Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX5855

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
16/700435-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

woninginbraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/700435-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats],

gedetineerd te Utrecht, HvB Wolvenplein

raadsman mr. S.D. Kurz, advocaat te Vleuten

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 juli 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 geprobeerd heeft, samen met een ander, in te breken in een woning te Maarssen;

feit 2 samen met een ander een grote hoeveelheid sieraden, tafelzilver en huishoudelijke voorwerpen heeft geheeld;

feit 3 35 gram hennep voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaring van getuige [getuige] en de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank slechts tot een bewezenverklaring kan komen van feit 3. Van de feiten 1 en 2 dient verdachte te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte voldoet niet aan het door getuige [getuige] en de verbalisanten opgegeven signalement en de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] dient vanwege onbetrouwbaarheid niet te worden gebezigd voor de bewezenverklaring. Daartegenover staat dat de verklaring van verdachte dat hij de scooter voor de datum van de inbraakpoging heeft verkocht en derhalve geen gebruik meer maakte van de scooter. Deze verklaring is consistent en wordt bevestigd door de medeverdachte [medeverdachte].

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2

[getuige] hoorde op 23 december 2011 tussen 05.00 en 05.15 uur vanuit de woning van zijn buurman [aangever 1], [adres] te Maarssen, een hard bonkend geluid. Hij liep naar buiten en zag op het trottoir voor de woning [adres] een jongen heen en weer lopen. [getuige] vertrouwde de zaak niet en belde de politie. Direct nadat de politie aan kwam rijden, zag getuige bij [adres] een bromfiets wegrijden, weg van de richting van waaruit de politie aan kwam rijden. Er zaten twee jongens op de bromfiets. De jongen die getuige eerder had gezien, zat achterop. Vlak voor het huis van [getuige] zijn de jongens een petje kwijt geraakt, dat door getuige is opgeraapt.

Tijdens de achtervolging van de bromfiets door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] reed de bestuurder van de bromfiets via een stoep een brandgang in. De jongens lieten de bromfiets in de brandgang vallen en renden weg. De bromfiets betrof een zwarte Gilera Runner, zonder kentekenplaat.

Wijkagent [wijkagent] doet veel dienst als biker en heeft daarbij ruime ervaring opgedaan met verschillende type (motor)scooters. Hij heeft de aangetroffen bromfiets/scooter bekeken en constateerde dat deze scooter een aantal specifieke kenmerken heeft, zoals een donkergrijze voorkap en het ontbreken van zijkappen, waardoor het frame zichtbaar is. Daarnaast bevinden zich op de voorvork witte dan wel lichtkleurige teksten en produceert het achterlicht wit licht. [wijkagent] constateerde dat de aangetroffen motorscooter voor honderd procent overeenkwam met de motorscooter waarop hij verdachte meerdere malen heeft zien rijden, onder andere op 22 en 24 november 2011.

Op de vluchtroute van de bromfiets zijn twee voorwerpen aangetroffen: ter hoogte van [adres] een rood breekijzer en ter hoogte van [adres] een petje. Deze voorwerpen zijn in beslag genomen.

In het petje is celmateriaal aangetroffen, waarvan het afgeleide DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van verdachte.

Bij de inbraakpoging in de woning [adres] te Maarssen zijn zowel de voordeur als het kozijn zwaar beschadigd. Er is getracht met een koevoet/breekijzer de voordeur open te breken aan de zijde van het slot. Er zijn sporen van een breekijzer zichtbaar en er bevonden zich verse sporen van rode verf aan de voordeur.

Uit onderzoek door de forensische opsporing naar de sporen bij de geforceerde voordeur is gebleken dat deze zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt door het aangetroffen breekijzer.

In het petje dat was aangetroffen door getuige [getuige] (voor zijn woning aan [adres]) is celmateriaal aangetroffen, waarvan het afgeleide DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte].

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] eigenaar is geweest van de aangetroffen scooter.

Voorts ten aanzien van feit 2

In de buddyseat van achtergelaten scooter werd een kussensloop aangetroffen met een grote hoeveelheid sieraden, sieradenkistjes, zilverwaar en parfum.

[medeverdachte 2] heeft aangifte gedaan van inbraak in zijn woning aan [adres] te Maarssen, gepleegd tussen 21 december 2011 en 28 december 2011. Bij deze inbraak zijn een groot aantal sieraden, een sieradenkistje en bestek weggenomen. Aangever heeft de in de buddyseat aangetroffen sieraden herkend als zijn eigendom. Deze sieraden waren weggenomen bij genoemde woninginbraak.

Bewijsoverwegingen

Verdachte voert aan dat hij de inbeslaggenomen scooter eind november, begin december 2011 heeft verkocht en derhalve niet de gebruiker was van de scooter op 23 december 2011.

De rechtbank is van oordeel dat deze lezing van verdachte niet aannemelijk is geworden, nu verdachte deze verklaring op geen enkele manier heeft onderbouwd. Verdachte kan geen enkel detail van deze verkoop noemen, behalve dat de kopers twee jongens uit Maarssen Dorp waren.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang gezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Gelet op de omstandigheden waaronder de gestolen voorwerpen zijn aangetroffen, te weten een grote hoeveelheid sieraden, tafelzilver en huishoudelijke voorwerpen verpakt in een sloop, in de buddyseat van de scooter is de rechtbank voorts van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

Ten aanzien van feit 3

Aangezien verdachte dit feit zoals de rechtbank dat bewezen acht, heeft bekend en de raadsman in zoverre niet tot vrijspraak heeft gepleit zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het onder feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 24 juli 2012;

- het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4], pagina 135;

- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van [verbalisant 5], brigadier, pagina 151 van proces-verbaal met registratienummer PL0971 2012091095A.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op 23 december 2011 te Maarssen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning (gelegen aan de

[adres]) weg te nemen geld en goederen van hun gading, geheel of

ten dele toebehorende aan [aangever 1] en zich daarbij de toegang tot die

woning te verschaffen door middel van braak immers hebben hij en/of zijn

mededader (met) een breekijzer tussen een slot en/of het kozijn van een

(toegangs)deur van die woning bewogen en/of gewrikt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij op 23 december 2011 te Maarssen tezamen en in vereniging met een

ander (een grote hoeveelheid) sieraden en tafelzilver en huishoudelijke

voorwerpen voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader

ten tijde van het voorhanden hebben van die sieraden en/of dat tafelzilver

en/of die huishoudelijke voorwerpen wisten dat het door misdrijf verkregen

goederen betrof;

3.

hij op 12 april 2012 te Maarssen,opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

35 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Feit 2 medeplegen van opzetheling

Feit 3 opzettelijke handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit in het geval de rechtbank voor alle feiten tot een bewezenverklaring komt een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning en aan opzetheling van goederen die eveneens bij een woninginbraak zijn weggenomen. Aan het plegen van woninginbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is algemeen bekend dat woninginbraken nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid kunnen zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woningen als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar heeft alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

Tenslotte was verdachte in het bezit van 35 gram hennep. Nu dit slechts 5 gram meer is dan de hoeveelheid die gedoogd wordt, zal de rechtbank dit feit niet substantieel laten meewegen in de strafmaat.

Voor wat betreft de persoon van verdachte merkt de rechtbank op dat uit de rapporten van de reclassering blijkt dat de gedachte bestaat dat bij verdachte sprake is van psychische problematiek. Verdachte heeft echter niet mee willen werken aan psychiatrisch onderzoek voor een Pro Justitia rapportage. Ook begeleiding door de reclassering wijst verdachte van de hand.

In het nadeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat uit het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 14 juni 2012 blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor inbraken, laatstelijk op 20 mei 2009 door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank. Tevens is verdachte eerder veroordeeld voor opzetheling.

De rechtbank is van oordeel, dat de bewezen verklaarde feiten en de ernst daarvan zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Bij de oplegging van de straf kan de rechter de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) tot uitgangspunt nemen.

Op basis hiervan geldt voor een enkele – voltooide - woninginbraak in geval van recidive reeds een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden en in geval van frequente recidive - de categorie waartoe verdachte gerekend kan worden- zelfs zeven maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Nu in de onderhavige zaak sprake is van een poging tot woninginbraak en opzetheling (qua strafmaat gelijk te stellen aan woninginbraak) zal de rechtbank, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 63, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

feit 2 medeplegen van opzetheling;

feit 3 opzettelijke handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. I.M. Vanwersch en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 augustus 2012.

Mr. Schoenmakers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.