Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6207

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
801220 UC EXPL 12-3911 4215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Tuinwerkzaamheden. Gedaagde heeft deel factuur onbetaald gelaten. De kantonrechter overweegt dat gedaagde niet gelijktijdig het afgesproken uurtarief kan betwisten en het verweer kan voeren dat partijen een (maximum) prijsafspraak hebben gemaakt. Het verweer dat partijen een prijsafspraak hebben gemaakt, wordt als ongeloofwaardig verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/303

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 801220 UC EXPL 12-3911 4215

vonnis van 29 augustus 2012

inzake

[eiser],

h.o.d.n. [eiser],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. A. Heijink,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [gedaagde],

gedaagde,

procederend in persoon.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 25 april 2012. De comparitie is gehouden op 3 juli 2012, waarvan aantekening is gehouden. Hierna is uitspraak bepaald.

2. Feiten

2.1. [eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden in diens tuin verricht. Voor deze werkzaamheden heeft [eiser] [gedaagde] bij factuur van 21 mei 2009 een bedrag van € 9.936,06 (inclusief BTW) in rekening gebracht.

2.2. [gedaagde] heeft een deel van de factuur in tranches betaald.

2.3. In zijn mail van 16 april 2010 aan [eiser] schrijft [gedaagde] onder meer:

“(…) De Europeesche organisatie staat er, het ontwikkel traject om het op een europeesch level te brengen zijn we nu eindelijk mee klaar en de productie kan beginnen. In mei kan het dan echt gaan rollen en gelukkig het geld dan ook weer.

(…)

Anyway. Ik kan vandaag weer een stukje aan jou overmaken en de rest komt allemaal zo snel mogelijk.”

2.4. Op 3 januari 2011 maant [eiser] [gedaagde] aan het resterende bedrag van € 6.631,08 (inclusief BTW) te betalen.

2.5. In zijn mail van 26 juli 2011 aan [gedaagde] schrijft [eiser]:

“(…) maar nu ik nog even er staat nog steeds € 5131,00 open en dat gaat voor mij niet goed kunnen wij een afspraak maken dat dit versneld glad gemaakt wordt of wel betaal dit graag dadelijk is de rek 2 jaar oud en dat lijkt mij niet goed.”

2.6. In zijn mail van 29 juli 2011 aan [eiser] reageert [gedaagde] als volgt:

“(…) Dit jaar nog zijn wij vereffend. Wil alleen na ongeveer op de helft zitten, nog steeds antwoord op mijn vraag. Jouw factuur was het dubbele van wat ik had verwacht. Hier zou je nog na kijken evenals wat er op factuur zou komen.”

2.7. In zijn mail van 17 augustus 2011 aan [eiser] schrijft [gedaagde]:

“(…) De rekening zal wel kloppen maar met het dubbele van wat verwacht en waar rekening was gehouden was het toch een verassing. (…) Dit betekend dat over het resterende bedrag (ongeveer de helft) ik bijna 20% aftrek zoals eerder besproken.”

2.8. Op 11 januari 2012 sommeert de advocaat van [eiser] schriftelijk [gedaagde] binnen vijf dagen een bedrag van € 9.860,05 te betalen.

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeelt:

- tot betaling van € 5.131,08, te vermeerderen met primair de contractuele rente van 1% per maand, subsidiair de wettelijke rente en meer subsidiair een in goede justitie te bepalen rente, vanaf 5 juni 2009;

- tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 833,-; en

- in de proceskosten en de nakosten van € 131,-, te vermeerderen, voor het geval betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,- voor nasalaris gemachtigde en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagtekening van dit vonnis.

3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij tegen een uurtarief van € 32,75 (exclusief BTW) werkzaamheden in de tuin van [gedaagde] heeft verricht. Op deze werkzaamheden zijn de algemene voorwaarden van [eiser] van toepassing.

Tijdens de zitting heeft [eiser] toegelicht dat hij voor verschillende mensen in de straat waar [gedaagde] woonde, tuinwerkzaamheden heeft verricht. Het is volgens [eiser] plaatselijk algemeen bekend tegen welk uurtarief hij werkt. Dit tarief is voorafgaand aan de werkzaamheden ook afgesproken, aldus [eiser].

[gedaagde] had volgens [eiser] een lijstje van de werkzaamheden die hij uitgevoerd wilde hebben. [gedaagde] stelt dat lijstje niet te hebben gezien. In eerste instantie moesten planten verplaatst en tegels gelegd worden. Nadien zijn de werkzaamheden bijna dagelijks op verzoek van [gedaagde] uitgebreid, aldus nog steeds [eiser]. Als voorbeelden van deze uitbreiding noemt [eiser] het uitgraven van een sleuf in de tuin en het opnieuw verplaatsen van al verplaatste planten.

3.3. [gedaagde] voert verweer en betwist dat hij gehouden is het gevorderde bedrag te voldoen. Voor zover van belang voert hij daartoe het volgende aan. Voorafgaand aan de werkzaamheden van [eiser] heeft hij Hoveniersbedrijf R. van Doorn in Leersum om een offerte gevraagd. Deze offerte van 23 februari 2009 noemt een totaalprijs van € 3.325,- (inclusief BTW). Niettemin heeft hij [eiser] de opdracht vanwege een “gungevoel” gegeven, omdat hij gehandicapt is aan een arm en met oude materialen werkt. Volgens [gedaagde] is een uurtarief van € 20,- afgesproken en heeft hij [eiser] bij het aangaan van de overeenkomst meegedeeld dat hij de klus geklaard wilde hebben voor een bedrag tussen € 2.000 en € 4.000, waarbij hij de offerte van Van Doorn in het achterhoofd had. Ook heeft hij een maximumbedrag van € 5.000,- genoemd, aldus [gedaagde].

Verder betrekt [gedaagde] het standpunt dat hij [eiser] regelmatig naar een tussenstand heeft gevraagd om verrassingen te voorkomen. [eiser] stelde hem elke keer gerust, aldus nog steeds [gedaagde].

De factuur kwam volgens [gedaagde] als een grote verrassing. Volgens [gedaagde] heeft hij in totaal een bedrag van € 4.800,- betaald, hetgeen € 200,- minder is dan het maximale budget.

Ten slotte betwist [gedaagde] de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden waarop de vordering tot betaling van de contractuele rente is gebaseerd.

3.4. De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen bestaat geen geschil over de kwaliteit van de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden. Kennelijk zijn zij het erover eens dat [eiser] heeft gedaan wat zij hebben afgesproken en ook dat hij deze werkzaamheden deugdelijk heeft uitgevoerd. Vaststaat verder dat [gedaagde] een deel van de factuur heeft betaald. Tijdens de comparitie is gebleken dat partijen, ondanks het feit dat de sommatiebrief van 11 januari 2012 een ander bedrag noemt (zie r.o. 2.8), het erover eens zijn dat de openstaande hoofdsom op dit moment € 5.131,08 bedraagt.

Partijen twisten wel over de gemaakte financiële afspraken, in het bijzonder over het afgesproken uurtarief van [eiser] en over de vraag of een richtprijs en in elk geval een maximale prijs overeen zijn gekomen. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering ligt het op de weg van [eiser] de inhoud van de overeenkomst in voldoende mate te stellen en deze, indien nodig, te bewijzen.

3.5. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] twee verweren voert waaraan niet gelijktijdig betekenis kan toekomen, omdat een verweer dat betrekking heeft op het uurtarief niet gelijktijdig gevoerd kan worden met de stelling dat partijen een (maximum) prijsafspraak hebben gemaakt. Uit de standpunten van [gedaagde] en zijn ter zitting gegeven toelichting volgt dat zijn verweer zich in het bijzonder richt op een prijsafspraak, zodat de kantonrechter het verweer dat betrekking heeft op het uurtarief verder onbesproken zal laten.

3.6. Met betrekking tot het verweer van [gedaagde] dat hij met [eiser] een richtprijs tussen € 2.000,- en € 4.000,- met een maximum van € 5.000,- heeft afgesproken, overweegt de kantonrechter als volgt.

Niet is gebleken dat [gedaagde] zich kort na de ontvangst van de factuur van 21 mei 2009 op het standpunt heeft gesteld dat de factuur het budget had overschreden.

Verder staat vast dat [gedaagde] een deel van de factuur in verschillende tranches contant heeft betaald. Gesteld noch gebleken is dat hij bij deze deelbetalingen aan [eiser] te kennen heeft gegeven dat het factuurbedrag het budget had overschreden, hetgeen wel voor de hand had gelegen. Dit standpunt heeft [gedaagde] ook niet ingenomen in zijn mail van 16 april 2010, waarin hij [eiser] schrijft dat hij alvast een deel van het bedrag zal betalen (zie r.o. 2.3). Verder wijst de kantonrechter op [gedaagde] mail van 3 november 2010 aan [eiser] waarin hij schrijft “Wanneer ben je bij [A]? Heb weer wat gespaard.”. Met deze mails geeft [gedaagde] juist zonder voorbehoud te kennen dat hij wederom een deel van het factuurbedrag zal betalen. Pas in zijn mail van 29 juli 2011 (zie r.o. 2.6), dus ruim twee jaar na factuurdatum en zeven maanden na de aanmaning, betrekt [gedaagde] voor het eerst het standpunt dat partijen prijsafspraken hebben gemaakt.

Deze gespreide betalingen werpen – mede gelet op de omstandigheid dat uit de emailcorrespondentie blijkt dat [gedaagde] toen bezig was een onderneming op te zetten – veeleer het beeld op dat [gedaagde] niet in staat was de factuur in één keer te betalen.

3.7. Bovendien staat als onweersproken vast dat de aan [eiser] opgedragen werkzaamheden veelvuldig op verzoek van [gedaagde] zijn uitgebreid. Als het zo zou zijn dat partijen de door [gedaagde] gestelde prijsafspraken hebben gemaakt, dan had het voor de hand gelegen dat [eiser] op een gegeven moment aan de bel had getrokken, omdat hij de werkzaamheden niet meer binnen het budget zou kunnen verrichten. Dit heeft hij niet gedaan. Sterker nog: volgens [gedaagde] eigen stellingen heeft hij bij [eiser] steeds naar een tussenstand gevraagd, terwijl laatstgenoemde met geen woord over de verhouding tussen de werkzaamheden en het budget heeft gesproken.

3.8. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat het verweer van [gedaagde] als tegenstrijdig met zijn handelwijze en als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven. Dit oordeel leidt ertoe dat van de juistheid van de stellingen van [eiser] moet worden uitgegaan, zodat de vordering tot betaling van de openstaande hoofdsom van € 5.131,08 zal worden toegewezen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

Rente

3.9. De gevorderde contractuele rente zal worden afgewezen. Gelet op het verweer van [gedaagde] op dit punt had het op de weg van [eiser] gelegen nader te onderbouwen dat zijn algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn verklaard en dat deze tijdig aan [gedaagde] zijn overhandigd. Dit heeft hij nagelaten.

De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is niet door [gedaagde] weersproken en zal worden toegewezen.

Incassokosten

3.10. Ten aanzien van de gevorderde (buitengerechtelijke) incassokosten hanteert de kantonrechter conform het rapport Voorwerk II het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

[eiser] heeft ter onderbouwing van de gestelde buitengerechtelijke incassokosten één (standaard) sommatiebrief in het geding gebracht. Daarmee is niet althans onvoldoende gesteld en onderbouwd dat daadwerkelijk verdergaande buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt voor verrichtingen als hiervoor omschreven. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te sluiten, zodat de kantonrechter dit onderdeel van de vordering zal afwijzen.

Proceskosten

3.11. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 76,17

- griffierecht € 207,00

- salaris gemachtigde € 500,00 (2 punten x tarief € 250,00)

Totaal € 783,17

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten zullen op de hierna te vermelden wijze worden toegewezen.

4. De beslissing

De kantonrechter

4.1. veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] te betalen € 5.131,08 met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 5 juni 2009 tot de dag van volledige betaling,

4.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 783,17, waarin begrepen € 500,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.3. veroordeelt [gedaagde], onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, als betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van het vonnis,

4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012.