Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6183

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
16-655425-12 (meerderjarig)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tll "uit elkaar getrokken"; verdachte is ttv het onder 1 tll deels meerder- en deels minderjarig. Verweer niet ontv ovj verworpen: feit 1 (handel) en feit 2 (bezit) bezien niet op een en hetzelfde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655425-12 (meerderjarig) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Gelet op de wijze waarop het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, mede naar aanleiding van de daarbij door de officier van justitie en de verdediging nadrukkelijk ingenomen standpunten, is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging gelezen en begrepen dient te worden als bestaande uit een deel dat ziet op de periode waarin verdachte minderjarig was, respectievelijk op de periode dat verdachte meerderjarig was.

Voor wat betreft de periode dat verdachte meerderjarig was komt de verdenking er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 22 december 2011 tot en met 17 februari 2012 gehandeld heeft in cocaïne en/of heroïne;

feit 2: op 16 februari 2012 een hoeveelheid cocaïne en/of heroïne in zijn bezit heeft gehad.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

Ontvankelijkheid Officier van Justitie

De raadsman heeft betoogd dat de officier ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit niet ontvankelijk dient te worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat hetgeen onder 2 ten laste is gelegd tevens valt onder het onder 1 ten laste gelegde feit.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het onder feit 1 ten laste gelegde voldoende duidelijk blijkt dat dit feit ziet op de handel in cocaïne en/of heroïne over een bepaalde periode. Het onder twee ten laste gelegde is nader geconcretiseerd en beperkt in tijd en heeft enkel betrekking op het bezit van cocaïne en/of heroïne op 16 februari 2012. Deze wijze van tenlasteleggen staat niet aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Verdachte dient derhalve daarvan vrijgesproken te worden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is, derhalve dient bewijsuitsluiting te volgen van al hetgeen dat na de aanhouding van verdachte is verkregen. Voorts blijkt uit het dossier niet dat de onder verdachte in beslag genomen Nokia gsm voor 12 februari 2012 bij verdachte in gebruik was. Tevens dienen de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 2] van het bewijs te worden uitgesloten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL0940/2012-037499B. De door de rechtbank in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

4.3.1. Verweren

4.3.1.1. De aanhouding van verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is, nu er geen enkele aanleiding was om aan te nemen dat het aangetroffen etui van verdachte was. Verbalisanten hebben niet waargenomen waar het etui vandaan kwam. Het is niet uit te sluiten dat het etui van een ander, bijvoorbeeld één van de door verdachte genoemde fietsers, afkomstig was. Derhalve dient bewijsuitsluiting te volgen van hetgeen verkregen is na de aanhouding van verdachte. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden.

De rechtbank overweegt dat verdachte zittend op zijn scooter in het donker op een parkeerplaats werd aangetroffen. Het licht van de scooter was gedoofd. Voorts werd er een etui aangetroffen vlakbij de plaats waar verdachte stond, voordat hij in de richting van verbalisanten liep. Het aangetroffen etui was droog, terwijl het op een natte ondergrond had gelegen. In het etui zijn vervolgens 25 in plastic verpakte witte en bruine bolletjes aangetroffen, waarvan men op dat moment vermoedde dat deze heroïne en/of cocaïne bevatten. De verbalisanten hebben op dat moment, anders dan verdachte (volgens zijn verklaring ter zitting), geen andere personen in de buurt gezien.

Verdachte heeft bij de politie, de rechter-commissaris en in raadkamer geen verklaring afgelegd die aanleiding gaf voor nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden kort voor en ten tijde van zijn aanhouding. Verdachte verklaart eerst ter zitting, bijna een half jaar na dato, over de aanwezigheid van fietsers.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er op 16 februari 2012 voldoende aanleiding was om verdachte aan te houden.

De rechtbank overweegt voorts dat indien, zoals door de verdediging is betoogd, reeds één of meer andere personen kort voor of op het moment van aanhouding van verdachte ter plaatse was of waren, wat van dit betoog overigens ook zij, dit niet af doet aan de rechtmatigheid van de aanhouding.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

4.3.1.2. De Nokia telefoon van verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat de telefoonlijst, zoals deze zich in het dossier bevindt, willekeurig is geknipt en geplakt, nu deze alleen maar uitgaande gesprekken bevat. Daarnaast heeft men willekeurig namen neergezet op de lijst.

Voorts blijkt, aldus de raadsman, uit het dossier niet dat de telefoon vóór 12 februari 2012 in gebruik was bij verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon pas op 12 februari 2012 heeft gekocht en op de lijst staat, voor wat betreft de periode vóór 12 februari 2012, ook een ander telefoonnummer. Derhalve is het mogelijk dat de telefoonnummers van de door de politie achterhaalde gebruikers al in de telefoon stonden voordat verdachte deze had aangeschaft.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat het overzicht van gevoerde gesprekken en sms-berichten uit de telefoon van verdachte volledig is. Uit de lijst volgt dat verdachte de ene keer de beller en de ander keer de ontvanger is geweest van de gevoerde gesprekken en/of sms-berichten. De lijst geeft derhalve een overzicht van de telefoongesprekken en sms-berichten van en naar verdachte en niet alleen van uitgaand telefoonverkeer.

De rechtbank is voorts van oordeel dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat er willekeurig namen op deze lijst zijn vermeld of dat in de betreffende lijst geknipt en/of geplakt is. De verdediging heeft dit betoog niet nader geconcretiseerd of door middel van een onderbouwing aannemelijk gemaakt.

De rechtbank constateert voorts dat de in het proces-verbaal genoemde contacten zijn aangetroffen op de simkaart van de Nokia telefoon en (daarom) niet afkomstig zijn uit het geheugen van de telefoon zelf. De rechtbank acht het derhalve niet aannemelijk dat de betreffende contacten van een andere persoon zijn dan verdachte, die de contacten op zijn telefoon zou hebben opgeslagen, zoals door verdachte betoogd.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte regelmatig van telefoonnummer wisselde.

Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat dealers in harddrugs in de regel over meerdere telefoons beschikken en/of met regelmaat van telefoon(nummer) wisselen.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon en de daarin aangetroffen simkaart, ook vóór 12 februari 2012, eigendom van en in gebruik was bij verdachte.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

4.3.1.3. De getuigen

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen afgelegd door de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] uitgesloten dienen te worden van het bewijs. Het is, aldus de verdediging, niet na te gaan of deze verklaringen herhalingen zijn van hetgeen de getuigen door de politie is voorgehouden, of dat het hun eigen woorden zijn. De politie heeft de verklaringen teveel gestuurd, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat voornoemde getuigen er enig belang bij hebben om een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. De getuigen hebben een voor zichzelf belastende verklaring afgelegd door aan te geven dat zij harddrugs kopen bij een dealer. De getuigen hebben bovendien onafhankelijk van elkaar verdachte herkend van een aan hen getoonde foto van verdachte, als zijnde een dealer bij wie zij harddrugs kochten. Dit wordt voorts ondersteund door het gegeven dat de betrokken getuigen allen voorkomen op de contactenlijst van de simkaart uit de Nokia gsm van verdachte. Voorts is niet gebleken dat de getuigen tijdens hun verhoren door de politie gestuurd zijn, dan wel dat hen woorden in de mond zijn gelegd.

De rechtbank acht de verklaring van de getuigen derhalve betrouwbaar en is van oordeel dat deze voor het bewijs gebezigd kunnen worden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

4.3.2. De bewijsmiddelen

Op 16 februari 2012 omstreeks 19.25 uur zagen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat op het parkeerterrein aan de [adres] te Amersfoort een persoon (verder te noemen: verdachte) op een scooter zat. De scooter stond met gedoofde lichten enkele meters van de ingang van het parkeerterrein. Verdachte liep met de scooter aan de hand in de richting van de verbalisanten. Verdachte legitimeerde zich als [verdachte]. Verbalisant [verbalisant 1] liep naar de plaats waar verdachte op zijn scooter zat voordat zij hem aanspraken. Een meter van de kant van de weg trof verbalisant vervolgens een zwart etui aan. Het etui lag op de natte bladeren, maar het etui zelf was droog. In het etui bevonden zich vijfentwintig witte plastic bolletjes en tien bruine plastic bolletjes. In de fouillering van verdachte werden verder een gsm, merk Nokia, en een geldbedrag (zes biljetten van € 5,00, zes biljetten van € 10,00 en drie biljetten van €20,00) aangetroffen.

Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut volgt dat de 35 bolletjes, welke zijn aangetroffen in het zwarte etui, tien bruine bolletjes heroïne met een totaalgewicht van 2,07 gram en vijfentwintig witte bolletjes cocaïne met een totaalgewicht van 4,33 gram, betreffen.

Op 16 februari 2012 ziet en hoort verbalisant [verbalisant 3] dat er continu ingebeld wordt op de onder verdachte in beslag genomen Nokia gsm. Op een gegeven moment verschijnt er in het scherm: “[getuige 1] [telefoonnummer]”. Verbalisant herkent de naam in combinatie met het nummer, als zijnde [getuige 1], een hem ambtshalve bekende harddruggebruiker. In de tijd dat de telefoon bij verbalisant lag wordt er in totaal 23 keer ingebeld.

Met de onder verdachte in beslag genomen Nokia is in de periode van 19 januari 2012 tot en met 16 februari 2012 een groot aantal telefoongesprekken (752) gevoerd en zijn veel sms-berichten (178) verstuurd en/of ontvangen, waarbij achtereenvolgens gebruik is gemaakt van de telefoonnummers [telefoonnummer] (tot en met 12 februari 2012) en [telefoonnummer] (vanaf 12 februari 2012) , waaronder contacten met ambtshalve bekende harddruggebruikers. Met een aantal van deze personen, waaronder [getuige 3] en [getuige 2] is vervolgens contact opgenomen.

Op de simkaart afkomstig uit de Nokia-gsm van verdachte staat een ingekomen sms-bericht met de tekst: “gappie slechte donker zou andere halen”. Het bericht is op 16 februari 2012 ontvangen en is afkomstig van [naam], welke naam in de contactenlijst van de simkaart voorkomt.

[getuige 1] wonende te [woonplaats], [getuige 3] wonende te [woonplaats] en [getuige 2] wonende te [woonplaats], herkennen de persoon op de aan hen getoonde foto van verdachte als de persoon van wie zij drugs kochten. Zij betaalden verdachte een tientje voor een bolletje cocaïne.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij op 16 februari 2012 verschillende van zijn dealers had gebeld, waaronder de dealer met het telefoonnummer [telefoonnummer] (De rechtbank begrijpt: het telefoonnummer waarvan verdachte vanaf 12 februari 2012 gebruik heeft gemaakt.). Hij kocht sinds een maand of vier drie keer per week cocaïne bij verdachte. De bolletjes cocaïne bewaarde verdachte altijd in een zwart leren etui. Voorts was verdachte in deze periode vaker van telefoonnummer gewisseld.

De rechtbank acht op grond van voornoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gedeald in cocaïne en heroïne en dat hij op 16 februari 2012 een hoeveelheid heroïne en cocaïne voorhanden heeft gehad.

4.4. De bewezenverklaring

Het op de betekende tenlastelegging onder 1 ten laste gelegde feit ziet op een periode waarin verdachte zowel minderjarig als meerderjarig was. Ten tijde van het onder 2 ten laste gelegde feit was verdachte meerderjarig. Dit indachtig heeft de officier van justitie in zijn requisitoir apart gerequireerd voor wat het deel betreft dat ziet op de periode dat verdachte meerderjarig was. De raadsman van verdachte heeft op gelijke wijze in zijn pleidooi verweer gevoerd.

Het onderhavige vonnis heeft betrekking op het deel van de onder feit 1 ten laste gelegde periode waarin verdachte meerderjarig was en op het onder feit 2 ten laste gelegde. Voor wat betreft het deel van het onder feit 1 ten laste gelegde met betrekking tot de periode dat verdachte minderjarig was is, onder hetzelfde parketnummer, apart vonnis gewezen.

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1:

op tijdstippen in de periode van 22 december 2011 tot en met 16 februari 2012 in het arrondissement Utrecht, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd,

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 2:

op 16 februari 2012 te Amersfoort opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 25 bolletjes cocaïne, in totaal wegende (ongeveer) 4,33 gram, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

en

- 10 bolletjes heroïne, in totaal wegende (ongeveer) 2,07 gram, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd in de periode waarin verdachte meerderjarig was. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf van 197 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daarbij als bijzondere voorwaarde de Maatregel Hulp en Steun, uitgevoerd door de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte zes maanden moet deelnemen aan de maatregel ITB-Plus;

- een werkstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen gevangenisstraf.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de werkstraf te matigen, dan wel deels voorwaardelijk op te leggen, gelet op de zesdaagse werkweek van verdachte en de opleiding die verdachte binnenkort wil gaan volgen. De verdediging heeft zich voor het overige gerefereerd aan de eis van de officier van justitie.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een periode schuldig gemaakt aan het dealen van harddrugs en voorts heeft hij enige hoeveelheden heroïne en cocaïne in zijn bezit gehad. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat heroïne en cocaïne stoffen zijn die sterk verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden vaak vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

De rechtbank rekent het verdachte bovendien aan dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij op 21 oktober 2011 door de kinderrechter is veroordeeld. Verdachte liep vanwege deze veroordeling in een proeftijd. De rechtbank acht het een zorgelijke ontwikkeling dat verdachte, terwijl hij in een proeftijd liep, wederom strafbare feiten heeft gepleegd. De waarschuwing die hij destijds heeft gekregen en de dreiging van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf hebben hem er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.

Op 31 mei 2012 is er door de Reclassering Nederland een advies uitgebracht. Mw. J. Tenic, reclasseringwerkster bij Bureau Jeugdzorg, heeft ter zitting het advies van de reclassering nader toegelicht. Zij heeft aangegeven dat verdachte, voordat hij werd opgepakt, al begeleid werd door Bureau Jeugdzorg. Deze begeleiding verliep tot dan toe goed. Verdachte heeft een sociaal netwerk om zich heen, maar heeft toch toezicht en structuur nodig. Verdachte is thans meerderjarig, maar in de optiek van Bureau Jeugdzorg is hij nog niet volwassen. Begeleiding van verdachte kan in het kader van een maatregel Hulp en Steun door Bureau Jeugdzorg gedaan worden. Een goede controle en begeleiding van verdachte kan binnen de ITB-Plus. Daarvoor is geen elektronisch toezicht nodig.

Bureau Jeugdzorg adviseert verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarde de Maatregel Hulp en Steun, waarvan zes maanden ITB-Plus.

Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij bereid is mee te werken aan de begeleiding door Bureau Jeugdzorg en zich zal houden aan de te stellen voorwaarden.

De rechtbank acht, alles afwegende en rekening houdend met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is geëist met daarbij de bijzondere voorwaarden conform het advies van Bureau Jeugdzorg, passend en geboden.

De rechtbank zal verdachte eveneens een werkstraf opleggen, maar zal deze gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte enigszins matigen. De rechtbank acht een werkstraf van 60 uur passend en geboden.

7. Het beslag

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de verbeurdverklaring gevorderd van een aantal goederen die onder verdachte in beslag zouden zijn genomen.

De rechtbank heeft echter bij gebreke van enige kennisgeving van inbeslagneming of een beslaglijst, niet kunnen constateren òf en, zo ja, welke goederen er in beslag genomen en nog niet teruggegeven zijn. Zij kan dientengevolge niet vaststellen of de door de officier van justitie genoemde goederen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. De rechtbank is derhalve niet in staat enige beslissing te nemen met betrekking tot deze vordering van de officier van justitie.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot:

- een gevangenisstraf van 197 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich in het kader van de maatregel Hulp en Steun gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van het Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling dat nodig vindt, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde gedurende een periode van zes maanden van de proeftijd deel moet nemen aan

het project ITB-plus;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en mr. G.D. Kleijne, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 augustus 2012.

Mr. G.D. Kleijne is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.