds enige tijd in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt, gedurende welke schorsing hij zeer intensieve begeleiding heeft gekregen van de jeugdreclassering, aan welke begeleiding hij goed meewerkt. In het kader van deze schorsing geldt al gedurende vier maanden dat hij vanaf het begin van de avond huisarrest heeft. Uit het gedrag van verdachte leidt de rechtbank af dat hij bereid is mee te werken aan gedragsverandering om zo de kans op herhaling van strafbare feiten te minderen.

De rechtbank acht een voorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk om verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. Een lichtere straf zou de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde miskennen.

Alles afwegende, de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en één van de doelen van het jeugdstrafrecht te weten gedragsverandering bij de verdachte te proberen te bewerkstelligen,zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen voor de duur van zes maanden en een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie en een leerstraf in de vorm van ‘stay-a-way’ voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest en als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun, waarvan de eerste zes maanden ITB-plus.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 357,- aan materiële schade en € 1.000,- per verdachte voor immateriële schade gevoegd in het onderhavige strafproces.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te weten € 357,- voor materiële schade en € 1.000,- voor immateriële schade en hoofdelijke aansprakelijkheid.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen de gevorderde immateriële schade toegewezen zou kunnen worden tot een bedrag van € 600,- en dat de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank is van oordeel dat, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij (van dichtbij) met een pistool bedreigd is tijdens de diefstal met geweld en de afpersing en zij voorts heeft aangegeven dat zij grote angsten heeft doorstaan, genoegzaam aannemelijk is geworden dat zij voor haar leven vreesde en dat zij als gevolg daarvan nog steeds hinder ondervindt. De rechtbank acht de vorderingen van de benadeelde partij voor wat betreft het immateriële deel voldoende onderbouwd en in beginsel voor toewijzing vatbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen kosten voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten een bedrag van € 357,-. Deze kosten acht de rechtbank voldoende onderbouwd. Gelet op de ernst van het feit en de leeftijd van de verdachte(n), en hun financiële en economische positie, acht de rechtbank een totaalbedrag van € 990,- voor immateriële schade redelijk en billijk. Om te bewerkstelligen dat de verdachten onderling zo min mogelijk contact zullen hebben, zal de rechtbank de vordering niet hoofdelijk toewijzen, maar zal zij de vordering in evenredigheid verdelen onder de verdachten.

De vordering dient dan ook in het geval van verdachte tot een totaalbedrag van (€ 990,- : 3 =) € 330,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2012, te worden toegewezen. Bovendien zal het gevorderde bedrag van (€ 357,- : 3 =) € 119,- voor de kosten van rechtsbijstand worden toegewezen. Voor het overige zal deze benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich namens [tankstation]

Service met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 4.271,88 aan materiële schade gevoegd in het onderhavige strafproces.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en deze te matigen tot € 2.128,28 voor materiële schade en hoofdelijke aansprakelijkheid.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende onderbouwd is en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij

[tankstation] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat daarbij meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, zoals hiervoor onder 6 is weergegeven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van de maatregel Hulp en Steun worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg;

* dat verdachte gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd ITB-Plus zal volgen;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 40 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een leerstraf, te weten Stay-a-way, van 20 uren;

- beveelt dat indien verdachte de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 10 dagen;

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het onherroepelijk worden van dit vonnis;

Benadeelde partijen

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[benadeelde 1], wonende te [woonplaats] van een bedrag van € 330,- (zegge: driehonderd dertig euro) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] voor wat het meer gevorderde betreft in de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt en nog zal maken, tot op heden begroot op € 119,-.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat een bedrag van

€ 330,- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [tankstation] in de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E.A.A. van Kalveen en P.W.G. de Beer rechters, in tegenwoordigheid van

mr. P. Groot-Smits griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van

4 september 2012.