Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6151

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
16-653088-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor vijf pogingen tot inbraak in kelderboxen horende bij woningen in Zeist, die hij samen met anderen heeft gepleegd. Verdachte heeft een gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd gekregen met daarbij een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/653088-12 en 21/004402-11 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1994] te [geboorteplaats],

wonende aan de [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovengenoemd parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in april 2012 driemaal heeft geprobeerd om samen met anderen in te breken in kelderboxen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Aangezien verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 24 juli 2012 ;

- de aangiftes van woningbouwvereniging [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] en [aangever 4] .

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 en 3

Aangever [aangever 1] heeft namens de benadeelde woningbouwvereniging de [aangever 1] bij de politie verklaard dat er tussen 8 en 10 april 2012 is ingebroken in ongeveer 30 kelderboxen, waaronder de nummers 711 en 889. Er is sprake van schade. Van een aantal boxen werden de sloten verbroken en bij anderen is men van de ene box, door het gaas te vernielen, in de andere box geklommen.

Aangever [aangever 5] heeft bij de politie verklaard dat hij op 8 april 2012 omstreeks 18.00 uur nog in zijn kelderbox is geweest en dat op dat moment alles in orde was. Hij heeft de deur van de kelderbox op slot gedaan bij het verlaten van de kelderbox. Op 9 april 2012 kwam [aangever 5] weer bij zijn kelderbox en toen zag hij er geprobeerd was om in zijn kelderbox in te breken, wat niet gelukt was. [aangever 5] zag dat de latten van het kozijn rond de deur verwijderd waren. Hierdoor ontstaat meer ruimte om de deur open te breken.

Aangever [aangever 6] heeft bij de politie verklaard dat hij zijn kelderbox op vrijdag 6 april omstreeks 18.00 uur in onbeschadigde staat en afgesloten heeft achtergelaten. Op maandag 9 april 2012 kwam [aangever 6] bij zijn kelderbox en hij zag dat er getracht was in te breken. Dit was echter niet gelukt. Hij zag dat het houtwerk bij het kozijn was beschadigd.

Verdachte heeft bij de politie op 12 april 2012 verklaard dat hij de laatste dagen net voor en net na Pasen meerdere keren heeft ingebroken in de kelderboxen. Dit deed hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2]). Verdachte heeft verklaard dat het allemaal begon voor de lol. De eerste keer was vorige week zaterdag (de rechtbank begrijpt zaterdag 7 april 2012) met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. De tweede keer was afgelopen maandag, met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] was er die dag niet bij. Verdachte heeft verklaard die dag zelf geen kelderboxen te hebben opengemaakt, maar wel te hebben gezien dat [medeverdachte 1] een deur open trapte. Ook heeft verdachte een keer gezien dat [medeverdachte 1] een deur forceerde met behulp van een schroevendraaier. Verdachte weet niet meer op welke dag dat was.

Verdachte is de kelderboxen ingelopen. In de meeste kelderboxen was het een rommel. Zij waren op zoek naar laptops en dat soort dingen, maar die vonden zij niet. Verdachte kan niet zeggen hoeveel boxen zij in drie dagen tijd hebben geopend. Eén van de groep stond op de uitkijk. Dat wisselde af, iedereen heeft wel een keer op de uitkijk gestaan. Verdachte heeft wel eens een deur open getrapt en heeft wel eens op de uitkijk gestaan. De bedoeling was dat zij de buit met z’n drieën zouden gaan verdelen.

Verdachte heeft bovenstaande verklaring bij de rechter-commissaris bevestigd.

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft op woensdag 11 april 2012 bij de politie verklaard dat zij drieën, [verdachte], [medeverdachte 2] en hijzelf, kelderboxen hebben opengemaakt, waarvan een aantal op dinsdag 10 april 2012. Op maandag 2e paasdag (de rechtbank begrijpt 9 april 2012), waren zij ook met zijn drieën gegaan. Die zaterdag (de rechtbank begrijpt 7 april 2012) ervoor ook nog. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat het kan kloppen dat zij in totaal rond de 27 boxen hebben opengemaakt. Zij deden het voor zakgeld. [verdachte] was er volgens [medeverdachte 3] alle keren bij.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 en 3

Dat verdachte heeft ter zitting zijn betrokkenheid bij de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten ontkend in tegenstelling tot zijn eerdere afgelegde bekennende verklaringen bij zowel de politie als ook bij de rechter-commissaris. De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter zitting niet aannemelijk, ook gelet op de overige bewijsmiddelen.

De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op het bovenstaande.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op 10 april 2012 te Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit één of meer kelderboxen weg te nemen goederen, toebehorende aan

[aangever 2] en [aangever 3] en [aangever 4], en zich daarbij de toegang tot die kelderboxen te verschaffen door middel van braak, met één of meer van zijn mededaders, naar die kelderboxen is gegaan, waarna hij, verdachte en één van zijn mededaders met behulp van een schroevendraaier, althans een breekvoorwerp, telkens een deur van die kelderboxen hebben geforceerd/opengebroken en/of opengetrapt en vervolgens die kelderboxen hebben doorzocht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij in de periode van 08 april 2012 tot en met 09 april 2012 te Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kelderbox behorend bij [adres] 711 weg te nemen goederen toebehorende aan [aangever 5], en zich daarbij de

toegang tot die kelderbox te verschaffen door middel van braak, met één of meer van zijn mededaders, naar die kelderbox is gegaan, waarna hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders met behulp van een schroevendraaier, althans een breekvoorwerp, de toegangsdeur van die kelderbox hebben geprobeerd open te breken en/of open te trappen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

hij in de periode van 06 april 2012 tot en met 09 april 2012 te Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kelderbox behorend bij [adres] 889 weg te nemen goederen, toebehorende aan [aangever 6], en zich daarbij de toegang tot die kelderbox te verschaffen door middel van braak, met één of meer van zijn mededaders, naar die kelderbox is gegaan, waarna hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders met behulp van een schroevendraaier, althans een breekvoorwerp, de toegangsdeur van die kelderbox hebben geprobeerd open te breken en/of open te trappen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1: poging diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van de feiten 2 en 3: telkens poging diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de misdrijven die zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen 45 dagen jeugddetentie met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, waarvan 21 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met daarbij de bijzondere voorwaarde hulp en steun, waarvan 3 maanden

ITB-criem.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de strafmaat gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan vijf pogingen tot inbraak in kelderboxen horende bij woningen aan [adres] te Zeist. Dit zijn vervelende feiten die veel schade hebben veroorzaakt en naast ergernis en onnodig tijdsbeslag, gevoelens van onveiligheid bij de bewoners en de samenleving hebben veroorzaakt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte d.d. 14 juni 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor (onder andere) een vermogensdelict. Uit het rapport d.d. 25 juni 2012 van mr. drs. R.A. Sterk blijkt dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een psychologisch onderzoek.

Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op 4 mei 2012 heeft verdachte zich laten begeleiden door het Bureau Jeugdzorg in het kader van ITB-plus. Hij heeft zich aan het strakke kader van de ITB-plus gehouden, ondanks dat het strakke dagprogramma hem zwaar viel. Het Bureau Jeugdzorg heeft ter zitting geadviseerd om de maatregel Hulp en Steun op te leggen, waarvan drie maanden ITB-criem. Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 6 juli 2012 blijkt dat zij adviseert om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke werkstraf op te leggen met daarbij de maatregel Hulp en Steun. De rechtbank zal bij haar straf rekening houden met de hierboven genoemde adviezen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie voldoende recht doet aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook niet terugsturen naar de jeugdgevangenis, maar conform de eis van de officier van justitie, een gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Het voorwaardelijke deel maakt een verplichte begeleiding door Bureau Jeugdzorg, waaronder drie maanden IBT-criem, mogelijk.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 4] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 96,00 wegens materiële schade, in verband met de diefstal van zijn boormachine.

De officier van justitie heeft afwijzing gevorderd van de vordering nu deze onvoldoende is onderbouwd. De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

De rechtbank is van oordeel dat nu bij de aangifte niet gerept is over de diefstal van een boormachine en de poging tot diefstal met braak bewezen is verklaard, er geen causaal verband is tussen het bewezenverklaarde en de door de benadeelde partij gevorderde schade. Derhalve zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

8. De tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging kan worden toegewezen.

De raadsman heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen en de proeftijd te verlengen met een jaar.

Aan verdachte is bij vonnis van het hof van 28 februari 2012 onder meer een voorwaardelijke werkstraf van 50 uur met een proeftijd van twee jaar opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen en wel voor 50 uren werkstraf. De rechtbank ziet, ondanks het verweer van de raadsman, geen aanleiding om anders te beslissen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 77a, 77g, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77gg, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1: poging diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van de feiten 2 en 3: telkens poging diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straf

- veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 45 dagen.

- bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 21 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

- stelt daarbij een proeftijd vast voor de duur van twee jaren;

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking

verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als

bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

dat de veroordeelde in het kader van de maatregel Hulp en Steun zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens Bureau Jeugdzorg Utrecht, afdeling Jeugdreclassering, te geven aanwijzingen, waarvan drie maanden ITB-criem, zolang die instelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [aangever 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf van 50 uur werkstraf, die bij vonnis van 28 februari 2012 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 21/004402-11, ten uitvoer zal worden gelegd.

Voorlopige hechtenis

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.J. Veldhuijzen en mr. E.A. Messer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 augustus 2012.

Mr. E.A. Messer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.