Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BX5515

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
16/650017-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft werkzaamheden verricht ten behoeve van het illegaal kweken van hennep. Het kweken van een softdrug als hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij la

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/650017-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats]

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie

persoonsgegevens en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats

in Nederland

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2012 en 2 juli 2012. De verdachte is telkens niet verschenen.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen een hennepkwekerij heeft gehad en zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal van energie.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair

De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie ;

- het proces-verbaal van relaas van de politie.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van verdachte blijkt, dat zij geen huur hoefde te betalen voor de woning waarin zij met haar kinderen woonde en waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, dat er ’s nachts activiteiten plaatsvonden met betrekking tot die hennepkwekerij en zij ook over de hennepplanten waakte. Deze feiten en omstandigheden wijzen naar het oordeel van de rechtbank zozeer op een nauwe en bewuste samenwerking, dat van medeplegen moet worden gesproken.

Feit 2

Onder 2 is verdachte ten laste gelegd dat zij – kort gezegd – medeplichtig is geweest aan diefstal van energie door de woning aan de [adres] te [woonplaats] ter beschikking van de medeverdachten te stellen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte van de medeverdachte [medeverdachte], die eigenaar was van de woning, in de woning mocht verblijven. Zij en haar twee kinderen hadden de woonkamer, de keuken en de douche tot hun beschikking. Zij hoefde geen huur te betalen maar moest een oogje in het zeil houden. In de woning werd op 21 april 2011 onder meer aangetroffen een kweekruimte in een van de woonkamer afgeschermde ruimte, twee kweekruimtes op de eerste verdieping, in de badkamer op de eerste verdieping watervaten met dompelpompen en flessen met voedingsmiddelen, en op zolder tenslotte een vierde kweekruimte. Onder de gegeven omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken worden van het ‘ter beschikking stellen’ door verdachte van de woning aan medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte dient dan ook van het haar onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 21 april 2011 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van in totaal 623 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft werkzaamheden verricht ten behoeve van het illegaal kweken van hennep.

Het kweken van een softdrug als hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts levert een kwekerij waarbij de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving. Dit is in dit geval des te kwalijker nu de aangetroffen kwekerij in een woning was opgezet. Tenslotte trekt het kweken van hennep vaak andere vormen van criminaliteit aan.

Over de persoon van verdachte is niet veel bekend. In het dossier bevindt zich een uittreksel uit de justitiële documentatie en daaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld. Doordat verdachte verstek heeft laten gaan bij de behandeling van haar strafzaak heeft de rechtbank geen goed beeld kunnen krijgen van haar persoonlijke omstandigheden. Uit het dossier blijkt evenwel dat deze ten tijde van het bewezen verklaarde feit niet al te florissant waren. Enerzijds heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank voordeel getrokken van de hennepkwekerij, maar anderzijds kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte daarbij is uitgebuit en zich in een afhankelijke positie ten opzichte van de medeverdachten bevond.

Alles afwegende acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. In de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde heeft de rechtbank aanleiding gezien in het voordeel van verdachte van de eis van de officier van justitie af te wijken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. M.A.E. Somsen en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 juli 2012.

Mr. Oostendorp is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.