Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6269

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-07-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
SBR 09/590 en SBR 09/591
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het bedrag van de door eiseres aangevraagde subsidie voor de projecten op grond van de Subsidieregeling ESF-3 op nihil vastgesteld. Er is slechts nog in geding of verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door de subsidies op nihil vast te stellen. Verweerder heeft niet aan de opdracht van de rechtbank en de ABRvS voldaan om voldoende inzicht te geven in de wijze waarop en aan de hand van welke criteria van geval tot geval wordt beoordeeld of de subsidie, vanwege een geringe mate van realisatie en het niet nakomen van administratieve verplichtingen, op nihil wordt gesteld. Uit hetgeen verweerder heeft gesteld en overgelegd, kan de rechtbank alleen afleiden dat in sommige gevallen de subsidie op nihil is vastgesteld en in andere gevallen een korting is toegepast. Voor zover verweerder heeft willen betogen dat hij niet aan de opdracht kan voldoen, moet dit voor zijn risico blijven, nu hij immers zelf moet bewaken dat hij conform het gelijkheidsbeginsel handelt. De rechtbank sluit niet uit dat verweerder de bestreden besluiten op deze manier heeft kunnen nemen, maar met hetgeen verweerder heeft gesteld en overgelegd kan zij niet controleren of verweerder met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel heeft besloten. Gelet hierop zijn de bestreden besluiten dan ook onvoldoende gemotiveerd. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Nu verweerders besluiten in deze procedure voor de derde keer worden vernietigd en deze procedure reeds zeer lang voortduurt, zal de rechtbank verweerder niet nogmaals de gelegenheid geven om zijn standpunt over het gelijkheidsbeginsel nader te motiveren. De rechtbank draagt verweerder, gelet op het voorgaande, op om nieuwe besluiten op bezwaar te nemen waarin subsidie aan eiseres wordt toegekend voor de, naar tussen partijen vaststaat, gerealiseerde 9% respectievelijk 11% van de projecten. Nu het de rechtbank aan de expertise ontbreekt om het bedrag van deze subsidie vast te stellen, kan zij in dit geval niet aan verdere finale geschillenbeslechting doen. De rechtbank geeft partijen in overweging om voorafgaand aan de nieuwe besluiten op bezwaar over het bedrag van de subsidie met elkaar in overleg te treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 09/590 en SBR 09/591

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Stichting Centrum Arbeidsmarktvraagstukken Informatie en Communicatie Technologie (CA-ICT), te Gorinchem, eiseres,

gemachtigde: mr. R. van den Berg Jeths, advocaat te Eindhoven,

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,

gemachtigde: mr. F.A. Gelauff.

Inleiding

1.1 Bij afzonderlijke besluiten van 2 december 2004 heeft verweerder het bedrag van de door eiseres aangevraagde subsidie voor de projecten “Scholing in de ICT, Atos Origin Nederland 2003-1” en “Scholing in de ICT, Atos Origin Nederland 2003-2” (de projecten) op grond van de Subsidieregeling ESF-3 (de Subsidieregeling) op nihil vastgesteld. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij afzonderlijke besluiten van 13 juni 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. Deze beroepen zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de nummers SBR 05/3373 en SBR 06/1793.

1.2 Bij uitspraak van 20 oktober 2006 heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om nieuwe besluiten op het bezwaar van eiseres te nemen.

1.3 Verweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 11 januari 2007 opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld. Deze beroepen zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de nummers SBR 07/380 en SBR 07/381.

1.4 Bij uitspraak van 17 december 2007 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

1.5 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft bij uitspraak van 1 oktober 2008 het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 17 december 2007 vernietigd, de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 11 januari 2007 vernietigd.

1.6 Bij afzonderlijke besluiten van 29 januari 2009 (de bestreden besluiten) heeft verweerder wederom het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze besluiten heeft eiseres beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.7 De gedingen zijn behandeld ter zitting van 16 juni 2011, waar [A] namens eiseres is verschenen. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

1.8 Bij brief van 2 augustus 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vragen gesteld aan verweerder.

1.9 Verweerder heeft deze vragen beantwoord bij brief van 12 september 2011.

1.10 Eiseres heeft hierop bij brief van 5 december 2011 gereageerd.

1.11 Vervolgens hebben eiseres en verweerder bij brieven van respectievelijk 2 maart 2012 en 17 februari 2012 toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt.

1.12 Heden sluit de rechtbank het onderzoek.

Overwegingen

2.1 De rechtbank heeft in de uitspraak van 20 oktober 2006 geoordeeld dat verweerder op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd was om de verleende subsidies op een lager bedrag vast te stellen, nu de activiteiten waarvoor subsidie is verleend slechts in beperkte mate hebben plaatsgevonden en eiseres niet heeft voldaan aan haar verplichtingen, zoals bedoeld in artikel 11 en artikel 12, derde lid, van de Subsidieregeling. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat verweerder niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld door de verleende subsidies op nihil vast te stellen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het haar niet duidelijk is geworden waarom verweerder bij het project “SAP Blueprint 2004-2005 NAM” (SAP Blueprint) geen redenen aanwezig heeft geacht om de subsidie op nihil vast te stellen en bij de projecten wel. Het lag naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder om voldoende inzicht te geven in de wijze waarop en aan de hand van welke criteria van geval tot geval wordt beoordeeld of de subsidie, vanwege een geringe mate van realisatie en het niet nakomen van administratieve verplichtingen, op nihil wordt gesteld. De rechtbank heeft verweerder opgedragen met inachtneming van het voorgaande nieuwe besluiten op bezwaar te nemen.

2.2 De ABRvS heeft in zijn uitspraak van 1 oktober 2008 geoordeeld dat de rechtbank in haar uitspraak van 17 december 2007 niet heeft onderkend dat de besluiten van 11 januari 2007 niet met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2006 zijn genomen. De ABRvS heeft in dit verband overwogen dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om inzicht te geven in de wijze waarop en aan de hand van welke criteria van geval tot geval werd beoordeeld of de subsidie, vanwege een geringe mate van realisatie en het niet nakomen van administratieve verplichtingen, op nihil werd gesteld. Verweerder kon naar het oordeel van de ABRvS niet volstaan met het maken van een vergelijking tussen de projecten en SAP Blueprint, maar diende eigener beweging vergelijkbare gevallen, waaronder in ieder geval de beschikkingen van de projecten “Scholing in de ICT, Flex Group Nederland BV” (Flex Group Nederland BV) en “Scholing in de ICT, NRG Benelux BV-2” (NRG Benelux BV-2), in de ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 20 oktober 2006 te geven motivering te betrekken.

2.3 Zoals volgt uit de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS, is slechts nog in geding of verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door de verleende subsidies op nihil vast te stellen. De omstandigheid dat verweerder in de bestreden besluiten opnieuw is ingegaan op aspecten waarover de rechtbank in de uitspraak van 20 oktober 2006, waartegen partijen geen hoger beroep hebben ingesteld, reeds uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven en de omstandigheid dat eiseres hier beroepsgronden tegen heeft aangevoerd, leiden er niet toe dat de rechtbank bevoegd is deze aspecten in deze uitspraak wederom te beoordelen.

2.4 Eiseres heeft gesteld dat de bestreden besluiten nog steeds in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel. Zowel bij de projecten als bij SAP Blueprint, Flex Group Nederland BV en NRG Benelux BV-2 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er niet (volledig) is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb. Volgens eiseres toetst verweerder, om vast te stellen of sprake is van gelijke gevallen, aan het percentage deelnemers ten opzichte van de aanvraag, de uitgevoerde activiteiten en de nakoming van de verplichtingen in de Subsidieregeling. Eiseres heeft een schema bijgevoegd met de gegevens van de drie hiervoor vermelde projecten. Eiseres heeft gesteld dat bij gebrek aan beleid moet worden geconcludeerd dat sprake is van zowel feitelijk als rechtens gelijke gevallen. De drie door haar aangehaalde projecten zijn naar rato gecorrigeerd, terwijl de subsidie van de projecten op nihil is gesteld. Volgens eiseres moet uit de door haar aangehaalde projecten worden afgeleid dat het slechts mogelijk is de subsidie op nihil vast te stellen als de activiteiten in het geheel niet hebben plaatsgevonden. Ter zitting heeft eiseres nog toegelicht dat verweerder volgens haar geen beleid voert, breekt met een bestendige gedragslijn op grond waarvan naar rato van realisatie werd gecorrigeerd en nalaat inzicht te geven in zijn gedachtegang. Hierdoor is het standpunt van verweerder niet controleerbaar, aldus eiseres.

2.5 Verweerder heeft in de bestreden besluiten gesteld dat gelijke gevallen in deze zaken ook feitelijk en rechtens gelijk moeten zijn, beoordeeld in de context van de Subsidieregeling. Onder meer wordt getoetst aan de artikelen 11 en 12 van de Subsidieregeling. Verweerder heeft gesteld dat er geen sprake is van begunstigend beleid of van een bewuste gedragslijn, waarbij gelijke gevallen ongelijk worden behandeld, nu er in dit geval een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bewuste ongelijke behandeling is aan te wijzen. In dit verband heeft verweerder gesteld dat in de drie door eiseres aangehaalde projecten de activiteiten overeenkomstig het projectplan en conform de Subsidieregeling zijn uitgevoerd. Bij deze projecten is geconstateerd dat de financiële administratie niet voldeed aan de daartoe gestelde eisen van de Subsidieregeling, wat heeft geresulteerd in een lagere vaststelling van de subsidie. Verweerder heeft gesteld dat bij de projecten de activiteiten op grond van het projectplan niet, althans onvoldoende, zijn uitgevoerd, niet is voldaan aan de vereisten van de Subsidieregeling en de projecten zijn uitgevoerd in afwijking van de bij de aanvragen gevoegde projectbeschrijvingen, voor zover ook de subsidieverlening daarop was gebaseerd. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het verschil tussen hetgeen waarvoor subsidie is verleend en hetgeen daarvan is uitgevoerd bij de projecten veel groter is dan bij de andere projecten, waarbij nog iets van het oorspronkelijke project overeind is gebleven. Volgens verweerder gaat het dan ook niet om gelijke gevallen. Verweerder heeft tevens ter zitting gesteld dat in de subsidieperiode 2000-2006 in meerdere gevallen de subsidie op nihil is vastgesteld.

2.6 De rechtbank heeft verweerder in haar brief van 2 augustus 2011, waarbij het onderzoek is heropend, verzocht schriftelijk mee te delen in hoeveel van de zaken, waarin in de subsidieperiode 2000-2006 de subsidie op nihil is vastgesteld, een gedeelte van de activiteiten conform het projectplan en met inachtneming van de subsidievoorschriften heeft plaatsgevonden en daarbij aan te geven waarom in die gevallen tot nihilstelling van de subsidie is overgegaan. De rechtbank heeft verweerder tevens verzocht mee te delen in hoeveel zaken in de subsidieperiode 2000-2006, waarin slechts een gedeelte van de activiteiten conform het projectplan en met inachtneming van de subsidievoorschriften heeft plaatsgevonden, niet tot nihilstelling van de subsidie is overgegaan en daarbij aan te geven waarom dat niet is gedaan. De rechtbank heeft verweerder verzocht bij de beantwoording van deze vragen in ieder geval aandacht te besteden aan de criteria voor het vaststellen van de subsidie die tot nu toe in deze procedure aan de orde zijn geweest, te weten 1. het percentage van de activiteiten dat heeft plaatsgevonden conform het projectplan, 2. het percentage van de activiteiten dat heeft plaatsgevonden conform de subsidievoorschriften en 3. het aantal deelnemers dat ten opzichte van het in de aanvraag vermelde aantal aan de activiteiten heeft deelgenomen. Als er volgens verweerder nog andere criteria van toepassing zijn, is verweerder verzocht die tevens te vermelden.

2.7 Verweerder heeft in zijn reactie van 12 september 2011 ter beantwoording van de eerste vraag van de rechtbank 12 beschikkingen met bijlagen overgelegd waarin de subsidie op nihil is vastgesteld. Verweerder heeft er op gewezen dat in al deze zaken onder meer een hoofdverplichting is geschonden, namelijk een verplichting op grond van artikel 11 van de Subsidieregeling. Het is niet uitgesloten dat projectactiviteiten wel zijn uitgevoerd, maar er is met name niet voldaan aan administratievoorschriften, aldus verweerder. Volgens verweerder kunnen in de beschikkingen de criteria worden teruggevonden waarom de subsidie in dat geval op nihil is gesteld. Verweerder heeft verder gesteld dat hij de tweede vraag van de rechtbank alleen in het algemeen kan beantwoorden, omdat het kan gaan om honderden aanvragen waarin in individuele projecten een korting is toegepast. Dit is nooit systematisch bijgehouden en het is onbegonnen werk om honderden dossiers te lichten, aldus verweerder. Verweerder heeft te kennen gegeven wel te kunnen meedelen dat in de periode 2000-2006 bij 976 van de 1959 ingediende einddeclaraties van ESF-projecten een korting ten opzichte van de einddeclaratie is doorgevoerd in de vaststelling. Van de 976 kortingen zijn er 18 vastgesteld op nihil.

2.8 Eiseres heeft in haar reactie van 5 december 2011, wat betreft verweerders antwoord op de eerste vraag van de rechtbank, gesteld dat in alle gevallen waaraan verweerder refereert, naast onderrealisatie ook sprake is van aanvullende verwijten, die verweerder er mede (en met name) toe hebben gebracht om de subsidie op nihil vast te stellen. Volgens eiseres laten de door verweerder aangehaalde projecten zich dan ook slecht vergelijken met de projecten. Wat betreft verweerders antwoord op de tweede vraag van de rechtbank heeft eiseres gesteld dat hieruit blijkt dat er in veel meer gevallen een korting naar rato is doorgevoerd en dat nihilstelling slechts in uitzonderlijke gevallen heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat er ook iets uitzonderlijks aan de hand moet zijn en in dit geval is alleen sprake van onderrealisatie, aldus eiseres.

2.9 De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de bestreden besluiten, de toelichting ter zitting en de antwoorden op de vragen van de rechtbank nog steeds niet aan de opdracht van de rechtbank en de ABRvS heeft voldaan om voldoende inzicht te geven in de wijze waarop en aan de hand van welke criteria van geval tot geval wordt beoordeeld of de subsidie, vanwege een geringe mate van realisatie en het niet nakomen van administratieve verplichtingen, op nihil wordt gesteld. Uit hetgeen verweerder heeft gesteld en overgelegd, kan de rechtbank alleen afleiden dat in sommige gevallen de subsidie op nihil is vastgesteld en in andere gevallen een korting is toegepast. Voor zover verweerder heeft willen betogen dat hij niet aan de opdracht kan voldoen, moet dit voor zijn risico blijven, nu hij immers zelf moet bewaken dat hij conform het gelijkheidsbeginsel handelt. De rechtbank sluit niet uit dat verweerder de bestreden besluiten op deze manier heeft kunnen nemen, maar met hetgeen verweerder heeft gesteld en overgelegd kan zij niet controleren of verweerder met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel heeft besloten. Gelet hierop zijn de bestreden besluiten dan ook onvoldoende gemotiveerd en slaagt de beroepsgrond.

2.10 De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.11 Nu verweerders besluiten in deze procedure voor de derde keer worden vernietigd en deze procedure reeds zeer lang voortduurt, zal de rechtbank verweerder niet nogmaals de gelegenheid geven om zijn standpunt over het gelijkheidsbeginsel nader te motiveren. De rechtbank draagt verweerder, gelet op het voorgaande, op om nieuwe besluiten op bezwaar te nemen waarin subsidie aan eiseres wordt toegekend voor de, naar tussen partijen vaststaat, gerealiseerde 9% respectievelijk 11% van de projecten. Nu het de rechtbank aan de expertise ontbreekt om het bedrag van deze subsidie vast te stellen, kan zij in dit geval niet aan verdere finale geschillenbeslechting doen. De rechtbank geeft partijen in overweging om voorafgaand aan de nieuwe besluiten op bezwaar over het bedrag van de subsidie met elkaar in overleg te treden.

2.12 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

2.13 Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 966,-, te betalen aan eiseres;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 576,- aan eiseres te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. M. ter Brugge, als voorzitter, en mr. M. Ramsaroep en

mr. Y. van Wezel, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2012.

De griffier: De voorzitter:

mr. A.E. Veldhoen mr. M. ter Brugge

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.